Tweede nota van wijziging - Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de grondwet van bepalingen over onderwijs

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Tekst

Nr. 15

' Het regeerakkoord luidt ter zake: Het bij de Tweede Kamer aanhangige voorstel van wet (nr. 19032) wordt als volgt gewijzigd Artikel 23, vijfde lid zal komen te luiden: 5. De eisen van deugdelijkheid aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet of bij vanwege het Rijk gegeven algemeen bindende voorschriften krachtens de wet vastgesteld, met inachtnemng, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting. In de daartoe in te zenden Nota van wijziging zal in de toelichting een passage worden opgenomen dat in voorstellen van wet in formele zin zal worden aangegeven welke onderwerpen door de Kroon of minister ter uitvoering aan de gedecentraliseerde besturen kunnen worden opgedragen.

TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING Ontvangen 30 juni 1988

In artikel II wordt de volgende wijziging aangebracht: In onderdeel A komt het vijfde lid te luiden: 5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet of bij vanwege het Rijk gegeven algemeen verbindende voorschriften krachtens de wet vastgesteld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.

Toelichting De voorgestelde aanpassing strekt ertoe het bij de Tweede Kamer aanhangige wetsvoorstel zodanig te wijzigen dat delegatie van regelgeving voor wat betreft de eisen van deugdelijkheid aan organen van decentrale overheden is uitgesloten, zowel voor het openbaar als het bijzonder onderwijs. Beoogd wordt op het terrein van de deugdelijkheidseisen vast te leggen wat in de wetgevingstraditie, mede ten aanzien van het openbaar onderwijs, gestalte heeft gekregen. Met deze wijziging wordt gevolg gegeven aan het regeerakkoord.1 Blijkens de wetgevingstraditie heeft de onderwijswetgever de Grondwet aldus verstaan dat regeling van de deugdelijkheidseisen en van gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs een taak is van de centrale overheid. Ingevolge het zesde respectievelijk zevende lid van het huidige artikel 23 dient de deugdelijkheid van openbaar en bijzonder algemeen vormend lager onderwijs even afdoende te worden gewaarborgd, respectievelijk de bekostiging naar dezelfde maatstaf te geschieden. De wetgever heeft ook ten aanzien van ander dan algemeen vormend lager onderwijs aan deze uitgangspunten van de Grondwet toepassing gegeven. Dat wil zeggen dat thans voor openbaar en bijzonder onderwijs gelijkwaardige deugdelijkheidseisen en maatstaven voor bekostiging gelden. Deze wetgevingstraditie heeft gestalte gekregen met het oog op de grote waarde die werd en wordt gehecht aan de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid voor openbaar en bijzonder onderwijs op het terrein van deugdelijkheidseisen en bekostigingsvoorwaarden. Ter waarborging van deze belangen, is regeling van de eisen van deugdelijkheid door de centrale overheid aangewezen. Dit niet alleen voor het bijzonder

onderwijs, zoals het aanhangige wetsvoorstel reeds aangeeft, maar ook voor het openbaar onderwijs. Aangezien de huidige tekst van artikel 23 van de Grondwet onvoldoende zekerheid biedt dat genoemde belangen daadwerkelijk gewaarborgd blijven, wordt voorgesteld de formulering van het onderwijsartikel in aangegeven zin aan te passen. Daarbij wordt, zoals in eerdere stukken bij het wetsvoorstel is vermeld, aangesloten bij de grondwettelijke delegatieterminologie welke is vastgesteld bij de algehele grondwetsherziening in 1983. Er zij op gewezen dat het geven van uitvoeringstaken aan organen van decentrale overheden niet valt onder het verbod van delegatie, dat slechts betrekking heeft op regelgeving. Met betrekking tot het tweede element uit het regeerakkoord merken wij het volgende op. Artikel 124, tweede lid, Grondwet bepaalt dat regeling en bestuur van de besturen van provincies en gemeenten kunnen worden gevorderd bij of krachtens de wet. Aldus dienen de taken die door de Kroon of minister aan deze gedecentraliseerde besturen worden opgedragen, te berusten op wetgeving in formele zin. Een voorbeeld hiervan vormt artikel 3 van het Huisvestingsbesluit WBO (Stb. 1986, 94). De wettelijke grondslag van deze bepaling is gelegen in artikel 65 in verband met artikel 91 van de Wet op het basisonderwijs. Artikel 65 bevat de opdracht aan de gemeenteraad jaarlijks een overzicht vast te stellen van voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen in de huisvesting. Ingevolge artikel 91 worden bij algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften vastgesteld voor de uitvoering hiervan. Deze nadere voorschriften aan de gemeenteraad worden gegeven in artikel 3 van het Huisvestingsbesluit WBO.

De minister-president. Minister van Algemene Zaken, R. F. M. Lubbers De Minister van Binnenlandse Zaken, C. P. van Dijk

De Minister van Onderwijs en Wetenschappen, W. J. Deetman

 
 
 

2.

Meer informatie