Vrouwen en kiesrecht

Het passief kiesrecht voor vrouwen werd in Nederland in 1917 wettelijk ingevoerd, in 1919 gevolgd door het actief kiesrecht voor vrouwen. In 1922 konden vrouwen voor de eerste keer hun stem uitbrengen bij Tweede Kamer-verkiezingen. De toekenning van deze formele politieke rechten aan vrouwen geschiedde in Nederland niet zonder slag of stoot. In eerste instantie ging de kiesrechtstrijd, die voornamelijk gevoerd werd door aanhangers uit sociaal-democratische en liberale kringen, vooral om de invoering van het algemeen kiesrecht voor mannen. Deze eis was een reactie op het kiesrecht zoals dat toen was vastgelegd in de grondwet van 1848 en waarin slechts een beperkte groep burgers stemrecht had. Zie voor ontwikkelingen rond het kiesrecht in Nederland in het algemeen: hoofdstuk A1200, paragraaf 6.

Tot aan de grondwetswijziging van 1887, stonden er geen bepalingen in de Grondwet op grond waarvan vrouwen wettelijk waren uitgesloten van het actieve en passieve kiesrecht voor de Eerste en Tweede Kamer. De tekst van de artikelen in de Grondwet van 1848 met betrekking tot het actief en het passief kiesrecht, luidde:

Artikel 76 GW.

De leden der Tweede Kamer worden in de kiesdistricten, waarin het Rijk verdeeld wordt, gekozen door de meerderjarige ingezetenen, Nederlanders, in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten, en betalende (..).

Artikel 79 GW.

Om tot lid der Tweede Kamer verkiesbaar te zijn, wordt alleen vereischt dat men Nederlander, in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten zij en den ouderdom van dertig jaren hebben vervuld. (Stb. 1848, nr. 44.)

Het kiesrecht voor de Provinciale Staten en de Gemeenteraden – en het passief kiesrecht voor de Eerste Kamer – was op gelijksoortige wijze geregeld.

In 1883 maakte Aletta Jacobs, geboren in 1854, op principiële wijze die tegenstrijdigheid tussen grondwet en praktijk aanhangig. De Tweede Kamer verkiezingen van 1883 greep zij aan om de feitelijke uitsluiting van vrouwen van het kiesrecht tot in de hoogste juridische instanties aan te vechten. Zij verzocht om op de kiezerslijst van Amsterdam geplaatst te worden, en derhalve te mogen stemmen, op grond van het ontbreken in de Grondwet van een formele uitsluiting van vrouwen van het kiesrecht. Het verzoek werd door het college van B & W afgewezen, want:

„(..) adressante moge zich dan al beroepen op de letter der Wet, volgens den Geest onzer Staatsinstellingen is aan de vrouw geen kiesrecht of stemrecht verleend.” (A. Jacobs, Herinneringen, Nijmegen, 1978, p. 95.)

Beroep tegen deze beschikking, eerst bij de Arrondissementsrechtbank en vervolgens bij de Hoge Raad, mocht niet baten. Aletta Jacobs verkreeg het kiesrecht niet.

Zie voor overwegingen van de Hoge Raad:

  • De zaak Aletta Jacobs, HR 18-5-1883, Weekblad van het recht, 45, nr. 4917.

Over deze poging van Aletta Jacobs, zie:

  • R. de Lange, Kent iemand nog eene gehoorzame vrouw? Samuel van Houten en het begin van de strijd om het vrouwenkiesrecht, in: Recht en Kritiek, 10 (1984), pp. 284-292.

  • D. Pessers, 100 jaar na de zaak Aletta Jacobs, in: Nederlands Juristen Blad, 58 (1983), pp. 663-664.

  • A. Jacobs, Herinneringen, Nijmegen, 1978. (Reprint, oorspronkelijk 1924).

