Referendum

Een referendum is een volksstemming over een bepaalde politieke kwestie. Over referenda wordt in Nederland al decennia lang gediscussieerd. Voorstanders vinden deze volksstemmingen een goede manier om burgers meer invloed te geven. Referenda zullen er volgens hen voor zorgen dat kiezers actiever deelnemen aan het publieke debat. Tegenstanders zeggen dat referenda niet passen binnen de representatieve democratie: zij vinden dat volksvertegenwoordigers zijn gekozen om zorgvuldige belangenafwegingen te maken.

Sinds 1 juli 2015 is het in Nederland mogelijk een raadgevend referendum aan te vragen voor bepaalde wetsvoorstellen en verdragen. Het referendum over de associatie-overeenkomst EU-Oekraïne is tot nog toe het enige referendum dat op grond van deze wet is gehouden. Het Kabinet-Rutte III is van plan een wet in te dienen waarmee het raadgevend referendum weer van de baan is.

Een bindend referendum is vooralsnog niet mogelijk omdat daarvoor de Grondwet gewijzigd moet worden. PvdA, D66 en GroenLinks namen in 2005 het initiatief voor een voorstel in eerste lezing voor een correctief referendum, dat in 2014 werd afgerond. Het SP-Kamerlid Van Raak diende het voorstel in tweede lezing in, maar dat werd op 23 november 2017 door de Tweede Kamer verworpen.

1.

Soorten referenda

Er zijn vele soorten referenda die elk hun voor- en nadelen hebben. Zo kan het initiatief van een referendum bij de burgers of de overheid liggen. Referenda kunnen gaan over het terugdraaien van een overheidsbeslissing of over een initiatief van de burgers. Ook kan de uitslag van een referendum bindend of niet-bindend zijn.

2.

Voordelen referenda

Volgens voorstanders zijn referenda een aanvulling op de representatieve democratie dat de binding tussen de kiezer en de partijen vergroot. Ook zorgt het voor draagvlak voor politieke beslissingen.

Een referendum kan er bovendien voor zorgen dat de kiezer actief deelneemt aan het publieke debat over zaken van gemeenschappelijk belang. Doordat ze zelf een oordeel mogen vellen over dergelijke zaken worden burgers gestimuleerd om een mening te vormen en deel te nemen aan de discussie. Het huidige stelsel stimuleert burgers volgens de voorstanders van referenda slechts eens in de vier jaar om hierover na te denken. Zij wijzen in deze discussie bijvoorbeeld op het publieke debat dat ontstond bij het referendum over de Europese Grondwet in 2005 en bij het referendum over de associatie-overeenkomst EU-Oekraïne. Over beide onderwerpen ontstonden brede maatschappelijke discussies.

3.

Bezwaren tegen referenda

Er zijn ook bezwaren tegen referenda te noemen. Het belangrijkste bezwaar is dat het niet zou passen binnen het representatieve stelsel zoals we dat nu kennen in Nederland. In zo'n stelsel stelt de kiezer volksvertegenwoordigers aan die geacht worden een zorgvuldige belangenafweging te maken bij het opstellen van een wetsvoorstel. Daarbij raadplegen zij onder andere diverse maatschappelijke groeperingen, bedrijven en andere betrokkenen. Zo'n belangenafweging is een andere dan de afweging die een individuele kiezer uit eigenbelang maakt.

Ook zouden referenda de samenhang tussen verschillende wetsvoorstellen in gevaar kunnen brengen. Verder zouden burgers ook de tijd en de middelen niet hebben om alle facetten van een wetsvoorstel te beoordelen, waardoor ze minder goed in staat zouden zijn om afgewogen oordeel te vellen.

Met een ja/nee- of voor/tegen-vraagstelling dreigt bovendien een simplificatie van het wetsvoorstel te ontstaan die geen recht doet aan de materie. Daarnaast is het volgens tegenstanders van referenda zo dat nee-stemmers vaak gemotiveerder zijn dan ja-stemmers. Hierdoor zou een gepassioneerde minderheid zijn wil kunnen opleggen aan een zwijgende meerderheid.

Tot slot zien tegenstanders nog een bezwaar dat specifiek betrekking heeft op correctieve referenda. Die zouden namelijk vertragend werken, zonder dat er een alternatief geboden wordt wanneer een meerderheid zich tegen een voorstel uitspreekt. Daarnaast zegt een dergelijke uitspraak niets over de motivatie van tegenstemmers en bovendien hoeft niet elke nee-stemmer dezelfde motivatie te hebben. Zo kan een wet bijvoorbeeld voor de ene tegenstander niet ver genoeg gaan en voor anderen misschien juist wel te ver.

