Vrijheid ván godsdienst of vrijheid van gódsdienst?

maandag 28 augustus 2023, column van Prof.Mr. Aalt Willem Heringa i

Vrijheid ván Godsdienst of Vrijheid van Gódsdienst? Dat is toch hetzelfde denkt u nu? Niet helemaal. Het hangt ervan af waar de klemtoon ligt. De eerste lezing is om gevrijwaard te blijven in de publieke sfeer van godsdienstige (of althans al te opdringerige godsdienstige) uitingen; de tweede lezing is de vrijheid om vrij te zijn en overal, dus ook in de publieke ruimte of in elke functie-uitoefening, de eigen godsdienst te mogen beleven.

Er zijn bij deze ogenschijnlijk eenvoudige kwestie een paar problemen. Eentje is dat aanhangers van een godsdienst vaak vinden dat hun geloof de ware is, dat deze niet mag worden bekritiseerd of geridiculiseerd, en/of dat ook anderen naar hun waarheid zouden moeten leven. Daarmee is de eerste vorm van vrijheid van godsdienst als het ware tegenstrijdig aan de tweede. De toelating tot de publieke sfeer betekent druk op de vrijheid van anderen. En ook druk op de vrijheden van anderen om zich vrijelijk over godsdiensten uit te laten. Een geprivilegieerde positie van een godsdienst kan eenvoudig leiden tot inperking van vrijheden van anderen. Zo leidt het inroepen van de vrijheid van godsdienst al snel tot het beperken van gedragingen van andere godsdienstigen of niet-gelovigen of gelovigen die een minder strenge versie van het geloof aanhangen of een andere overtuiging zijn toegedaan.

Juist daarin ligt de redengeving om godsdienstvrijheid (keuze van wat men gelooft en hoe men dat zelf belijdt) te accepteren maar niet toe te laten als het al te opdringerig is in de publieke sfeer. Juist het perspectief van geloven en gelovigen dat die de waarheid in pacht hebben maakt dat ze kunnen leiden tot intolerantie tegenover anderen. Tegen de vrijheid van anderen om te huwen, ook als mensen van hetzelfde geslacht, of tegen de vrijheid van transgenders, of tegen de vrijheid van meningsuiting van derden, of voor de eigen manifestatie tijdens de uitoefening van publieke ambten door middel van kenbare attributen, zoals een hoofddoekje, keppeltje of sieraad met een kruis.

Kortom, het leven in een vrije samenleving waarin men vrijelijk de eigen godsdienst of levensovertuiging mag hebben en belijden, brengt met zich mee dat ook aan anderen vrijheden toekomen en dat het niet voor de hand ligt die vrijheden te beperken omdat gedrag of uitingen niet aanstaan. Ben ik dan voor het verbranden van heilige boeken? Nee, net zo min als voor vlagverbrandingen of verbrandingen van andere boeken of kranten. Dat soort activiteiten vind ik weinig kies, maar verbieden gaat mij te ver en leidt tot een slippery slope. Verbranden mag niet, cartoons dan mogelijk ook niet, en dan volgt kritiek op een geloof, of het door een niet-gelovige citeren uit een heilig schrift. Dat is geen islamofobie, want ook christenen voelen zich in hun geloof aangetast als er gevloekt wordt of destijds door Gerard Reve in wat aanleiding gaf tot het Ezelsproces.

Er wordt dan wel gezegd dat de vrijheid van godsdienst (de tweede interpretatie) moet leiden tot de vrijheid van aanhangers van een godsdienst om deze ook publiekelijk te uiten in publieke settings. En hoezeer ik die eerste vrijheid ook respecteer, met de tweede interpretatie kom ik in de problemen, omdat die evenzovele beperkingen inhoudt op de vrijheden van andere godsdienstigen, niet-gelovigen, andersdenkenden. En als de staat gezien wordt als facilitator van de één of de ander, door godsdienst toe te laten in het publieke domein en vooral bij overheidsdienaren, ontstaat er een probleem van gelijkheid of zelfs van legitimatie van die overheid.