Het gevolg van de actie van Aletta Jacobs was dat in 1887 ter verduidelijking in de Grondwet bij het actief en passief kiesrecht aan het woord „ingezetenen” het woord „mannelijke” werd toegevoegd, zoals later ook in de Kieswet van 1896 gebeurde:

Artikel 80 GW.

De leden der Tweede Kamer worden regtstreeks gekozen door de mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders, (..).

Artikel 81 GW.

Om lid der Tweede Kamer te kunnen zijn wordt alleen vereischt dat men mannelijk Nederlander zij (..).” (Stb. 1887, nr. 148.)

Het kiesrecht voor de Provinciale Staten en de Gemeenteraden – en het passief kiesrecht voor de Eerste Kamer – werd op gelijksoortige wijze aangepast.

De publiciteit rond deze actie deed de belangstelling voor het vrouwenkiesrecht toenemen. In 1889 was reeds door Wilhelmina Drucker (1847-1925), de Vrije Vrouwen Vereeniging opgericht, omdat in de bestaande partijen en organisaties het vrouwenkiesrecht van ondergeschikt belang was vergeleken met het algemeen mannenkiesrecht. Deze vereniging had tot doel de bestrijding van de ongelijkheid van vrouwen op juridisch en onderwijskundig gebied.

In 1894 volgde de oprichting van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht (VvVK), waarin zowel Aletta Jacobs als Wilhelmina Drucker actief waren. Het doel van deze vereniging was vrouwenkiesrecht en als strijdmiddelen werden ondermeer propaganda, publikaties en manifestaties gehanteerd.

Door interne onenigheid over het te volgen beleid in de VvVK, werd in 1907 een nieuwe, „gematigd” of ook wel „ethisch feministisch” genoemde, organisatie voor vrouwenkiesrecht opgericht: de Bond voor Vrouwenkiesrecht (BvVK). Deze bond beperkte zich in tegenstelling tot de VvVK niet uitsluitend tot het vrouwenkiesrecht, liet wel mannen toe als gewoon lid met dezelfde rechten als vrouwen en was niet-militant. Behalve deze twee, meest bekende en grootste organisaties, bestonden er nog twee minder bekende organisaties, ook niet behorend tot één of andere politieke stroming of organisatie: de Mannenbond voor Vrouwenkiesrecht, aangesloten bij de Internationale Mannenbond voor Vrouwenkiesrecht, en De Neutrale (Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht).

Voor de strijd om het vrouwenkiesrecht, zie:

  • W. Wijnaendsts Francken-Dyserinck, De Nederlandsche Bond voor Vrouwenkiesrecht, in: Socialisties-Feministiese Teksten, nr. 9, Baarn, 1986, pp. 121-127. Herdruk, eerder verschenen in C.M. Werker-Beaujon, C. Wichmann en W.H.M. Werker (red.), Encyclopaedisch Handboek. De Vrouw, de Vrouwenbeweging en het Vrouwenvraagstuk, Amsterdam, 1914-1918, deel 2, pp. 181-187.

  • I. de Wilde, Carolina Lacet (1856-1920). De petite histoire van vrouwenkiesrecht en vrijdenkerij, in: Jaarboek Haerlem 1986, pp. 143-158.

  • M.W.H. Rutgers-Hoitsema, De Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, in: Socialisties-Feministiese Teksten, nr. 9, Baarn, 1986, pp. 127-144. Herdruk, eerder verschenen in C.M. Werker-Beaujon, C. Wichmann en W.H.M. Werker (red.), Encyclopaedisch Handboek. De Vrouw, de Vrouwenbeweging en het Vrouwenvraagstuk, Amsterdam, 1914-1918, deel 2, pp. 163-180.

  • M. Mossink, „Tweeërlei strooming?” „Ethisch” en „rationalistisch” feminisme tijdens de eerste golf in Nederland, in: Socialisties-Feministiese Teksten, nr. 9, Baarn, 1986, pp. 104-120.

