Nederlandse Grondwet:
Mr. J.H. van Maarseveen

foto Mr. J.H. van Maarseveenvergrootglas Katholieke staatsman die in de eerste naoorlogse jaren een belangrijke rol speelde als minister. Was voor 1945 advocaat en daarna Tweede Kamerlid en secretaris van de RKSP. Kreeg als minister van Justitie in het kabinet-Beel I te maken met de bestraffing van politieke delinquenten en het gratiebeleid. Stapte als minister in het kabinet-Drees I in 1949 over van Binnenlandse Zaken naar Overzeese Gebiedsdelen en leidde de onderhandelingen over de Soevereiniteitsoverdracht aan IndonesiŽ. Nadien weer korte tijd minister van Binnenlandse Zaken. Overleed in die functie. Wat stille, teruggetrokken man die zichzelf niet op de voorgrond plaatste. Hoffelijke, welbespraakte rechtsgeleerde, vol advocatentrucjes. Gewaardeerd als minister.

RKSP, KVP
in de periode 1937-1951: lid Tweede Kamer, minister

1.

voornamen

Johannes Henricus

2.

personalia

geboorteplaats en -datum
Utrecht, 3 augustus 1894

overlijdensplaats en -datum
Utrecht, 18 november 1951

levensbeschouwing
Rooms-Katholiek

3.

partij/stroming

partij(en)
  • RKSP (Roomsch-Katholieke Staatspartij), tot 22 december 1945 
  • KVP (Katholieke Volkspartij), vanaf 22 december 1945 

4.

hoofdfuncties en beroepen

  • repetitor R.K. Studentenvereniging "Veritas" te Utrecht (als student) 
  • advocaat en procureur (geassocieerd met mr. P. Kaag en vanaf 1925 met mr. H.P.M. Steenberghe) te Utrecht, van 1920 tot 1932 
  • lid gemeenteraad van Utrecht, van 9 maart 1928 tot 5 september 1939 
  • rechtskundig adviseur RKWV (Rooms-Katholiek Werkliedenverbond), vanaf 1932 
  • wethouder (van financiŽn) van Utrecht, van 3 september 1935 tot 18 maart 1937 
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 21 september 1937 tot 3 juli 1946 
  • minister van Justitie, van 3 juli 1946 tot 7 augustus 1948 
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 27 juli 1948 tot 10 augustus 1948 
  • minister van Binnenlandse Zaken, van 7 augustus 1948 tot 15 juni 1949 
  • minister van Overzeese Gebiedsdelen ad interim, van 14 februari 1949 tot 15 juni 1949 (na het aftreden van minister Sassen) 
  • minister van Overzeese Gebiedsdelen, van 15 juni 1949 tot 27 december 1949 (naam departement gewijzigd bij K.B. van 24 december 1949) 
  • minister van Uniezaken en Overzeese Rijksdelen, van 27 december 1949 tot 15 maart 1951 
  • minister van Justitie ad interim, van 15 mei 1950 tot 10 juli 1950 (na het aftreden van minister Wijers) 
  • minister van Binnenlandse Zaken, van 15 maart 1951 tot 18 november 1951 

5.

partijpolitieke functies

  • lid bestuur RKSP afdeling Utrecht 
  • lid fractiebestuur KVP Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 21 mei 1946 tot 3 juli 1946 

6.

nevenfuncties

  • vicevoorzitter Staatscommissie onderzoek Grondwetsherziening vanwege hervorming van de staatkundige structuur van het Koninkrijk (Staatscommissie-Beel), van 29 september 1947 tot maart 1948 
  • voorzitter Staatscommissie inzake de Grondwetsherziening, van 7 april 1951 tot 15 november 1951 (samen met Van Schaik) 

afgeleide functies, presidia etc.
voorzitter begrotingscommissie voor Justitie (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van 12 december 1945 tot 3 juli 1946

7.

opleiding

voortgezet onderwijs
  • gymnasium te Utrecht 

academische studie
  • rechtswetenschap (gepromoveerd op stellingen), Rijksuniversiteit Utrecht, tot 23 april 1920 