4.

Gerealiseerde initiatieven

  • Raadgevend referendum

    Sinds 1 juli 2015 maakt de Wet raadgevend referendum (Wrr) het voor Nederlandse burgers mogelijk om een raadgevend referendum aan te vragen over wetten die zijn aangenomen. Dit betreft tevens wetten ter goedkeuring van verdragen. Als uiteindelijk ten minste 300.000 kiesgerechtigden een geldig verzoek hebben ingediend, wordt een raadgevend referendum uitgeschreven. Het kabinet-Rutte III wil de wet echter intrekken, omdat het niet aan de verwachtingen zou voldoen. Hiermee zou een einde komen aan het raadgevend referendum in Nederland.

  • Referendum Europese Grondwet

    Een meerderheid van de Nederlandse kiezers (ruim 61 procent) stemde op 1 juni 2005 tegen de Europese Grondwet bij het eerste nationale referendum ooit in ons land. Drie dagen daarvoor hadden de Fransen dat ook al gedaan.

5.

Burgemeestersreferendum

Gemeenten kunnen referenda houden, als zij een referendumverordening opstellen. Zo'n referendum mag niet bindend zijn. Grondslag daarvoor is artikel 121 van de Gemeentewet die gemeenten de mogelijkheid geeft om een verordening in te stellen zolang die niet tegen bestaande wetgeving ingaat. Ook provincies hebben de vrijheid om een referendumverordening in te stellen.

Tot 2009 konden gemeenten ook een raadplegend burgemeestersreferendum houden. Bij zo'n referendum werden twee vooraf door de raad geselecteerde kandidaten aan de inwoners voorgelegd, waarover zij hun voorkeur kunnen uitspreken.

6.

Initiatiefvoorstellen in behandeling

Initiatiefvoorstel correctief referendum

De Tweede Kamerleden Wijnand Duyvendak (GroenLinks) en Niesco Dubbelboer (PvdA) dienden in de zomer van 2005 een initiatiefwetsvoorstel in voor het invoeren van een correctief referendum. Het kwam op hoofdlijnen overeen met het in 1999 tijdens de Nacht van Wiegel gesneuvelde 'paarse' kabinetsvoorstel. Destijds werd niet de vereiste twee derde meerderheid in de Eerste Kamer gehaald voor de benodigde Grondwetswijziging. In november 2005 sloot Boris van der Ham (D66) zich als mede-indiener bij het voorstel aan.

Uiteindelijk brachten de Tweede Kamerleden Manon Fokke (PvdA), Linda Voortman (GroenLinks) en Gerard Schouw (D66) het voorstel in eerste lezing in 2014 tot een goed einde. Toen was het wachten op de ontbinding van de Tweede Kamer en nieuwe verkiezingen, waarna het voorstel in tweede lezing in behandeling zou kunnen worden genomen. Maar intussen had het referendum over de associatie-overeenkomst EU-Oekraïne plaatsgevonden.

De ervaringen daarmee waren van dien aard dat PvdA en GroenLinks niet meer achter hun initiatefvoorstel stonden. De partijen besloten het voorstel niet in tweede lezing in te dienen, waar D66 zich vervolgens bij aansloot. SP-Tweede Kamerlid Ronald van Raak pakte de handschoen op en nam op 23 mei 2017 het initiatief voor de tweede lezing, maar bij voorbaat stond vast dat daarvoor geen (twee derde) meerderheid zou zijn. Het voorstel strandde dan ook op 23 november 2017 toen het in de Tweede Kamer werd verworpen.

Initiatiefvoorstel raadplegend referendum over toetreding Turkije tot de EU

Het Tweede Kamerlid Geert Wilders (PVV) diende in september 2005 een initiatiefwetsvoorstel in voor het houden van een raadplegend, niet-bindend referendum over de toetreding van Turkije tot de Europese Unie. Een raadplegend referendum wordt op initiatief van de overheid gehouden. De uitslag van het referendum is niet-bindend. Het wetsvoorstel van Wilders is nog in behandeling bij de Tweede Kamer en leidt aldaar een sluimerend bestaan.

7.

