27 november 2015, column J.Th.J. van den Berg

Alsof de Tweede Kamer dezer dagen niets beters heeft te doen, heeft zij zich gestort op een lek(je) in de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (als het er een is) met een procedure die, à la Gabriel Garcia Marqués’ “Kroniek van een aangekondigde dood” kan leiden tot strafrechtelijk oordeel over een of meer van haar leden. Dit, voornamelijk dankzij een opeenstapeling van blunders.

Blunder 1: de minister van BZK, Plasterk, beweert eind oktober 2013 voor de TV dat de Amerikaanse inlichtingendienst NSA 1,8 miljoen Nederlandse belgegevens heeft verzameld. Al spoedig, hooguit na een maand, blijkt dat onzin. In bovengenoemde CIVD (bijnaam: ‘commissie stiekem’), waarvan alleen fractievoorzitters deel uitmaken, deelt de minister van Defensie, Hennis-Plasschaert op 12 december mee dat het om gegevens gaat die de eigen inlichtingendiensten hebben verzameld, maar die met de NSA zijn gedeeld.

Niemand die aan de erbij aanwezige minister van BZK vraagt, of hij dat in het openbaar wil herhalen, zodat de ministeriële onzin voor de TV kan worden ontkracht. Dat is dus blunder 2.

Pas als op rechterlijk bevel de minister zijn fout op 4 februari 2014 openbaar maakt, doen de fractievoorzitters – althans sommigen hunner – alsof zij dit voor het eerst horen. Onder aanvoering van D66-leider Pechtold dienen zij een motie van wantrouwen in tegen de minister, maanden lang informatie heeft ‘achtergehouden’. Pechtold en de zijnen weten wel beter. Dat blijkt ook uit de woede over de motie bij de fractievoorzitters van de PvdA en de VVD. Pechtolds motie is op zijn best blunder 3, tenzij hij wist wat hij deed en dan is het heel wat erger dan een blunder.

Dan verschijnt er over de zaak een bericht in NRC Handelsblad, waaruit duidelijk wordt dat de redacteur goed op de hoogte is van wat zich in de ‘commissie stiekem’ in deze kwestie heeft afgespeeld. Let wel, er worden geen staatsgeheimen geopenbaard; het gaat alleen om de fout van de minister van BZK en het erkennen daarvan door de mond van zijn collega van Defensie. Duidelijk is tevens dat de NRC-redacteur uit diverse bronnen heeft geput (ook uit de oppositie) en met intelligent puzzelwerk de feiten heeft achterhaald.

Dat het feiten zijn blijkt uit de onthutste reactie van de commissie zelf die besluit dat er aangifte wegens schending van geheimhouding moet worden gedaan. Dat is blunder 4. Als het om deze commissie gaat, kan er alleen zijn gelekt door een of meer Kamerleden. Dan is dus duidelijk dat het OM niet bevoegd is. Een ambtsmisdrijf van minister of Kamerlid kan slechts worden vervolgd met behulp van een Koninklijk Besluit of een besluit van de Tweede Kamer zelf. Zo bepaalt dat de Wet ministeriële verantwoordelijkheid (Wet MV) van 1855 1).

Dat had het college van procureurs-generaal per kerende post aan de Tweede Kamer kunnen laten weten, maar nee, eerst na achttien maanden (sic!) komt het college erachter dat het OM niet bevoegd is en stuurt het zaakje terug naar de Tweede Kamer. Dat is dus blunder 5.

De zaak wordt nu in het presidium van de Tweede Kamer besproken. Dat weet niet beter te doen dan te concluderen dat nu de Wet MV van toepassing is. Zij maakt echter één ernstige fout: de wet schrijft voor dat van de aanklacht aan de ‘betrokkene’ (in het strafrecht: verdachte) kennis dient te worden gegeven 2). Om onverklaarbare redenen – blunder 6 - acht het presidium dat vereiste niet van toepassing. Het probeert niet eens de aangifte te doen intrekken. Het gaat aanstonds over - blunder 7 - tot de instelling van een commissie van onderzoek uit de Tweede Kamer. Deze beschikt krachtens deze wet over ‘enquêtebevoegdheid’ (met verplichte verschijning van getuigen en verklaringen onder ede), die de aanklacht dient te onderzoeken 3). Zonder verdachte.

Er is een goede kans dat er geen specifieke verdachte is; sterker nog, dat er niet als zodanig sprake is geweest van schending van geheimhouding; dat er dus geen ambtsmisdrijf is. Ooit van journalistieke competentie gehoord?

De commissie staat voor een onmogelijke opdracht. Ofwel zij komt tot de conclusie dat er een aantal fractievoorzitters is geweest dat fragmentjes van informatie heeft verschaft. In dat geval kan de zaak misschien naar de procureur-generaal bij de Hoge Raad, die verplicht is vervolging in te stellen 4). De afgang van dit ‘aantal voorzitters’ is, nog voor de Hoge Raad kan oordelen compleet. Ofwel, de commissie kan geen harde feiten vinden en komt dus terug met de conclusie dat er geen voldoende reden voor vervolging is. Dat zal allicht worden geïnterpreteerd als een vorm van in de doofpot stoppen.

De commissie doet er het beste aan spoedig te erkennen dat er tussen ambtsmisdrijf en journalistieke behendigheid een hele wereld van nuances ligt. Als zij niettemin overijverig doorzet, zorgt zij voor blunder 8. Met een reeks ‘aangekondigde doden’.


  • 1) 
    Wet ministeriële verantwoordelijkheid (Wet MV), art. 5 en 6 (vervolging krachtens KB); art. 7 – 13 (vervolging door de Tweede Kamer. De betrokken ambtsmisdrijven staan vermeld in art. 355 en 356 Wetboek van Strafrecht.
  • 2) 
    Wet MV, art. 8. Betrokkene dient door de commissie te worden gehoord; later nogmaals door de Tweede Kamer (Wet MV, art.14). Betrokkene is niet verplicht te verschijnen (Wet MV, art. 12). Maar, dan moet er wel een ‘betrokkene’ zijn…
  • 3) 
    Wet MV, art. 9 en (enquêtebevoegdheid) art. 11. De commissie moet trouwens benen maken, want de Wet MV schrijft voor (in art. 16) dat het hele onderzoek binnen drie maanden tot een besluit moet leiden. Daar kan het OM nog wat van leren.
  • 4) 
    Het zog. opportuniteitsbeginsel geldt in dit geval niet, zo zegt het Wetboek van strafvordering , art 483, lid 3.

                                                                                                                                                                         

 
 
  • Contact
  • Home