8.

activiteiten

als parlementariŽr
  • Was woordvoerder van de RKSP-fractie voor justitie en binnenlandse zaken 
  • Was in juni 1939 woordvoerder van de RKSP in het debat over het verslag van de Kamercommissie betreffende de zaak-Oss 

als bewindspersoon (beleidsmatig)
  • Besloot in augustus 1946 als minister van Justitie op grond van barmhartigheid tot vrijlating van de lichtere gevallen onder de politieke delinquenten (beoogd was 25.000). Bewerkstelligde bij koningin Wilhelmina een ruimer gratiebeleid. 
  • Verleende bij K.B. van 25 april 1947 aan Prof. E.M. Meijers de opdracht om een Nieuw Burgerlijk Wetboek te ontwerpen 
  • Vaardigde op 6 oktober 1948 een Bezoldigingsbesluit Burgemeesters uit, waardoor met terugwerkende kracht tot 1 oktober 1947 de salarispositie van burgemeesters aanzienlijk werd verbeterd. Daardoor werd het ambt minder afhankelijk van het bezit van een eigen vermogen. 
  • Stelde bij geheim K.B. van 8 augustus 1949 de Binnenlandse Veiligheidsdienst in 
  • Verdedigde in februari 1949 na het aftreden van minister Sassen in een voortgezet Tweede Kamerdebat de begroting 1949 van het ministerie van Overzeese Gebiedsdelen. Hij legde daarbij tevens een verklaring af over het Plan-Beel voor versnelde soevereiniteitsoverdracht en de voorbereiding van nieuwe onderhandelingen daarover. 
  • Diende in 1949 als minister van Binnenlandse Zaken samen met de ministers Rutten en Wijers een wetsvoorstel in om een gemeentelijk vergunningenstelsel in te voeren voor leesbibliotheken. Voorkomen moest onder meer worden dat particuliere bibliotheken lectuur zouden verspreiden die de zedelijke gezondheid van jongeren kon bedreigen. Dit voorstel werd na vier jaar ingetrokken. (1107) 
  • Diende in 1949 een ontwerp-Film- en Bioscoopwet in, die de overheid een grotere rol toedichtte bij het bewaken van de zedelijkheid. Dit voorstel werd na ernstige kritiek vanuit de Tweede Kamer in 1954 ingetrokken. (1440) 
  • Legde op 12 en 17 mei 1949 als minister van Overzeese Rijksdelen in de Tweede Kamer verklaringen af over de instemming van het kabinet met de Van Roijen-Roem-verklaringen en de daarop gevolgde ontslagaanvrage door de Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon. De Van Roijen-Roem-verklaringen voorzagen er in dat de leiders van de Republiek werd toegestaan terug te keren naar Djocja en de guerilla-oorlog door de Republiek werd beŽindigd. Ook Nederland zou alle militaire operaties staken en alle politieke gevangenen vrijlaten. Verder zou er een Ronde-Tafelconferentie in Den Haag komen over overdracht van de soevereiniteit aan de Verenigde Staten van IndonesiŽ. 
  • Bracht in augustus 1949 een nota uit over de resultaten van de preliminaire conferentie te Batavia en een brief over het staakt-het-vuren (786, nr. 37) 
  • Leidde tussen 23 augustus en 2 november 1949 de Nederlandse delegatie op de Ronde Tafelconferentie over de soevereiniteitsoverdracht aan IndonesiŽ 
  • Was in december 1949 met Stikker de voornaamste verdediger van het wetsvoorstel Soevereiniteitsoverdracht IndonesiŽ, dat in de Tweede Kamer met 71 tegen 29 stemmen en in de Eerste Kamer met 34 tegen 15 stemmen werd aanvaard. 
  • Bracht in 1950 een Nota over de ontwikkeling van zaken in IndonesiŽ uit, onder meer over de totstandkoming van de federale staat en het zelfbeschikkingsrecht van minderheden (1657) 
  • Bracht in 1950 het Besluit Bewindsregeling Nieuw-Guinea (Stb. J 599) tot stand. De Bewindsregeling bevatte bepalingen over de geldigheid van wettelijke regelingen in Nieuw-Guinea, de inrichting van het bestuur (Gouverneur, ordonnanties, Raad van Diensthoofden, Nieuw-Guinea Raad, begroting, bestuursindeling) en het rechtswezen. Hij diende in 1950 een wetsvoorstel in om de Bewindsregeling wettelijk vast te leggen. (1710) 
  • Zat in december 1950 de (mislukte) conferentie (van 4 t/m 27 december 1950) in Den Haag over het vraagstuk van de staatkundige status van Nieuw-Guinea. In januari 1951 bracht hij een nota uit betreffende het verloop van de onderhandelingen. (2051) 
  • Verbeterde in 1951 als minister van Binnenlandse Zaken de pensioenvoorziening voor ambtenaren 
  • Verdedigde in 1951 samen met minister Lieftinck in de Tweede Kamer met succes een wetsvoorstel over voorzieningen ten aanzien van de financiŽle verhouding tussen Rijk en gemeenten. Het wetsvoorstel was mede ingediend door minister Teulings. De wet kwam in 1952 in het Staatsblad. (1991) 

