Nederlandse Grondwet:
Vierde Afdeeling. Van de Vrijwaaring der Leden van het Vertegenwoordigend Lichaam.
De Leden van het Vertegenwoordigend Lichaam kunnen nimmer agterhaald, beschuldigd, of geöordeeld worden, over hetgeen zij, in de uitoefening van hunnen Post, gezegd of geschreven hebben.
Zij kunnen, geduurende hunne Zitting in de Vertegenwoordigende Vergadering, niet in verzekering genomen, beschuldigd, of te regt gesteld worden, dan overeenkomstig de form, bij de volgende Artikelen bepaald.
Wegens lijfstraflijke misdaaden op de daad agterhaald, kunnen zij in verzekering worden genomen. Doch word daarvan, onverwijld, kennis gegeven aan het Vertegenwoordigend Lichaam.
Zo de Eerste Kamer, na daarover in de gewoone form geraadpleegd te hebben, niet bij de meerderheid van twee derden der tegenwoordig zijnde Leden, verklaart, dat 'er redenen tot beschuldiging zijn, word de, in verzekering genomen, Persoon in vrijheid gesteld, en herneemt zijnen post.
Zo de Eerste Kamer verklaart, dat 'er redenen van beschuldiging zijn, word dat besluit verzonden aan de Tweede Kamer, en, zoo deze, na de derde Lezing dit Besluit niet bekragtigt, word de in verzekering genomene in vrijheid gesteld, en herneemt zijnen post.
Zo, in tegendeel, de Tweede Kamer het Besluit bekragtigt, word de beschuldigde voor een Hoog-Nationaal Geregtshof te regt gesteld.
Elke Kamer, alvoorens te raadpleegen, ontbied den beschuldigden vňňr zig, en geeft hem het woord ter zijner verdediging.
Buiten het geval, van op de daad agterhaald te zijn, kan de teregtstelling van een Lid van het Vertegenwoordigend Lichaam niet worden gevorderd, dan op eene aanklagt, gedaan aan de Eerste Kamer en geteekend ten minsten door drie Burgers, met overlegging van schriftlijk bewijs hunner Stembevoegdheid.
De Eerste Kamer kan terstond, en zonder eenigzins in de zaak te treden, bij meerderheid van stemmen, verklaaren, dat er geene reden is, om over de aanklagt te raadplegen.
Indien de meerderheid oordeelt, dat de aanklagt nader onderzoek vereischt, raadpleegt de Eerste Kamer, en des noods de Tweede Kamer, over de aanklagt, met in achtneming der gewoone drie Lezingen, en na den beklaagden gelegenheid gegeven te hebben ter zijner verdediging.
Indien het Vertegenwoordigend Lichaam verklaart dat 'er reden tot beschuldiging is, word de beschuldigde te regt gesteld voor een Hoog Nationaal Geregtshof. Zo de beschuldigde door dat Hof word vrijgesproken, herneemt dezelve zijne Zitting.
Alle Raadpleegingen, in beide de Kamers, over aanklagt of beschuldiging tegen een Lid van het Vertegenwoordigend Lichaam, geschieden in een Generaal Committé, en word het besluit bij geheime stemming opgemaakt.
