Nederlandse Grondwet:
Antwoorden op vragen CDA over schoolgaande jongeren en lectuur (2040507760)

publicatie datum 4 april 2005
Kamer Tweede Kamer
beantwoordende ministerie Justitie
kamerleden W.R.C. (Mirjam) Sterk
partijen Christen-Democratisch Appèl

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2004–2005

Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

1256

Vragen van het lid Sterk (CDA) aan de ministers voor Vreemdelingenzaken en Integratie, van Justitie en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschapover schoolgaande jongeren en lectuur. (Ingezonden 4 februari 2005)

1

Bent u opde hoogte van de onder schoolgaande jongeren circulerende lectuur waarin ondermeer wordt aangezet tot het slaan van vrouwen?1

2

Deelt u de mening dat de inhoud van deze lectuur ernstig afbreuk kan doen aan de integratie van islamieten in Nederland en opsommige onderdelen onacceptabel is? Hoe beoordeelt u het feit dat deze lectuur nog steeds, ook na de discussie vorig jaar, verkrijgbaar is?

3

Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat deze lectuur populair is onder jongeren, omdat er zaken in worden betoogd die in tegenspraak zijn met de gelijkheid van man en vrouw, zoals die is verankerd in de Grondwet?

4

Hoe beoordeelt u in het licht van de integratie het feit dat jongeren deze lectuur door hun ouders aanbevolen krijgen?

5

Welke rol ziet u hierbij voor het onderwijs weggelegd?

6

Wat is er tot nu toe ondernomen tegen de uitgevers van deze lectuur?

7

Welke bijdrage kunnen de nieuwe maatregelen rond de terrorismebestrijding leveren bij het aanpakken van dit soort lectuur?

1 Trouw, 3 februari jl.

Antwoord

Antwoord van minister Verdonk (Vreemdelingenzaken en Integratie), mede namens de ministers van Justitie en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. (Ontvangen 29 maart 2005), zie ook Aanhangsel Handelingen nr. 1005, vergaderjaar 2004–2005

1 Ja.

2

Zonder nader onderzoek kan niet worden vastgesteld of de lectuur waarvan sprake is in eerdergenoemd krantenartikel onderdelen bevat die in strijd zijn met de Nederlandse rechtsorde. Eerder onderzoek van het OM naar «Fatwas of muslimwomen» en «De weg van de moslim» leverde geen strafbare passages op. Het was en is derhalve niet mogelijk om maatregelen tegen de verspreiding van deze lectuur te nemen. Dit is door de minister van Justitie in het Algemeen Overleg over moskeeën van 15 september 2004 aan u meegedeeld.

Niettemin deel ik uw zorg met betrekking tot de mogelijke negatieve invloed ophet gewenste integratieproces van Islamitische jongeren en de emancipatie van Islamitische meisjes die van deze lectuur uit kan gaan.

3

Zie het antwoord opvraag 2.

4

Bedacht dient te worden, dat ook deze lectuur deel uit kan maken van een toelaatbare vorm van vrije meningsuiting en/of godsdienstbelijdenis, waarvan het de ouders vrij staat deze onder de aandacht van hun kinderen te brengen. Dat neemt niet weg, dat het kabinet de weerbaarheid tegen radicaal gedachtegoed wil versterken. Daarom is in opdracht van de minister voor V&I door het multicultureel instituut Forum een strategie ontwikkeld, die is vervat in het uitvoeringsprogramma «Democratische rechtstaat, weerbare samenleving».

KVR22592 2040507760 0405tkkvr1256 ISSN 0921 - 7398 Sdu Uitgevers ’s-Gravenhage 2005

Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, Aanhangsel

2663

In de nota inzake weerbaarheid tegen radicaliseringsinvloeden, die u binnenkort wordt toegezonden, geeft het kabinet aan dat acties zullen worden ondernomen om de weerbaarheid in allochtone kringen tegen radicaliseringprocessen te versterken en te ondersteunen. De hierin beschreven aanpak vormt het derde beleidsspoor tegen terrorisme en radicalisering onder jongeren1.

5

Scholen zijn niet verantwoordelijk voor wat leerlingen in hun privé-tijd verspreiden en lezen. Wanneer dat wat wordt gelezen indruist tegen de wet is dit primair een zaak voor justitie. Wel zijn scholen in algemene zin verantwoordelijk voor een veilig schoolklimaat en hebben zij een rol, in aanvulling opdie van de ouders, bij het bijbrengen van waarden, normen en burgerschap. Wanneer de indruk bestaat dat leerlingen radicaliseren, kunnen scholen dit melden bij het Meldpunt Vertrouwensinspecteurs bij de Inspectie voor het Onderwijs. De vertrouwensinspecteurs fungeren op grond van het bepaalde in artikel 6 in de Wet ophet Onderwijstoezicht (WOT) voor personen die in het onderwijs worden geconfronteerd met seksuele intimidatie, seksueel misbruik, fysiek geweld en psychisch geweld, zoals grove pesterijen. De taak van het Meldpunt zal worden uitgebreid ten behoeve van personen die in het onderwijs te maken krijgen met onverdraagzaamheid, discriminatie, fundamentalisme of extremisme.

6

Zie ook het antwoord opvraag 2. Er

zijn geen acties ondernomen tegen de uitgevers van de genoemde lectuur.

7

Met betrekking tot de nieuwe maatregelen rond terrorismebestrijding verwijs ik u naar het overzicht met maatregelen dat de Tweede Kamer als bijlage bij de brief van 24 januari jl. (TK 2004–2005, 29 754, nr. 5) toegezonden heeft gekregen. De door de vragensteller aangehaalde maatregelen in het kader van terrorismebestrijding spelen geen enkele rol bij het «aanpakken» van dit soort lectuur.

1 Het eerste beleidsspoor betreft de versterking van de slagkracht van de overheid, zoals die is neergelegd in de brief van 24 januari 2005 over de beschrijving van terrorisme (TK 29 754 nr. 5). Het tweede beleidsspoor betreft het versterken van de mogelijkheden van de overheid om te interveniëren in geval van potentieel gewelddadige vormen van radicalisme en radicalisering. De Nationale Coördinator Terrorismebestrijding ontwikkelt hiervoor een concrete aanpak (zie ook hierover de brief van 24 januari TK 29 754 nr. 5)

Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, Aanhangsel

2664


                                                                                                                                                                         

 
 
  • Contact
  • Home