  • M. Bosch en A. Kloosterman, „Lieve Dr. Jacobs” Brieven uit de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht 1902-1942, Amsterdam, 1985.

  • Gedenkboek. Nederlandsche Bond voor Vrouwenkiesrecht 1907-1917, Amsterdam, z.j.

  • Gedenkboek bij het 25-jarig bestaan van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht 1894-1919, Amsterdam, z.j.

Het einde van de strijd om het vrouwenkiesrecht kwam in zicht met de grondwetswijziging van 1917, die het algemeen mannenkiesrecht en het passief vrouwenkiesrecht inhield. De Grondwetsartikelen in de nieuwe grondwet van 1917 luidden als volgt (De onderstreepte gedeelten zouden bij de grondswetsherziening van 1922 geschrapt worden).

Artikel 80 GW.

De leden der Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders of door de wet als Nederlandsche onderdanen erkend, die den door de wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt en door de vrouwelijke ingezetenen, die aan gelijke voorwaarden voldoen, indien en voor zover de wet haar, niet uit hoofde van aan het bezit van maatschappelijke welstand ontleende redenen, kiesbevoegd verklaart (..).

Artikel 84 GW.

Om lid der Tweede Kamer te kunnen zijn wordt vereischt, dat men Nederlander, of door de wet als Nederlandsch onderdaan erkend zij, (..). (Stb. 1917, nr. 660.)

Het kiesrecht voor Provinciale Staten en Gemeenteraden – en het passief kiesrecht voor de Eerste Kamer werden op gelijksoortige wijze aangepast.

Het actief kiesrecht voor vrouwen werd tenslotte een feit in 1919, door het wetsvoorstel van het liberale Tweede Kamerlid H.M. Marchant. Dit voorstel werd, als wet, als volgt in het Staatsblad ingeleid:

„Wij Wilhelmina (..) Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is aan de vrouwen het kiesrecht toe te kennen op denzelfden voet als aan de mannen;(..).”

En had als „Eenig artikel”:

1. In artikel 1 der Kieswet vervalt het woord „mannelijke”.

2. In artikel 9 der Kieswet vervalt het woord „mannelijke”.

3. In artikel 54 der Kieswet wordt voor het woord „mannen” gelezen „personen”. (Stb. 1919, nr. 536.)

In 1922 werd bovenstaande wijziging in de Kieswet ook in de Grondwet doorgevoerd. De tekst van de nieuwe Grondwet, waarin nu dus ook wat betreft het actieve kiesrecht geen onderscheid meer tussen mannen en vrouwen werd gemaakt, luidde:

Artikel 81 GW.

De leden der Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de ingezetenen, tevens Nederlanders of door de wet als Nederlandsche onderdanen erkend, die den door de wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. (..). (Stb. 1922, nr. 736.)

Ook bij deze laatste grondwetsherziening werd het kiesrecht voor de Provinciale Staten en de Gemeenteraden op gelijksoortige wijze veranderd.

Voor uitgaven van teksten van alle grondwetsartikelen (ook met betrekking tot Gemeenten en Provincies), die de vereisten van passief en actief kiesrecht vermelden in de verschillende grondwetten vanaf 1798, zie A0600, paragraaf 2.1 en A1200.

Zie ook:

  • G. W. Bannier, Grondwetten van Nederland, Zwolle, Tjeenk Willink, 1936.

Zowel in de strijd voor het vrouwenkiesrecht als voor het algemeen mannenkiesrecht ging het om het principe dat niemand van politieke zeggenschap mocht worden uitgesloten. De criteria voor uitsluiting waren echter zeer verschillend. De hoogte van het inkomen vormde de voornaamste barrière voor de mannelijke bevolking, een barrière die kon worden geslecht door de toename van het welvaartsniveau. De redenen om vrouwen geen kiesrecht te verlenen waren vooral gebaseerd op opvattingen over de plaats van de vrouw in het gezin.

