Landbouwbeleid (GLB)

Kratten met appels
Bron: © European Union, 2016

Het Europese Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) moet ervoor zorgen dat er genoeg voedsel wordt verbouwd op een duurzame manier. Daarnaast moeten consumenten voor redelijke prijzen landbouwproducten kunnen kopen en moeten boeren een behoorlijk inkomen hebben. Landbouw is een belangrijk onderwerp voor de EU: bijna 40 procent van de begroting van de Europese Unie wordt eraan besteed. Dit geld gaat vooral naar subsidies. Hierdoor heeft de EU veel invloed op het Europese landbouwbeleid.

Het huidige Gemeenschappelijk Landbouwbeleid bestaat uit twee onderdelen: landbouwsubsidies en subsidies gericht op plattelandsontwikkeling. Deze onderdelen zijn voornamelijk gericht op drie zaken; inkomenssteun voor de boeren, marktregulering en plattelandsontwikkeling. Met dit landbouwbeleid wil de Commissie het beleid groener, eerlijker, efficiënter, en effectiever maken.

Nieuwe hervormingen van het GLB zullen naar verwachting pas vanaf januari 2023 worden doorgevoerd. De voorgestelde plannen van de Commissie zijn gericht op het stimuleren van de ontwikkeling van een duurzame en competitieve landbouwsector die een aanzienlijke bijdrage kan leveren aan de Europese Green Deal.

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Mijlpalen

Beginjaren

Het landbouwbeleid gaat terug tot de jaren '50 van de vorige eeuw. Aanleiding waren de voedseltekorten tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog. De Europese Unie moest zichzelf kunnen voorzien van voedsel en zo min mogelijk afhankelijk zijn van de import uit andere landen. Daarom werd het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid opgericht. De Nederlandse eurocommissaris Sicco Mansholt was een van de grondleggers van dit beleid.

Door het beleid werden interne handelsbarrières opgeheven. Er kwam een systeem dat agrariërs een minimumprijs en afzet van producten garandeerde. Het gebruik van productieverhogende technieken en bedrijfsontwikkeling kon vaak rekenen op subsidies. Dit leidde tot een enorme stijging van de productie ongeacht of er vraag naar was. Dit maakte het landbouwbeleid erg duur.

Crisisjaren

Door de subsidies bleef de voedselprijs laag en hadden de boeren voldoende inkomsten. Hierdoor ontstonden grote overschotten van onder andere boter (boterbergen), melk (melkplassen), wijn (wijnzee) en graan.

Deze overschotten werden vervolgens goedkoop gedumpt op de wereldmarkt. De Nederlandse boeren hadden daar geen last van, omdat zij gesubsidieerd werden. Derdewereldlanden konden met hun prijzen echter niet op tegen deze gesubsidieerde producten uit de EU. Dit leidde tot oneerlijke concurrentie.

Ook konden in de steeds intensievere landbouw dierziekten gemakkelijker om zich heen grijpen, waardoor mensen zich afvroegen of hun voedsel nog wel veilig was.

Hervormingen in 1992

De zogenaamde MacSharry-hervormingen, vernoemd naar de toenmalige eurocommissaris van Landbouw, waren gericht op het oplossen van bovenstaande problemen. Waar de subsidies vanuit het GLB eerst waren gericht op de productie, zorgden de hervormingen ervoor dat de hoeveelheid subsidie die een boer kreeg afhankelijk werd van de hoeveelheid land die een boer bezat. Zo werd de prikkel om veel te produceren weggehaald.

Ook werd een voorwaarde gesteld aan de subsidies vanuit het GLB. Grote boerenbedrijven waren verplicht om een deel van hun land niet in gebruik te nemen als ze in aanmerking wilden komen voor de inkomenssteun. Dit zorgde allemaal voor een terugdringing van de overschotten.

Agenda 2000

De Agenda 2000-hervormingen legden de basis voor de complete ontkoppeling van de prijsafhankelijke steun. Verder werd er met deze hervormingen ook meer aandacht voor het milieu geïntroduceerd. Later, in 2003, werd de inkomenssteun zelfs afhankelijk gemaakt van de mate waarin boeren zich houden aan de standaarden voor voedselveiligheid, milieubescherming en dierenwelzijn.