als bewindspersoon (wetgeving)
  • Bracht in 1946 als minister van Justitie een wet tot stand waarbij de wedden van rechters en griffiers werden op getrokken naar het ambtelijk niveau. AnciŽnniteit was niet langer een criterium bij een rechterlijke loopbaan; rechter-plaatsvervangers kregen meer mogelijkheden om rechter te worden. 
  • Bracht in 1947 een wet nadere voorzieningen met betrekking tot de bijzondere rechtspleging (Stb. H 206) tot stand. De bepalingen van het Wetboek van Strafvordering golden in hoofdlijnen ook voor de bestraffing van politieke delinquenten, maar door versnelling van procedures moest een te lange duur van de bijzondere rechtspleging worden voorkomen. Eenvoudige afdoening van strafzaken werd mogelijk, tenzij noch de verdachte noch het openbaar ministerie zich daartegen verzetten. (372) 
  • Bracht in 1947 een nieuwe Wet op de rechterlijke organisatie (Stb. H 430) tot stand, waarbij tevens de salarissen werden opgetrokken. De rechterlijke macht moest zo niet langer alleen toegankelijk zijn voor beter gesitueerden. (507) 
  • Bracht in 1948 een wet tot stand waarbij de bijzondere gerechtshoven, de Bijzondere Raad van Cassatie en de tribunalen werden opgeheven. De taken gingen over naar respectievelijk bijzondere strafkamers bij rechtbanken, de Hoge Raad en de kantongerechten. (627) 
  • Bracht in 1948 als minister van Binnenlandse Zaken een wet tot vereniging van Breukelen-Nijenrode met Breukelen-Sint Pieter tot stand 
  • Bracht in 1948 een wet tot herziening van de provinciale financiŽn in het Staatsblad. Daarbij werd onder meer het Provinciefonds ingesteld, dat wordt gevoed door opcenten op diverse belastingen. De uitkeringen uit het Fonds worden bepaald op grond van oppervlakte, inwonertal en voor een derde in gelijke delen. Het wetsvoorstel was in 1948 ingediend door minister Witteman. (735) 
  • Bracht in 1949 wetten tot stand tot vereniging van de gemeenten Hoogezand en Sappemeer en van de gemeenten Maarssen en Maarseveen 
  • Bracht in 1951 een nieuwe Kieswet (Stb. 290) in het Staatsblad, die de Kieswet uit 1896 verving. De wet zorgde voor een systematischer opgezette regeling van het kiesrecht en vereenvoudigde onder meer de regeling voor stemmen bij volmacht en voor het stemmen in een andere plaats. In plaats van jaarlijks vast te stellen kieslijsten kwam er een kiesregister. Het Centraal Stembureau werd omgevormd tot Kiesraad. Het wetsvoorstel was ingediend door minister Teulings. (2090) 
  • Bracht in 1951 een wet tot voorziening in het bestuur van de gemeente Finsterwolde tot stand, waardoor de door de CPN gedomineerde gemeente onder Rijkstoezicht kwam 

