Nederlandse Grondwet:
De Negenmannen van 1844
De Negenmannen van 1844 - Hoofdinhoud
Op 10 december 1844 dienden negen leden (de "Negenmannen") van de Tweede Kamer een voorstel in tot wijziging van de Grondwet om onder meer rechtstreekse verkiezingen in te voeren.
Dit initiatiefwetsvoorstel behelsden
| 1. |
invoering van de staatkundige ministeriële verantwoordelijkheid |
| 2. |
invoering van rechtstreekse verkiezing van de Tweede Kamer |
| 3. |
het verlenen aan de koning van het recht om de Tweede Kamer uit te breiden |
| 4. |
hervorming van de Eerste Kamer |
| 5. |
herziening van de bepalingen over onderwijs en godsdienst om volledige vrijheid van godsdienst te garanderen |
Het voorstel werd ingediend door de Kamerleden
Reden voor het initiatief was het uitblijven van een aankondiging in de troonrede van een regeringsvoorstel tot herziening van de Grondwet. De Kamer drong daarna in het Adres van Antwoord tevergeefs aan op zo'n voorstel. Thorbecke was in juli 1844 door Zuid-Holland in een tussentijdse vacature tot Tweede Kamerlid gekozen en kwam toen met acht anderen met een voorstel.
De Tweede Kamer besloot op 31 mei 1845 met 34 tegen 21 stemmen het voorstel, dat bestreden was door minister De Jonge van Campensnieuwland van Justitie, niet verder in behandeling te nemen. De conservatieve Kamermeerderheid en de regering hadden zowel inhoudelijke als procedurele bezwaren. Zij vonden dat het initiatief tot herziening van de Grondwet van de koning moest uitgaan. Verder meenden zij dat er geen enkele noodzaak voor de herziening was.
Behalve de negen indieners stemden vóór de leden De Backer, Boreel van Hogelanden, Bruce, Corneli, Duymaer van Twist, Van Goltstein, Van Heloma, De Monchy, Nedermeyer van Rosenthal, Van Panhuys, Schooneveld en Strens.
In juli 1845 werd Thorbecke niet herkozen.