Evaluatie in 2008

In 2008 werd het GLB opnieuw grondig geëvalueerd. Naar aanleiding van die evaluatie werd de verplichting om grond braak te leggen afgeschaft. Ook werd er een vangnet gecreeërd voor boeren, zodat ze bij economische neergang niet te zwaar geraakt worden. Daarnaast kwamen de ministers van Landbouw van de Europese Unie overeen dat directe betalingen aan boeren teruggebracht moesten worden en dat dat geld naar het fonds voor plattelandsontwikkeling moest.

De maatregelen die naar aanleiding van de evaluatie werden genomen, moesten ervoor zorgen dat het GLB meer ging doen aan watermanagement en tegen klimaatverandering. Afgezien daarvan moest de biodiversiteit en de productie van groene energie verbeterd worden door het geld dat werd gestopt in het fonds voor plattelandsontwikkeling.

Hervormingen van het GLB vanaf 2023

Om de toekomstige rol van de Europese landbouw te consolideren, is het GLB in de loop van de jaren voortdurend geëvalueerd en afgestemd op de economische omstandigheden en de veranderende wensen en behoeften van de burgers. Op 1 juni 2018 presenteerde de Commissie nieuwe wetgevingsvoorstellen over de toekomst van het GLB. Hierin wordt de verdere ontwikkeling van het GLB uitgestippeld in de richting van een eenvoudiger en efficiënter beleid met oog voor de duurzame ambities van de Europese Green Deal. Op hoofdlijnen gaat het om drie grote hervormingen:

  • 1. 
    Vanaf 2023 wordt tweeëntwintig procent van de inkomenssteun aan agrariërs afhankelijk van hun inspanningen voor klimaat en milieu; in 2025 zou dat oplopen naar een kwart. Zo moeten boeren bijvoorbeeld meer grond braak te leggen om verlies van biodiversiteit te voorkomen.
  • 2. 
    Daarnaast wordt in het nieuwe GLB de landbouwsteun ook gekoppeld aan sociale normen, wat betekent dat boeren moeten voldoen aan de minimumeisen van de Europese sociale- en arbeidswetgeving om in aanmerking te komen voor steun.
  • 3. 
    Tot slot krijgen de lidstaten meer autonomie bij het bepalen van de voorwaarden waaraan de landbouw moet voldoen via nationale strategische plannen. Zo komt de uitvoering bij de lidstaten te liggen, terwijl de Commissie de algemene richting aangeeft.

2.

Wie doet wat

Bij de besluitvorming op dit beleidsterrein spelen de Europese Commissie, de Raad van Ministers en het Europees Parlement een rol.

De voedselveiligheid en daarmee samenhangend het bestrijden van epidemieën als de varkenspest of de gekkekoeienziekte valt onder het beleid voedselveiligheid. Een deel van de structurele economische ontwikkeling van het platteland valt onder het regionaal beleid.

 

Europees Orgaan

Verantwoordelijke

Europese Commissie

Eurocommissaris voor Landbouw

Parlementaire commissie Europees Parlement

parlementaire commissie Landbouw en Plattelandsontwikkeling

Nederlands lid commissie Europees Parlement

Lid/leden


Plaatsvervanger(s)

Raad van de Europese Unie

Raad Landbouw

Nederlandse afvaardiging Raad van Ministers

Carola Schouten (ChristenUnie), minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Invloed nationale parlementen

Nationale parlementen van de lidstaten kunnen binnen acht weken nadat de Europese Commissie een voorstel heeft bekendgemaakt, laten weten dat de Europese Unie zich niet met het onderwerp zou moeten bezighouden.

Vanuit het Nederlandse parlement zijn bij dit beleidsterrein betrokken:

 

Nederlands orgaan

Verantwoordelijke

Tweede Kamer

Tweede Kamercommissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Eerste Kamer

Eerste Kamercommissie Eerste Kamercommissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (EZK/LNV)

Betrokken bij uitvoering

 

Betrokken instantie EU/internationaal

Verantwoordelijke

Agentschap

Communautair bureau voor Plantenrassen (CPVO)

Agentschap

Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA)

Directoraat-Generaal

Directoraat-generaal Landbouw (AGRI)

3.

Meer informatie

Europese Unie

Algemeen overzicht EU

Factsheet Europees Parlement

Wetgevingsoverzicht

Statistieken Eurostat