Voor een opsomming van argumenten voor en tegen het vrouwenkiesrecht, zie:

  • J.C. Schokking, De vrouw in de Nederlandse politiek. Emancipatie tot actief Burgerschap, Assen, 1958, pp. 28-30.

De politieke partijen verschilden nogal van mening over de invoering van het vrouwenkiesrecht. Algemeen gesteld waren de liberalen en de sociaal-democraten vóór en de christelijke partijen tegen. Voor een overzicht van standpunten van politieke partijen en organisaties inzake vrouwenkiesrecht, zie onder andere:

  • H. van de Velde, Vrouwen van de partij. De integratie van vrouwen in politieke partijen in Nederland, 1919-1990, Leiden, DSWO press, 1994.

  • M.H. Leijenaar, De geschade heerlijkheid. Politiek gedrag van vrouwen en mannen in Nederland, 1918-1988, Amsterdam, 1989, pp. 24 e.v.

  • R. Koole, P. Lucardie en G. Voerman, 40 Jaar vrij en verenigd. Geschiedenis van de VVD-partijorganisatie, Houten, 1988, pp. 14 e.v.

  • H.J. van der Streek, De christenvrouwen (1880-1940): liefdadigheid, vrouwenbeweging en politiek, in: J. de Bruijn (red.), Een land nog niet in kaart gebracht. Aspecten van het protestants-christelijk leven in Nederland in de jaren 1880-1940, Amsterdam, 1987, 217-244.

  • G. Taal, Liberalen en radicalen in Nederland, 1872-1910, ’s-Gravenhage, 1980

  • J.C. Schokking, De vrouw in de Nederlandse politiek. Emancipatie tot actief Burgerschap, Assen, 1958, hoofdstuk 7, 9, 10, 11, 12 en 13.

Meer specifieke overzichten over standpunten inzake de invoering van het vrouwenkiesrecht van de socialistische partij(en) en politici zijn:

  • Y. de Jong, Conjunctuur, arbeidersbeweging en vrouwenkiesrechtbeweging. De invloed van de conjunctuur op de samenwerking tussen sociaal democratische arbeidersbeweging en vrouwenbeweging 1855-1914, Amsterdam, 1988, doctoraalscriptie economische en sociale geschiedenis, Universiteit van Amsterdam.

  • H. Both, Socialisme betekent geluk voor de vrouw. De sociaal-democratische vrouwenclubs, in: Tijdschrift voor Vrouwenstudies, 6 (1985), pp. 205-220.

  • F. van Dieteren en I. Peeterman, Vrije vrouwen of werkmansvrouwen? Vrouwen in de Sociaal Democratische Bond (1879-1894), in: Cahiers Sociale Geschiedenis, Utrecht, 1984, nr. 5.

  • S. Poldervaart, Vrouwenstudies. Een inleiding, Nijmegen, 1983, pp. 29-32.

  • U. Jansz, Vrouwen ontwaakt! Drie kwart eeuw sociaal-democratische vrouwenorganisatie tussen solidariteit en verzet, Amsterdam, 1983, met name hoofdstuk 1 en 2.

  • T. van der Meer, Kiesrecht zonder onderscheid naar sekse. De SDAP en de strijd voor het vrouwenkiesrecht (1899-1908), in: Tweede Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis, Nijmegen, 1981, pp. 146-166.

  • T. van der Meer, S. van Schupperen en S. Veen, De SDAP en de kiesrechtstrijd. De ontwikkeling van de Nederlandse sociaal-democratie 1894-1913, Amsterdam, 1981.

  • M. Wibaut-Berdenis van Berlekom, Herinneringen. Iets over ontstaan en ontwikkeling van de Bond van Sociaal Democratische Vrouwenclubs, Amsterdam, 1976 (oorspronkelijke uitgave 1933).

  • J. Outshoorn, Vrouwenemancipatie en socialisme. De SDAP en het „vrouwenvraagstuk”, 1894-1919, Nijmegen, 1973.

