Nederlandse Grondwet:
Antwoorden op vragen GL over uitspraken van imams ten aanzien van homoseksualiteit (2000110720)

publicatie datum 21 juni 2001
Kamer Tweede Kamer
beantwoordende ministerie Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
kamerleden F. (Farah) Karimi
partijen GroenLinks

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2000–2001

Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

1279 Herdruk*

Vragen van het lid Karimi (GroenLinks) aan de ministers voor Grote Steden- en Integratiebeleid en van Justitie over uitspraken van imams ten aanzien van homoseksualiteit.(Ingezonden 15 mei 2001)

1

Welke inzet heeft de regering bij de door minister Van Boxtel en minister-president Kok aangekondigde dialoog met imams en andere geestelijke leiders over homoseksualiteit?

2

Waar bevinden zich naar het oordeel van de regering de grenzen aan de vrijheid van meningsuiting en godsdienst met betrekking tot het onderwerp homoseksualiteit, mede gezien de eerdere rechterlijke uitspraken in de zaak tegen Van Dijke?

3

Welke rol ziet de regering weggelegd voor de organisaties van islamitische homoseksuele mannen en lesbische vrouwen in de dialoog over homoseksualiteit in en met de islamitische gemeenschap in Nederland? Kan en wil de regering ondersteuning bieden aan (de activiteiten van) islamitische organisaties die de dialoog over en acceptatie van homoseksualiteit stimuleren?

4

Kan de regering de Kamer inzicht verschaffen in de ontwikkeling van het aantal (klachten over) geestelijke of lichamelijke bedreiging en/of geweld, die (mede) het gevolg zijn van iemands (vermeende) seksuele geaardheid? Klopt het dat hier sprake is van een stijging en zo ja, welke aanvullende maatregelen neemt de regering om dit geweld tegen homo’s en lesbo’s te keren?

5

Kan de regering aangeven hoe het staat met de ontwikkeling van een imam-opleiding in Nederland? Wordt het met de aanwezigheid van zo’n opleiding in Nederland, toekomstig mogelijk imams uit het buitenland te weren danwel te verplichten tot bijscholing?

6

Welke mogelijkheden ziet de regering om de in Nederland werkzame en/of woonachtige imams, vooruitlopend en in aanvulling op de wetswijziging van de WIN, te verleiden tot het volgen van een inburgeringstraject voor oudkomers?

7

Wil de regering, gelet op de voortgang van de discussie, trachten de vragen nog deze week te beantwoorden?

Toelichting:

Deze vragen dienen ter aanvulling op de eerdere vragen terzake van de leden Rehwinkel, Rijpstra en Dittrich, ingezonden 15 mei 2001.

Antwoord

Antwoord van minister Van Boxtel (Grote Steden- en Integratiebeleid), mede namens de minister van Justitie. (Ontvangen 5 juni 2001)

1

In het overleg op 23 mei 2001 jongstleden heb ik duidelijk gemaakt dat de uitlatingen als door een Rotterdamse imam gedaan, als beledigend en kwetsend worden ervaren door vele personen in de Nederlandse samenleving en wellicht onbedoeld agressie tegenover homoseksuelen door moslimjongeren uitlokken, of tenminste legitimeren. Deze effecten zijn laakbaar. Ik heb de gesprekspartners voorgehouden dat zij ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid dragen voor het in stand houden van een samenleving waarin respect voor andersdenkenden voorop staat (zie bijlage).1

2

De grenzen aan de vrijheid van meningsuiting, mede gezien in het licht van de rechterlijke uitspraken in de zaak tegen Van Dijke, zijn te vinden in het Wetboek van Strafrecht. In casu zijn relevant de artikelen 137c en 137d, welke respectievelijk opzettelijke belediging in het

  • I.v.m. wijziging tenaamstelling vraag.

KVR13895 2000110720 ISSN 0921 - 7398

Sdu Uitgevers ’s-Gravenhage 2001

Tweede Kamer, vergaderjaar 2000–2001, Aanhangsel

2673

openbaar wegens homoseksuele gerichtheid en aanzet tot haat tegen of discriminatie wegens homoseksuele gerichtheid, strafbaar stellen. Inmiddels is aangifte gedaan wegens belediging. Het is nu aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of het instellen van vervolging aangewezen is. Of vervolging succesvol kan zijn, wordt sterk beïnvloed door de concrete omstandigheden van het geval. De Hoge Raad heeft in de zaak tegen Van Dijke bepaald dat bij het vormen van een oordeel omtrent het beledigende karakter van uitingen, de vrijheid van godsdienst van vrije meningsuiting mede bepalend kunnen zijn voor het al dan niet aannemen van een beledigend karakter van – op zichzelf beschouwd kwetsende of grievende – uitlatingen (HR 9 januari 2001, nrs. 00945/99). Hierbij speelt de context van de meningsuiting, de vraag of het gaat om een uiting van een geloofsopvatting, en of de uiting, hiermee rekeninghoudend, binnen de grenzen van het aanvaardbare zijn gebleven, een belangrijke rol. Los van de juridische strafbaarheid kunnen de uitingen in maatschappelijke zin als kwetsend worden aangemerkt.