9.

wetenswaardigheden

algemeen
  • Na de oorlog weigerde hij te verschijnen voor de Commissie Zuivering Staten-Generaal. Hij schreef de commissie op 24 augustus 1945, dat hij niet kon "dulden, dat zijn vaderlandsliefde en de behoorlijkheid van zijn gedrag tijdens de bezetting door uw commissie twijfelachtig zou aangemerkt worden. De ellende en gevaren der bezetting heeft hij gelaten gedragen, de smaad van eigen landgenoten na de bevrijding verdraagt hij niet." 
  • Was van 3 tot 21 januari 1949 waarnemend minister-president (in Nederland) vanwege een reis van Drees naar Nederlands-IndiŽ 
  • In mei 1949 maakte koningin Juliana aanvankelijk bezwaar tegen de (definitieve) benoeming van hem tot minister van Overzeese Gebiedsdelen. Na tussenkomst van minister-president Drees ging zij daarmee op 23 mei alsnog akkoord. Mogelijk was de koningin ontstemd over de gang van zaken rond het ontslag van de Haagse burgemeester Visser. 
  • In maart 1951 leefden er bij met name de VVD bezwaren tegen voortzetting van zijn ministerschap op UOR. Hij werd toen door de KVP voorgedragen voor Binnenlandse Zaken. 

uit de privťsfeer
  • Overleed ten gevolge van angina pectoris 
  • Om te kunnen voorzien in het levensonderhoud van haar gezin vestigde zijn echtgenote zich na de dood van haar man als collectrice van de Nederlandse Staatsloterij. 
  • Zijn vader was boekhouder 

woonplaats(en)/adres(sen)
Utrecht, Maliebaan 78a, omstreeks 1938

relevante buitenlandse reizen
  • reis naar IndonesiŽ, juni 1949 (tien dagen) 
  • reis naar IndonesiŽ, van februari 1950 tot 1 april 1950 (Unieconferentie te Djakarta) 

verenigingen, sociŽteiten, genootschappen etc.
  • lid RKSV "Veritas" 
  • rector algemene studentenvereniging "Unitas, Studiosorum Rehno-Trajectina" 

10.

publicaties/bronnen

literatuur/documentatie
  • M.D. Bogaarts, "Maarseveen, Johannes Hendrikus van (1894-1951)", in: Biografisch Woordenboek van Nederland, deel II, 366 
  • M.D. Bogaarts, "De periode van het kabinet-Beel 1946-1948. Parlementaire Geschiedenis van Nederland na 1945", Band C (Nijmegen, 1989), p. 1613 e.v. 
  • P.P.T. Bovend'Eert, "Binnenlandse Zaken: Het 'torentje' als duiventil", in: P.F. Maas (ed.), "Het kabinet-Drees-Van Schaik. Anticommunisme, rechtsherstel en infrastructurele opbouw. 1948-1951", Band B, 357 

Biografisch Woordenboek(en)
biografie opgenomen in het Biografisch Woordenboek van Nederland

archivalia via site Nationaal Archief
vindplaatsen en beschrijvingen verzameld door het Nationaal Archief

11.

familie/gezin

huwelijk/samenlevingsvorm
gehuwd te 's-Hertogenbosch, 2 augustus 1923

echtgeno(o)t(e)/partner
H.F.M.H. Spierings, Henrica Fernandina Maria Hubertina

kinderen
5 zoons en 5 dochters

vader
H.F. van Maarseveen, Hendricus Franciscus

geboorteplaats en/of -datum
Utrecht, 9 september 1862

moeder
M.J.Th. Sandmann, Maria Johanna Theodora

geboorteplaats en/of -datum
Utrecht, 1 november 1868

                                                                                                                                                                         

 

Inhoud

  • Contact
  • Home