Nederlandse Grondwet:
Vernieuwing kiesstelsel

Een stembiljet met daarop een rood potlood aan een ketting

Nederland heeft een kiesstelsel dat gebaseerd is op evenredige vertegenwoordiging. Dat betekent dat elke partij het aantal zetels in het parlement krijgt dat overeenkomt met het percentage stemmen. Zo'n systeem staat tegenover een districtenstelsel, waarbij aan een gebied (district) een of meer zetels zijn gekoppeld. Degene die in dat district de meerderheid behaalt krijgt de zetels van dat district. Ook een combinatie van een systeem van evenredige vertegenwoordiging en een districtenstelsel is mogelijk. Zo'n systeem hanteert Duitsland bijvoorbeeld.

Regelmatig staat het kiesstelsel ter discussie. Het huidige stelsel zou de vermeende kloof tussen politiek en burger vergroten. Een reden daarvoor zou zijn dat bij verkiezingen vooral de lijsttrekkers en in een enkel geval ook de nummers twee en drie van een kandidatenlijst in beeld zijn. De namen en gezichten van de andere vertegenwoordigers die uiteindelijk in de Tweede Kamer komen trekken minder landelijk media-aandacht - hoe druk zij ook vaak lokaal campagne voeren. Een paar pogingen die in het begin van de 21e eeuw zijn gedaan om het kiesstelsel te wijzigen zijn gestrand.

In januari 2017 stelde de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Plasterk de Staatscommissie parlementair stelsel in. Deze commissie moet onderzoeken of het huidige parlementair stelsel nog wel beantwoordt aan de eisen van de tijd. Daar hoort ook het kiesstelsel bij.

1.

Het Nederlandse kiesstel

Sinds de Grondwetsherziening van 1917 kent Nederland een kiesstelsel op basis van evenredige vertegenwoordiging. Dit betekent dat de uitgebrachte stemmen evenredig verdeeld worden over het aantal beschikbare zetels in een vertegenwoordigend lichaam, zoals de Tweede Kamer. Dit staat in tegenstelling tot een meerderheidsstelsel, waarbij elke zetel gekoppeld is aan een gebied en degene die de meeste stemmen haalt in een gebied de bijbehorende zetel(s) krijgt.

Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer, Provinciale Staten en gemeenteraad mag elke kiesgerechtigde Nederlander één stem uitbrengen op een kandidaat die op een lijst staat van een politieke partij. Alle stemmen op kandidaten van dezelfde partij worden vervolgens bij elkaar opgeteld en gedeeld door de kiesdeler (de hoeveelheid uitgebrachte stemmen gedeeld door het aantal beschikbare zetels). Het aantal zetels dat een partij krijgt is gelijk aan het aantal keren dat zij de kiesdeler volledig behalen, waarna de restzetels worden verdeeld volgens het systeem van grootste gemiddelden.

De zetels die een partij gekregen heeft worden vervolgens verdeeld in de volgorde van de door de partijen opgestelde kandidatenlijst. Kandidaten die echter meer dan 25% van de kiesdeler aan voorkeursstemmen hebben gekregen worden bovenaan geplaatst. Als er na de verkiezingen een zetel vrij komt in de Kamer (bijvoorbeeld omdat een pas verkozen Kamerlid plaats neemt in de regering) gaat deze naar de eerstvolgende persoon op de kandidatenlijst.

Alle Kamerleden zijn gelijkwaardig, ongeacht of ze 'op eigen kracht' (met voldoende voorkeursstemmen) hun zetel hebben verkregen of omdat ze hoog genoeg op de kandidatenlijst stonden. Partijen kunnen kandidaten staatsrechtelijk niet dwingen om van hun zetel af te zien. Het kan daarom voorkomen dat een Kamerlid de zetel behoudt en een eigen fractie begint als hij of zij zich niet meer met de standpunten van de fractie kan verenigen.

2.

Bezwaren huidige systeem

Het huidige kiesstelsel stimuleert niet dat de volksvertegenwoordigers een sterke band onderhouden met de (groepen) kiezers die hen gekozen hebben. Andersom stimuleert het ook geen directe betrokkenheid van de kiezer bij het door hen gekozen Kamerlid. Dat komt doordat in het huidige systeem de meeste Kamerleden hun zetel te danken hebben aan hun plaats op de kandidatenlijst van hun partij en niet aan het aantal stemmen op hen persoonlijk. De meeste kiezers stemmen namelijk op de lijsttrekker van een partij. Door het gebrek aan onderlinge betrokkenheid kan de afstand tussen burger en politiek groot lijken.

Behalve dat er geen persoonlijke band is tussen kiezer en gekozene zit er nog een nadeel aan het feit dat de meeste Kamerleden op de slippen van hun lijsttrekker in de Kamer komen. Als er een breuk ontstaat tussen een Kamerlid en zijn fractie is het voor een Kamerlid in het huidige systeem mogelijk om een eigen fractie te beginnen met een beroep op het feit dat hij of zij door de kiezer gekozen is. Voor een Kamerlid dat in de Kamer gekomen is vanwege de plaats op de kandidatenlijst valt dat echter te betwijfelen.