3

Organisaties als door de vraagstellers bedoeld, kunnen een nuttige functie vervullen in de dialoog in islamitische kring. De werkgroep «Islam en burgerschap» heeft tezamen met Yoesuf, een organisatie van homo-moslims en het COC een debat over homoseksualiteit en islam geëntameerd. Deze werkgroep geniet financiële en inhoudelijke ondersteuning van de zijde van de minister van Justitie; de stichting Yoesuf ontvangt subsidie van het ministerie van VWS.

4

De diverse registraties van klachten en aangiften over discriminatie bij anti-discriminatiebureaus, politie en openbaar ministerie zijn niet zodanig ingericht dat daaruit kan worden afgeleid welke ontwikkeling zich voordoet ten aanzien van het aantal (klachten over) incidenten met geestelijke of lichamelijke bedreiging en/of geweld die (mede) het gevolg zijn van iemands (vermeende) seksuele gerichtheid. Uit de rapporten «Kerncijfers discriminatie» die de Landelijke Vereniging van Anti-discriminatiebureaus en –

meldpunten jaarlijks uitbrengt, is af te leiden het aantal klachten over discriminatie dat «rechtstreeks» is gebaseerd op de seksuele gerichtheid van personen. Het aantal klachten fluctueert echter te veel om te kunnen spreken van een trend (54 in 1997; 159 in 1998; 132 in 1999 en 65 in 2000). In het voorwoord en in de aanbiedingsbrief bij de uitgave «Homoseksualiteit en lslam (een literatuur- en adressenlijst)» van het Landelijk Bureau ter bestrijding van Racisme d.d. 11 mei 2001 wordt wel gesproken van verschillende indicaties voor een groeiende intolerantie ten aanzien van homoseksuelen.

5

Over het kabinetsstandpunt met betrekking tot de oprichting van een imam-opleiding in Nederland is de Tweede Kamer reeds enkele malen geïnformeerd: in de nota «Het integratiebeleid betreffende etnische minderheden in relatie tot hun geestelijke bedienaren» d.d. 26 februari 1998, van de toenmalige minister Dijkstal en de toenmalige staatssecretaris Netelenbos; mijn brief aan de Tweede Kamer over godsdienst en levensovertuiging in relatie tot het integratiebeleid d.d. 10 december 1999 en het verslag van het schriftelijk overleg over de brief van 10 december, d.d. 13 juni 2000. Verschillende islamitische organisaties hebben reeds een voorziening getroffen, of hebben daartoe plannen in voorbereiding om, al dan niet in samenwerking met zusterorganisaties in West-Europese landen, theologen en geestelijke bedienaren in Nederland op te leiden. Hierbij zijn de moslimorganisaties met een Surinaamse achtergrond en de Milli Görüs beweging van Turkse herkomst te noemen. Zoals zowel in mijn brief (d.d. 10 december 1999) aan uw Kamer als in de eerdere nota «Het Integratiebeleid betreffende etnische minderheden in relatie tot hun geestelijke bedienaren» werd beklemtoond, is een imam-opleiding, als elke opleiding tot een ambt binnen een kerkgenootschap of organisatie van godsdienst of levensovertuiging, de eigen verantwoordelijkheid van het desbetreffende kerkgenootschap of de desbetreffende organisatie. De scheiding van kerk en staat schrijft voor dat de staat zich niet inlaat met de «richting» en met de «inrichting»

van zo’n genootschap of organisatie; een opleiding tot een «kerkelijk» ambt behoort ontegenzeggelijk tot de «inrichting».

Indien een imam-opleiding in Nederland of in een ander land, behorend tot de Europese Economische Ruimte, leidt tot voldoende gekwalificeerde en door hun genootschap of organisatie erkende geestelijke bedienaren, is het in beginsel mogelijk, conform de in de Wet arbeid vreemdelingen vastgelegde regel inzake prioriteit genietend aanbod, werving, c.q. detachering van geestelijken van uit de EER te weren. In de praktijk zal het nochtans vanwege het beginsel van de scheiding van kerk en staat twijfelachtig zijn of de Nederlandse overheid de vrije keuze door kerkgenootschappen of organisaties van religieuze aard van een bedienaar te ontzeggen indien een beroep wordt gedaan op de eigen richting van zulk een genootschap of organisatie.

6

Inzake het inburgeringsbeleid voor oudkomers verwijs ik naar de nota «oudkomers» die ik eerdaags de Tweede Kamer zal aanbieden.

7

Aangezien tijdens de voorbereiding van de beantwoording, mijn gesprek met de islamitische organisaties plaatsvond d.d. 23 mei 2001, heb ik, de uitkomsten daarvan bij deze beantwoording betrokken. Zij zijn als bijlage opgenomen.

1 Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2000–2001, Aanhangsel

2674


                                                                                                                                                                         

 
 
  • Contact
  • Home