  • J.C. Schokking, De vrouw in de Nederlandse politiek. Emancipatie tot actief burgerschap, Assen, 1958, pp. 122-126.

Tabel 1. Overzicht gebeurtenissen in de strijd om het vrouwenkiesrecht, 1883-1922

 

Jaar

Datum/maand

Gebeurtenis

1883

23 maart

Het College van b. en w. van Amsterdam wijzen verzoekschrift van Aletta Jacobs om op de kiezerslijst van Amsterdam geplaatst te worden af.

1883

13 april

De Arondissementsrechtbank wijst beroep tegen beschikking van b. en w. met betrekking tot het verzoek van Aletta Jacobs als ongegrond af.

1883

18 mei

De Hoge Raad wijst arrest inzake hoger beroep Aletta Jacobs: het beroep wordt afgewezen.

1887

Het woord “mannelijke’ wordt in de Grondwet toegevoegd aan “ingezetenen” met betrekking tot het actief en passief kiesrecht voor de Eerste en Tweede Kamer

1889

Oprichting Vrije Vrouwen Vereniging (VVV).

1891

De VVV Neemt het initiatief tot de eerste openbare vergadering voor Algemeen Kiesrecht, geheel door vrouwen georganiseerd.

1893

Ondanks de steun die vrouwen gegeven hebben aan organisties voor algemeen kiesrecht, weigering van mannen uit die organisaties om actie van vrouwen te steunen inzake de kiesrechtuitbreiding van 1893, met als doel ook het vrouwen kiesrecht bij die uit breiding te betrekken.

1894

4 februari

Oprichting Vereeniging voor vrouwenkiesrecht (VvVK), met als eerste voorzitter tot 1902: Annette W. L. Versluys-Poelman.

1895

De SDAP stelt in het eerste punt van strijdprogramma:”invoering van algemeen, direct, enkelvoudig kiesrecht voor man en vrouw.”

1898

9 juli-21 september

Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid te ‘s-Gravenhage ter gelegenheid van de troonsbestijging van koningin Wilhelmina. Een grote eensgezinde inspanning van vrouwen van uiteenlopende richtingen, die de belangstellingen voor de bekendheid van de “vrouwenkwestie” in het algemeen zeer doet toenemen.

1899

De VvVK sluit zich tijdelijk, tot 1905, aan bij het Algemeen Kiesrecht Comité.

1904

De VvVK sluit zich aan bij de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht.

1904

Oprichting Bond voor Vrouwenkiesrecht (BvVK), als afsplitsing van VvVK, na verschil van mening over beleid in de VvVK.

1907

februari

Oprichting Bond voor Vrouwenkiesrecht (BvVK), als afsplitsing van VvVK, na verschil van mening over beleid in de VvVK.

1907

Het linkse ministerie-De Meester doet een voorstel tot een grondwetsherziening, inhoudende onder meer het wegnemen van de belemmeringen voor vrouwenkiesrecht. Het voorstel wordt echter weer ingetrokken na de val van het kabinet in december.

1907

De SDAP besluit om ook in praktijk geen onderscheid meer te maken tussen algemeen mannen en vrouwenkiesrecht.

1908

18 april

De Bond van Sociaal Democratische Vrouwenclubs wordt opgericht, die binnen het kader van de socialistische eis voor algemeen kiesrecht ook voor het vrouwenkiesrecht strijd voert.

1908

15-21 juli

De VvVk is gastvrouw voor het in Den Haag gehouden Internationaal Kongres voor Vrouwenkiesrecht ofwel de grote Algemene Vergadering van de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht. Ook dit evenement maakt de vrouwenkwestie bekender.

1909

Oprichting Mannenbond voor Vrouwenkiesrecht, naar analogie van zulke organisaties in het buitenland.

1912

De drie liberale partijen verenigen zich in de zogenaamde Liberale Concentratie, met als programmapunt onder andere het tot stand brengen van een grondwetsherziening waarbij de gelegenheid moet worden geopend, aan de vrouw het kiesrecht te verlenen, zonder dat daarbij eisen van maatschappelijke welstand mogen worden gesteld.