Een overheid is niet een legitieme overheid alleen omdat en wanneer we zien dat alle geloven achter het loket zitten, of politieagent zijn, of rechter. Als de staat niet als legitiem of van ‘ons’ wordt gezien omdat deze een neutrale uitstraling heeft, is er een probleem. De staat is toch niet legitiem alleen omdat haar vertegenwoordigers zichtbaar (alle?) godsdiensten vertegenwoordigen? Want wat doen we dan met andere levensovertuigingen? Moeten we dan niet ook diversiteit zo uitleggen dat de overheidsorganisatie zichtbaar en kenbaar zichtbare aanhangers van godsdiensten opneemt?

Het begrip publieke sfeer is in deze context wel diffuus: voor overheidsambten lijkt mij dat we van de staat neutraliteit in gedrag en zichtbaarheid kunnen en moeten verlangen; in de publieke ruimte ligt dat, gelet op de een ieder toekomende vrijheid van beweging, overtuiging, gedrag en voorkeuren voor de hand te accepteren dat voorkeuren voor kleding en dergelijke geaccepteerd worden, wat mij betreft met de grens van zichtbaarheid van het gezicht. Het is niet zo gek dat bivakmutsen en integraalhelmen anderen een unheimisch gevoel geven. Gezichtsbedekking verhindert communicatie en wie daar voor kiest, wijst anderen af en wijst daarmee een fundamenteel aspect van een liberale democratie af. En de publieke ruimte is niet voor niets een openbare ruimte. Mijn criterium is een grens tegen opdringerigheid van welk geloof dan ook, en voor neutraliteit van de staat.

Er wordt wel tegengeworpen dat men ook als politieagent, ambtenaar, griffier of rechter met religieuze kleding wel degelijk neutraal kan zijn. Bovendien maakt dat zichtbaar dat het goed is dat de overheid alle gelovigen en andersdenkenden een plaats biedt. Laten we daar echter het onderscheid in de gaten houden tussen twee vormen van neutraliteit, of onpartijdigheid of afwezigheid van vooringenomenheid of partijdigheid. De objectieve en de subjectieve. De laatste zit in iemands hoofd en kan worden verondersteld tenzij het tegendeel blijkt. Maar de eerste blijkt uit uiterlijkheden en zichtbaar gedrag: daarbij veronderstellen we dat geen blijk wordt gegeven in woord of uiterlijkheden van opvattingen of geloof of vooringenomenheid. En beide soorten neutraliteit zijn van belang en maken dat we als burgers vertrouwen kunnen hebben.

Van een overheid verwachten we niet dat deze godsdienstige uitingen in de publieke uitoefening van de taak faciliteert. Vooral in het licht van toenemende pluriformiteit en verschillen en eigen identiteiten. En tegen een identiteitspolitiek, religieus geïnspireerd, die claimt dat de staat in haar verschijningsvormen en politiek zichtbaar religieuze identiteiten moet vertegenwoordigen. Het tegengaan van godsdienstige of andere levensbeschouwelijke symbolen is geen discriminatie maar een legitiem overheidsbelang.

Dit is geen pleidooi voor discriminatie op grond van godsdienst, maar wel tegen opzichtige godsdienstige symbolen in rechterlijke macht, politie en zichtbare openbare dienst en tegen het faciliteren van welke godsdienstige activiteit dan ook in openbaar onderwijs. Ook in het openbaar onderwijs is cruciaal dat alle ’gezindten’ en overtuigingen elkaar ontmoeten zonder afzondering en zonder (impliciete) druk op wie dan ook over het uitoefenen van godsdienstige verplichtingen of rituelen.

 

Prof. Mr. Aalt Willem Heringa is emeritus hoogleraar vergelijkend constitutioneel en administratief recht aan de Universiteit van Maastricht.