Verslag - Verandering in de Grondwet van bepalingen inzake de verdediging

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Tekst

Nr. 6

1 Samenstelling: Leden: Haas-Berger (PvdA), Stoffelen (PvdA), Van der Sanden (CDA), Kosto (PvdA), Aarts (CDA), K. G. de Vries (PvdA), De Kwaadsteniet (CDA), voorzitter, Rienks (PvdA), Hermes (CDA), Mateman (CDA), Van der Burg (CDA), Dales (PvdA), Korthals (VVD), Wiebenga (VVD), Franssen (VVD) Plv. leden: Leerling (RPF), Meijer (PvdA), Wallage (PvdA), Beinema (CDA), Müller-van Ast (PvdA), Stemerdink (PvdA), Frinking (CDA), Wöltgens (PvdA), Gualthérie van Weezel (CDA), De Visser (PvdA), Van Muiden (CDA), Tommei (D'66), Eversdijk (CDA), Hennekam (CDA), Van Es (PSP), Schutte (GPV), Dijkstal (VVD).

VERSLAG Vastgesteld 30 september 1986

De bijzondere commissie voor grondwetsherziening ontving uit één fractie, te weten die van de P.v.d.A., naar aanleiding van dit voorstel vragen en opmerkingen om aan de Regering te worden toegezonden. Met de beantwoording daarvan zal, naar de mening van de commissie, de openbare behandeling voldoende zijn voorbereid. De leden van de P.v.d.A. fractie hadden er behoefte aan ook in tweede lezing met de Regering van gedachten te wisselen over de bepalingen in de Grondwet inzake de verdediging. Zoals bekend, hadden de leden van die fractie in eerste lezing na verwerping van een hunnerzijds ingediend amendement (stuk 19017, nr. 8) tegen het voorstel gestemd. De huidige Grondwet bepaalt dat vreemde troepen niet dan krachtens een wet in dienst kunnen worden genomen. Deze bepaling is inderdaad in zekere zin verouderd, maar bij de eerste lezing achtte de P.v.d.A. fractie het essentieel dat de Grondwet terzake van vreemde troepen in ons land toch een bepaling blijft bevatten. De kern daarvan zou moeten zijn dat de Nederlandse Regering nooit afstand kan en mag doen van haar zeggenschap over het verblijf van vreemde troepen in ons land en over de voorwaarden waaraan hun verblijf onderhevig is. Volgens de moderne praktijk worden vreemde troepen bij of krachtens verdrag in ons land gestationeerd. Met name wanneer zo'n verdrag voor lange tijd zou worden aangegaan, kan een situatie ontstaan waarbij tegen de wil van de Nederlandse regering en het Nederlandse parlement vreemde troepen in ons land verblijven. Kan de Regering zich een zodanige situatie in theorie voorstellen en -zo ja -hoe moet de Nederlandse regering dan handelen? Ook is denkbaar dat het stationerende land gedurende de looptijd van een verdrag de stationering wil beëindigen. Dit zou dan niet kunnen als het land waar gestationeerd is -in casu Nederland -tegen terugtrekking zou zijn. Kan Nederland in die situatie naar de mening van de Regering inderdaad gedurende lange tijd de presentie van vreemde troepen afdwingen? De leden van de P.v.d.A. fractie waren van mening dat stationering van vreemde troepen in ons land slechts zou mogen worden gecontinueerd zolang beide partijen daarmee blijven instemmen. Als één der partijen de overeenkomst niet langer in haar belang zou achten, zou zij deze moeten kunnen beëindigen. Daarbij zouden, wat Nederland betreft, bij eenzijdige

opzegging de terzake relevante voorschriften van de Grondwet moeten worden nageleefd. De leden van de P.v.d.A-fractie hadden nagegaan of in de staatkundige geschiedenis precedenten te vinden waren die licht kunnen werpen op deze kwestie. Zij meenden dat de gedachtenwisseling tussen Regering en parlement in verband met de stationering van Amerikaanse troepen in Soesterberg terzake kon dienen. De overeenkomst inzake de legering in Soesterberg van Amerikaanse troepen (TRB. 1954, nr. 120) bepaalt in artikel 6 dat het verdrag van kracht blijft gedurende de looptijd van het Noord-Atlantisch Verdrag of tot het moment waarop beide partijen wederzijds met beëindigen van het verdrag zouden instemmen. In het voorlopig verslag (stuk 3714, blz. 3) werd de Regering in verband daarmee de volgende vraag voorgelegd: «Het was de hier aan het woord zijnde leden opgevallen, dat dit verdrag geen eenzijdige opzegging kent. Dit betekent, dat het zeer eenzijdig ten voordele van Amerika is opgesteld, daar het verdrag door deze Staat, zolang het NATO-Verdrag duurt, gehandhaafd kan blijven. Het verdrag behoeft voor Amerika geen enkele consequentie te hebben, want stuurt het geen troepen, dan gebeurt er niets. Wanneer echter van Nederlandse zijde de wens zou opkomen deze troepen niet langer toe te laten, dan zit ons land toch, waar het verdrag slechts met beider instemming opgezegd kan worden, aan de bepalingen van het verdrag vast.». Daarop antwoordde de Regering (memorie van antwoord, blz. 3): «Ten sterkste moet worden ontkend, dat deze overeenkomst tot gevolg zou hebben, dat Amerikaanse troepen tegen de wil van de Nederlandse Regering op ons grondgebied zouden kunnen verblijven. Zou de Regering, om welke reden dan ook, het te zijner tijd noodzakelijk achten, dat een bepaalde stationering niet wordt voortgezet, dan zal de Amerikaanse regering deze troepen uit ons land dienen terug te trekken. De bedoeling van deze overeenkomst is slechts, dat, indien in NATO-verband Amerikaanse troepen in ons land worden gelegerd, dit slechts met inachtneming van de onderhavige bepalingen zal geschieden.».

De leden van de P.v.d.A-fractie zouden gaarne vernemen of de Regering met het door het toenmalige kabinet gegeven antwoord instemt.

De voorzitter van de bijzondere commissie, De Kwaadsteniet De griffier van de bijzondere commissie, De Beaufort

 
 
 

2.

Meer informatie