1913

2mei-30 september

Tentoonstelling “De Vrouw 1813-1913” in Amsterdam, met een speciale “kiesrechtzaal”, onder beheer van de VvVK,de BvVK en de Mannenbond voor Vrouwenkiesrecht. Deze tentoonstelling doet de bekendheid van de vrouwenkwestie nog verder toenemen.

1913

voorjaar

Voorstellen slechts inhoudende de uitbreiding van het mannenkiesrecht van het coalitie-ministerie-Heemskerk.

1913

4 mei

Protestbijeenkomst van vrouwen in de Dierentuin van Den Haag naar aanleiding van de beperkte kiesrecht-uitbreidngsvoorstellen van het coalitie-ministerie-Heemskerk.

1913

17 september

In de Troonrede van het nieuwe extra-parlementair kabinet-Cort van wordt voor het eerst melding gemaakt van vrouwenkiesrecht, in de vorm van de aankondiging dat de grondwettelijke belemmeringen voor de toekenning van kiesrecht aan vrouwen worden weggenomen. Aan mannen zal in ieder geval het algemeen kiesrecht worden toegekend. Tegelijk met de opening van de Staten Generaal vindt een “Stille Betoging” op het Binnenhof plaats 1000 vrouwen, voor de grondwettelijke gelijkstelling van man en vrouw.

1913

november

De Regering benoemt een commissie ter voorbereiding van een hervorming van het kiesrechtartikel in de Grondwet.

1914

15 februari

Landelijke bijeenkomst om een volkspetitionnement voor de grondwettelijke gelijkstelling van man en vrouw in te luiden in het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam. Dit petitionnement wordt gehouden met het oog op de op handen zijnde grondwetsherziening.

1914

De SDAP erkent de bond van Sociaal Democratische Vrouwenclubs als partijorganisatie.

1914

Tijdelijk stilliggen van acties voor vrouwenkiesrecht in verband met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Delen van VvVK vormen comité’s tot steun van de regering.

1915

Nederland blijft uit de oorlog, waardoor de wetgevende activiteiten en dus ook die ter verkrijging van het vrouwenkiesrecht weer hervat worden.

1915

22 september

Aanbieding Petitionnement, dat bestaat ui 7660 lijsten met 16.4696 handtekeningen.

1915

oktober

De voorstellen van de in 1913 ingestelde commissie worden bekend: hoewel mannen het algemeen kiesrecht krijgen, krijgen de vrouwen slechts het passieve kiesrecht.

1915

21 november

Landelijke meeting in Amsterdam ter inluiding van een grote actie om vrouwenkiesrecht alsnog in de voorstellen te krijgen.

1916

14 mei

“De Neutrale” (Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht) wordt opgericht naar aanleiding van een geschil binnen de VvVK over de te hanteren leuze voor de komende demonstratie en de deelnemende organisatie.

1916

De ARP neemt in haar beginselprogramma nog het gezinshoofdenkiesrecht op, in plaats van het individuele kiesrecht.

1916

18 juni

Grote landelijke demonstratie voor Vrouwenkiesrecht in Amsterdam, 18000 personen van vijftien organisaties nemen deel, waaronder de VVV, de VvVK, de BvVK, de mannenbond voor vrouwenkiesrecht, de Sociaal Democratische Vrouwenclubs en verder politieke partijen, vakverenigingen en andere "gemengde" organisaties.

1916

september

De Tweede Kamer neemt na de opening van de Staten Generaal de grondwetsherziening opnieuw in behandeling.

1916

De SDAP-er Troelstra dient een amendement op de grondwetsvoorstellen in om het vrouwenkiesrecht op te nemen in de grondwet, maar trekt het uiteindelijk toch weer in.