Gesneuvelde initiatieven

Nacht van Wiegel

Op 18 mei 1999 kreeg een wetsvoorstel tot invoering van de mogelijkheid voor een correctief referendum in de Eerste Kamer niet de vereiste twee derde meerderheid. Daarop bood het kabinet een dag later zijn ontslag aan. Vooral D66 was zeer ontstemd en teleurgesteld over de verwerping, omdat die partij het referendum als één van haar 'kroonjuwelen' beschouwde.

8.

Tijdelijke regeling

Tijdelijke referendumwet (Trw)

Na de Nacht van Wiegel is wel een Tijdelijke referendumwet (Trw) tot stand gekomen. Deze wet maakte een raadgevend, niet-bindend correctief referendum mogelijk en gold van 1 januari 2002 tot 1 januari 2005. Een raadgevend referendum wordt op initiatief van burgers gehouden. Op basis van de Tijdelijke referendumwet hebben referenda plaatsgevonden in de gemeenten Voerendaal, Hilversum, Huizen en Zwolle.

Na het vervallen van de Trw kon in Nederland alleen nog op grond van andere regelingen, zoals een gemeentelijke referendumverordening, een referendum worden gehouden. In gemeenten zonder eigen referendumverordening kon dus geen referendum meer worden georganiseerd. Overigens bestond op gemeentelijk niveau wel de mogelijkheid van een adviserend burgemeestersreferendum.

9.

Nationale conventie

De Nationale Conventie (een staatscommissie) heeft in september 2006 aanbevolen om een correctief, bindend referendum over wetten mogelijk te maken. Volgens de Conventie leent niet elke wet zich voor een referendum; dit geldt bijvoorbeeld voor begrotingswetten. De Nationale Conventie vindt dat het initiatief voor een referendum bij de kiezers moet liggen.

Referenda moeten volgens de Conventie niet op initiatief van het bestuur of de wetgever georganiseerd worden. Dit voorkomt dat overheden referenda gebruiken voor politiek-strategische doeleinden. De Conventie is dus wel voorstander van een raadgevend, maar niet van een raadplegend referendum.

10.

Historische volksraadplegingen

Er zijn in het verleden enkele verkiezingen geweest die een element van volksraadpleging in zich hadden. In 1917 bijvoorbeeld stond de verkiezing van de Tweede Kamer geheel in het teken van de Grondwetsherziening. Die herziening moest tot invoering van het algemeen mannenkiesrecht en van de evenredige vertegenwoordiging leiden. Tevens zou er financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs komen.

Nederland had toen nog een districtenstelsel, waarbij in ieder district meerdere kandidaten om één zetel streden. Alle gevestigde politieke partijen spraken voor de verkiezingen af geen tegenkandidaten te zullen stellen ('laat zitten wat zit' was de leuze). Alleen tegenstanders van de Grondwetsherziening, zoals de oud-liberaal Sam van Houten, gingen de strijd aan. Die tegenstanders waren overigens kansloos.

Ook bij de verkiezingen van 1948 stond de Grondwetsherziening vrij centraal. Die herziening moest zelfstandigheid van Nederlands-Indië (Indonesië) mogelijk maken. Dat was overigens niet het enige issue en als afzonderlijke vraag kwam Indonesië niet aan de orde.

Bij de totstandkoming van de Grondwet in 1814, toen er nog geen parlement was, benoemde de koning 600 notabelen, die in een Grondwetgevende vergadering in Amsterdam over de ontwerp-tekst stemden.

Toen in 1815 de zuidelijke Nederlanden bij het koninkrijk werden gevoegd en de Grondwet werd herzien, werden in België ruim 1600 Grondwetsnotabelen gekozen, die in een aparte vergadering over het voorstel daartoe moesten beslissen. Hoewel van de 1323 aanwezigen er 796 tegen waren, beschouwde de koning het voorstel toch als aangenomen. De thuisblijvers werden bij de voorstanders geteld. De Belgen betitelden dat als 'Hollandse rekenkunde'.

Tijdens de Bataafse tijd (bijvoorbeeld in 1796, 1798 en 1801) werden de diverse ontwerp-Grondwetten (staatsregelingen) steeds aan de (mannelijke) bevolking voorgelegd. Soms moest wel eerst een eed worden afgelegd, waaruit de revolutionaire gezindheid van de kiezer moest blijken. Ook hierbij werden de thuisblijvers meestal als voorstemmers meegeteld.


Meer over

                                                                                                                                                                         

 

Inhoud

  • Contact
  • Home