Een derde nadeel van de geringe persoonlijke band tussen kiezer en gekozene is daarnaast dat de kiezer ook nauwelijks invloed heeft op wie er namens een partij in de Kamer plaatsnemen. Ze zijn geheel afhankelijk van de lijstvolgorde van partijen. Dat kan twee kanten uitwerken. Enerzijds kan het zijn dat een kiezer wel met een partij sympathiseert, maar een of meer kandidaten die hoog op de lijst staan liever niet in de Kamer ziet. Andersom kan het ook zijn dat kiezers een kandidaat erg aansprekend vinden, maar de partij waarvoor hij of zij op de kandidatenlijst staat niet.

Waar kiezers in het huidige stelsel ook nauwelijks invloed op hebben is wie er na de verkiezingen uiteindelijk aan de macht komen. Een stelsel van evenredige vertegenwoordiging leidt er namelijk meestal toe dat geen enkele partij de absolute meerderheid zal halen. Dat betekent dat partijen na de verkiezingen een coalitie moeten gaan vormen die het land gaat regeren. De kiezer heeft echter geen invloed meer op wie uiteindelijk met elkaar gaan regeren. Evenmin heeft de kiezer invloed op de compromissen die partijen met elkaar sluiten om tot samenwerking te kunnen komen.

Ten slotte is het nu mogelijk dat partijen bij het kandideren van kandidaten meer rekening houden met partijbelangen dan met het belang van de kiezer. Zo zouden partijen nu personen die zich lang verdienstelijk hebben gemaakt voor de partij 'belonen' met een hoge plek op de kandidatenlijst.

3.

Voordelen huidige systeem

Het belangrijkste voordeel van ons huidige systeem van evenredige vertegenwoordiging is het feit dat politieke minderheden zich ook kunnen laten horen. Ook het feit dat Nederland een erg lage kiesdrempel heeft (slechts 0,67 %) draagt daartoe bij. Op die manier kan iedere politieke minderheid zich vertegenwoordigd voelen in het parlement en is er ook ruimte voor kleine partijen.

Die kleine partijen hebben echter niet alleen de functie van het vertegenwoordigen van hun achterban. Zij kunnen het zich ook veroorloven om een positie in te nemen die verder af staat van het politieke midden, zowel aan de rechter- als de linkerkant. Dergelijke partijen hebben daardoor een belangrijke functie in het stimuleren van het politieke debat. Zulke partijen hebben echter wel een podium nodig en het parlement is daar bij uitstek geschikt voor.

In de paragraaf over de bezwaren tegen het huidige systeem is genoemd dat de kiezer geen invloed heeft op de compromissen die gesloten worden. Dat neemt niet weg dat het er ook voordelen zitten aan het feit dat die compromissen gesloten worden. Die zorgen er namelijk voor dat partijen een manier zoeken waarop veel mogelijk mensen zich kunnen verenigen met het gevoerde beleid en niet alleen het belang van hun eigen kiezers verdedigen.

Een ander nadeel van het huidige kiesstelsel dat hiervoor genoemd is, is de grote invloed van partijen op de samenstelling van de fractie. Daar staat echter tegenover dat partijen in het huidige systeem beter in staat om balans aan te brengen in hun fractie. Zo kunnen met name grote fracties waken voor een goede verhouding tussen geslacht, ervaring en etniciteit, maar er ook voor zorgen dat de Kamerfractie voldoende expertise op verschillende gebieden heeft.

Tot slot gaat het huidige kiesstelsel uit van Nederland als één kiesdistrict. Een districtenstelsel is daarentegen gebaseerd op een veelvoud aan kiesdistricten en de politiek wordt daardoor geografisch ingedeeld. De vraag is of dat terecht is. Er zijn veel andere indelingen van de samenleving mogelijk die beter gerepresenteerd worden in het huidige kiesstelsel. Voorbeelden daarvan zijn een sociaal-economische indeling of een religieuze indeling.

4.

Mogelijke aanpassingen

Districtenstelsel

Tegenover ons huidige kiesstelsel staat dat van een meerderheidsstelsel. Meestal wordt zo'n meerderheidsstelsel gecombineerd met een districtenstelsel, maar in principe is een districtenstelsel ook mogelijk in combinatie met een systeem van evenredige vertegenwoordiging. In een meerderheidsstelsel moet een partij in een gebied (district) een meerderheid halen om zetels te veroveren. Daarbij zijn er twee mogelijkheden: een absolute meerderheid (de helft + 1) of een relatieve meerderheid, waarbij de partij met de meeste stemmen de zetel(s) krijgt.

Voorbeelden van landen waar een districtenstelsel gecombineerd is met een meerderheidsstelsel zijn Groot-Brittannië en Frankrijk. Daarbij is het systeem van Groot-Brittannië gebaseerd op een relatieve meerderheid en dat van Frankrijk op een absolute meerderheid. Het verschil is dat in Groot-Brittannië de kandidaat met de meeste stemmen de districtszetel krijgt en dat er in Frankrijk vaak een tweede ronde nodig is.