1916

19 september

Een vrouwenkiesrechtwacht wordt ingesteld op het Binnenhof, om de Kamer te herinneren aan de kiesrechteisen.

1916

18 oktober

2000-3000

Vrouwen van VvVK gaan in groepjes naar het Binnenhof in Den Haag en bieden een adres aan. Ook worden in 1916 echter petities aangeboden tegen het vrouwenkiesrecht.

1916

16 november

De grondwetsvoorstellen voor algemeen mannenkiesrecht worden door de Tweede Kamer aangenomen, die echter voor vrouwen slechts het passieve kiesrecht inhouden. Wel wordt een passage opgenomen die bepaalt dat de Kieswet de voorwaarden bepaalt of een vrouw mag stemmen of niet. De Kieswet blijft echter wel bepalen dat alleen mannen het actieve kiesrecht hebben. De vrouwenwacht op het Binnenhof wordt opgeheven, nu het actief vrouwenkiesrecht niet bereikt is.

1918

Suze Groenenweg (SDAP) wordt als eerste vrouw in de Tweede Kamer gekozen, als gevolg van het nieuwe passieve kiesrecht voor vrouwen, als enige van de in totaal 22 kandidaat gestelde vrouwen.

1918

Na het einde van de oorlog dient de vrijzinnig democraat mr. H. P. Marchant zijn al eerder ingediende wetsvoorstel in, behelsend het actieve kiesrecht voor vrouwen, op te nemen in de Kieswet.

1919

september

Het wetsvoorstel van Marchant wordt met 64 stemmen voor en 10 tegen aangenomen. Hiermee eindigt in praktijk de strijd voor het vrouwenkiesrecht, hoewel het formele kiesrecht voor vrouwen in de Grondwet nog niet vastgesteld is.

1922

29 december

Grondwetsherziening van man en vrouw een feit wordt en de kiesrechtstrijd formeel eindigt.

Bron: J.C. Schokking, De vrouw in de Nederlandse politiek. Emancipatie tot actief burgerschap, Assen, 1958, pp. 24-33.

W.H. Pothumis-van der Goot en A. de Waal (red.), Van moeder op dochter. De maatschappelijke positie van de vrouw in Nederland vanaf de Franse tijd, Nijmegen, 1977, repring van 3e druk 1968 (1e druk: 1948), pp. 92-161.

J. Blok, B. Tanja en M. van Tilburg, De vrouwenkiesrechtbeweging in Nederland, in: J. Blok en anderen (red.), Vrouwenkiesrecht en arbied in Nederland 1889-1919, Groningen, 1978, 2e druk, p. 93;

A. Boswijk en D. Couvée, Vrouwen vooruit! De weg naar gelijke rechten, Amsterdam, 1979, pp. 195-255; U. Jansz, Vrouwen ontwaakt. Driekwart eeuw sociaal-democratische vrouwenorganisatie tussen solidariteit en verzet, Amsterdam, 1983, p. 212.

M.H. Leijenaar, De geschade heerlijkyheid. Politiek gedrag van vrouwen en mannen in Nederland, 1918-1988, Amsterdam, 1989, pp. 22-28.

Voor een overzicht over de eerste feministische golf en groepen die zich inzetten voor het vrouwenkiesrecht, en uitgebreide overzichten over origineel bronnenmateriaal en secundaire literatuur, zie:

  • U. Jansz, Denken over sekse in de eerste feministische golf, Amsterdam, 1990.

Voor overige overzichten over de invoering van het algemeen vrouwenkiesrecht tijdens de eerste feministische golf, zie voorts nog:

  • J. Reys en anderen (red.), Zesde Jaarboek voor vrouwengeschiedenis (1985). De Eerste Feministische Golf, Nijmegen, 1985.

  • M. Braun en A. van Bers, Het vrouwenkiesrecht en de maritale macht, in: Nemesis, 1 (1985), pp. 224-231.

  • I. Polak (red.), „Geloof mij vrij mevrouw”. Een bloemlezing uit vrouwentijdschriften tussen 1870 en 1920, Amsterdam, 1984, met als één van de thema’s kiesrecht.

  • S. Poldervaart, Vrouwenstudies. Een inleiding, Nijmegen, 1983, pp. 27-29.

  • E.M.A. Gorissen, De verkiezingen van 1922 en het vrouwenkiesrecht, Doctoraalscriptie Rijksuniversiteit Leiden, Leiden, 1981.

  • A. Coutinho-Wiggelendam, Vrouwenemancipatie rond de eeuwwisseling en het verzet daartegen. Een vergelijkend onderzoek naar feminisme en anti-feminisme in Nederland in de periode 1870-1919, in: Tijdschrift voor Vrouwenstudies, 6 (1981), pp. 214-241.

  • W. Fritchy, Fragmenten vrouwengeschiedenis, deel 1, Den Haag, 1980, met name hoofdstuk 3.

  • D.H. Couvée en A. Boswijk, Vrouwen vooruit! De weg naar gelijke rechten, Amsterdam, 1979 (eerste druk 1968), met name hoofdstuk 7; (eenvoudig)

  • I. van Dongen, De eerste vrouwenbeweging, in: Een Tipje van de Sluier. Vrouwengeschiedenis in Nederland, deel 1, Amsterdam, 1978, pp. 72-79.

  • J. Blok, B. Tanja en M. van Tilburg, De vrouwenkiesrechtbeweging in Nederland, in: J. Blok en anderen (red.), Vrouwen, kiesrecht en arbeid in Nederland, 1889-1919, Groningen, 1978, 2e druk.

  • W.H. Posthumus-van der Goot en A. de Waal (red.), Van moeder op dochter. De maatschappelijke positie van de vrouw in Nederland vanaf de Franse tijd, Nijmegen, 1977, reprint van 3e druk 1968 (1e druk: 1948), met name hoofdstuk 8 tot en met 12.

  • J. Romein, Op het breukvlak van twee eeuwen. De westerse wereld rond 1900, Amsterdam, 1976, 2e druk, 2 delen (1e druk 1967).

  • T. Lloyd, Vrouwen in opstand, de internationale suffragettebegweging, Leiden, 1970; (eenvoudig)

  • J.C. Schokking, De vrouw in de Nederlandse politiek. Emancipatie tot actief burgerschap, Assen, 1958, met name hoofdstuk 3.

  • C. Pothuis-Smit, Van Olympe de Gouges tot Klara Zetkin. De geschiedenis van het algemeen vrouwenkiesrecht in de verschillende landen, Amsterdam, 1919.

  • A. Jacobs en F. van Balen-Klaar, Vrouwenkiesrecht, in C.M. Werker-Beaujon, C. Wichmann en W. H. M. Werker: Encyclopaedisch Handboek. De Vrouw, de Vrouwenbeweging en het Vrouwenvraagstuk, deel 1, Amsterdam, 1913, pp. 169-103.

Ter ere van 75 jaar vrouwenkiesrecht en het 100-jarig bestaan van de Vereniging voor Vrouwenbelangen is een boek uitgegeven over de geschiedenis van de Vereniging met daarin uitgebreid aandacht voor de strijd om het vrouwenkiesrecht.

  • M. Borkus e.a. Vrouwenstemmen, Walburg Pers, Zutphen, 1994.

Zie ook:

  • „Geschiedenis van het vrouwenkiesrecht”, serie artikelen in Openbaar Bestuur, 4 (1994), 1, pp. 2-15.

Voor diversen met betrekking tot vrouwenkiesrecht, zie onder andere:

  • J.M. Weststeijn, Stembevoegdheid van de gehuwde vrouw bij waterschapsverkiezingen, in: Waterschapsbelangen, 68 (1983), pp. 71-72. (Zie ook paragraaf 5.5).

  • P.D. Verburg, Kieswet, in: De Praktijkgids, 1981, pp. 533-537.