Tweestemmenstelsel

Naast een districtenstelsel is er ook een tweestemmenstelsel mogelijk. Dit is het systeem dat sinds 1953 in Duitsland bestaat en daarom spreekt men ook wel van een Duits kiesstelsel. Het tweestemmenstelsel is een kiesstelsel op basis van evenredige vertegenwoordiging, waarbij een deel van de zetels via een meerderheidsstelsel (districtenstelsel) wordt verdeeld.

Gepoogd is de voordelen van twee kiesstelsels met elkaar te combineren: iedere partij krijgt op basis van evenredigheid zetels, maar kiezers kunnen invloed uitoefenen op de vraag wie er tot parlementariër worden gekozen. Dit gebeurt door de kiezer twee stemmen te geven. Met de eerste stem wordt in elk district één afgevaardigde gekozen, met de tweede stem wordt de landelijke zetelverdeling bepaald. De helft van de afgevaardigden wordt via de eerste stem, de districtsstem gekozen, de andere helft via landelijke lijsten.

Combinatie twee stelsels

Het is denkbaar dat de zetels deels via evenredige vertegenwoordiging en deels via een meerderheidsstelsel worden verdeeld. Hoe meer zetels er via een meerderheidsstelsel zijn verdelen, hoe kleiner de evenredigheid. Als bijvoorbeeld de zetelverdeling voor de helft via districten op basis van een gewone meerderheid wordt geregeld, zorgt dat voor verdubbeling van de kiesdrempel. Kleinere partijen hebben in dat stelsel aanzienlijk minder kans om zetels te behalen.

Een districtenstelsel op basis van verkiezing bij gewone meerderheid betekent dat een partij zelfs met een relatief laag percentage (bijv. 20 tot 25 procent) een zetel in het district kan winnen.

5.

Initiatieven begin 21e eeuw

Kabinet-Balkenende IV: verlaging voorkeursdrempel

Het kabinet-Balkenende II wilde een voorkeursdrempel bij de Tweede Kamerverkiezingen verlagen van 25 procent naar 12,5 procent van de kiesdeler. Daartoe diende het kabinet op 21 december 2005 een wetsvoorstel (30.418) in. Hierdoor zouden kandidaten makkelijker via voorkeursstemmen in de Tweede Kamer kunnen komen: naar schatting zou een kandidaat ongeveer 7500 stemmen nodig hebben om op deze manier gekozen te worden.

Het voorstel werd op 28 juni 2006 behandeld in de Tweede Kamer, maar kwam niet in stemming vanwege de kabinetscrisis die daarna ontstond. Op 1 september 2006 werd dit voorstel door de nieuwe minister van Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, Atzo Nicolaï, ingetrokken, omdat de relatie tussen kiezer en gekozene er volgens hem niet mee gediend is. Het gevaar voor cliëntelisme ligt namelijk op de loer als een Kamerlid nog maar heel weinig kiezers vertegenwoordigt.

Minister De Graaf: twee stemmen per kiezer

Daarnaast wilde het kabinet-Balkenende II ook een nieuw kiesstelsel invoeren waarin kiezers twee stemmen uitbrengen: één op de landelijke lijst van een politieke partij en één op een districtskandidaat. De bedoeling van het voorstel van minister De Graaf was de band tussen kiezers en gekozenen te versterken door de helft van de Tweede Kamer in districten te kiezen. De kandidaten die in een district de meeste stemmen hadden gekregen zouden direct namens hun partij in de Tweede Kamer komen (mogelijk zou hierbij wel een bepaalde kiesdrempel gehanteerd worden). In totaal zouden op die manier 75 districtsvertegenwoordigers in de Tweede Kamer komen.

Vervolgens zou op basis van de uitgebrachte eerste stemmen worden vastgesteld hoe de Tweede Kamerzetels naar evenredigheid over de partijen moesten worden verdeeld. Het vaste aantal van 150 Tweede Kamerleden zou gehandhaafd blijven.

Nadat minister De Graaf tijdens de Paascrisis van maart 2005 was afgetreden, werd zijn wetsvoorstel (29.986) ingetrokken. Dit was de uitkomst van het Paasakkoord dat de Tweede Kamerfracties van CDA, VVD en D66 na de crisis sloten. Minister Pechtold stelde als opvolger van De Graaf het Burgerforum kiesstelsel in.

Burgerforum kiesstelsel: stem op partij

Het in 2006 door minister Pechtold ingestelde Burgerforum kiesstelsel adviseerde om kiezers voortaan te laten stemmen op ofwel een partij, ofwel op een specifieke kandidaat te laten stemmen. De evenredige vertegenwoordiging moest gehandhaafd blijven, maar de voorkeurdrempel moest verdwijnen. Ook beval het Burgerforum aan restzetels voortaan te verdelen volgens de methode van de grootste overschotten.

Na een discussie met de Tweede Kamer besloot het toenmalige kabinet-Balkenende IV het advies van het Burgerforum niet te zullen volgen.


Meer over

                                                                                                                                                                         

 

Inhoud

  • Contact
  • Home