Inleiding

Met de term urbanisatie wordt een scala van verschijnselen aangeduid. Allereerst kan het gaan om het bevolkingsdeel in een gebied dat in steden woont. Dat gebied is in de regel bestuurlijk tot op grote hoogte zelfstandig, maar niet noodzakelijk een staat. Daaraan verwant is het gebruik van de term voor een proces waarbij het stedelijk deel van de bevolking groeit. Vervolgens wordt urbanisatie ook gebruikt om het karakter van een bijeenlevende bevolking of een nederzetting aan te duiden dan wel een bepaald veranderingsproces waarin zo’n eenheid is verwikkeld.

Bij al deze aanwendingen van het begrip draait het om een definitie van het begrip stad. Steden zijn historisch in Europa bestuurlijke eenheden met een eigen juridische positie op grond van hun afwijkende samenlevingsvorm. In Nederland geldt zo’n afwijkend bestuurlijk statuut nu niet meer. Steden zijn in de sociale wetenschappen van oudsher gezien als omvangrijke concentraties van mensen en activiteiten van uiteenlopende aard (in contrast met de onderlinge gelijksoortigheid van minder dichte verzamelingen boerenbedrijven). Grootte, dichtheid en heterogeniteit zijn de bepalende kenmerken van de stad. Een probleem daarbij is waar men de drempels legt. De stedelijke bestaanswijze zou ook eigen waarden, normen en houdingen met zich meebrengen.

De toegenomen mogelijkheden tot transport van mensen, goederen en informatie hebben intussen een dusdanige uitwaaiering van stedelijke activiteiten en bewoners tot gevolg gehad dat de apart herkenbare, traditionele, stedelijke vorm goeddeels teloor is gegaan. De stedelijke levenswijze met haar veronderstelde bijbehorende opvattingen is bovendien hier en daar zozeer doorgedrongen tot het overgebleven platteland dat vrijwel gehele samenlevingen, waaronder de Nederlandse, los van de vraag waar de inwoners precies verblijf houden, mentaal verstedelijkt heten te zijn. Echter, ook wel wordt beweerd dat in sommige grote, dichte en heterogene nederzettingen de typisch stedelijke mentaliteit teloor gaat.

Deze toenemende ongrijpbaarheid van het verschijnsel „stad” heeft op zijn beurt tot pogingen geleid het typisch stedelijke weer meer beperkt te omschrijven. Als kern ervan geldt dan de concentratie van zeer diverse voorzieningen, waarbij nu eens de nadruk op consumentendiensten dan weer op producentendiensten valt, de positieve opvattingen daarover en het intensief gebruik ervan. Tevens wordt het stedelijk milieu wel gezien als de broedplaats par excellence van culturele creativiteit en technologische innovatie in bepaalde perioden die daarvoor gunstige condities bieden. Ook onder invloed van de informatie-revolutie, waarbij fysieke vestigingplaats aan belang lijkt in te boeten, wordt dit perspectief niet opgegeven.

Zie voor deze discussies met betrekking tot Nederland:

  • J. Burgers, De gefragmenteerde stad, Rotterdam, 2001.

  • B. Colenbrander, De verstrooide stad, Rotterdam, 1999;

  • L. Brunt, Stad, Amsterdam/Meppel, 1996;

  • R.B. Jobse & S. Musterd, De stad in het informatietijdperk. Dynamiek, problemen en potenties, Assen, 1994;

  • P. Castenmiller en F. Knol, Convergentie en divergentie (Stedelijkheid/landelijkheid), Sociaal en Cultureel Planbureau, Rijswijk, 1989;

  • L. van den Berg, L. S. Burns en L. H. Klaassen (red.), Spatial cycles, Aldershot,1987;

  • A.C. Zijderveld, Steden zonder stedelijkheid. Een cultuur-sociologische studie van een beleidsprobleem, Deventer, 1983;

  • R. van Engelsdorp Gastelaars, Niet elke stadbewoner is een stedeling, Amsterdam, 1980;

  • A. Bours en J. G. Lambooy (red.), Stad en stadsgewest in de ruimtelijke orde, Assen, 1970;

  • A.K. Constandse, Het dorp in de IJsselmeerpolders; sociologische beschouwingen over de nieuwe plattelandscultuur en haar implicaties voor de planologie van de droog te leggen IJsselmeerpolders, Assen, 1960;

  • G. J. van den Berg, J. P. Thijsse en G. A. van Poelje, Nieuwe steden in Nederland? Het sociale, het ruimtelijke en het bestuurlijke aspect, Alphen aan den Rijn, 1957;

Enkele ankerpunten in de internationale discussie zijn:

  • P. Hall, Cities in civilization. Culture, innovation and urban order, Londen, 1999.

  • J. Garreau , Edge city. Life on the new frontier, New York,1991;

  • S. Sassen, The global city. New York, London, Tokyo, Princeton NJ, 1991;

  • M. Castells, The informational city; information technology, economic restructuring, and the urban-regional process, Oxford, 1989;

Urbanisatie is in Nederland lang uitgedrukt in een maat die in 1958 door het CBS is geïntroduceerd en in 1964 is toegepast voor de Volkstelling van 1960. De score wordt bepaald voor elke gemeente op grond van inwonertal en het aandeel van de agrarische beroepsbevolking. Ter gelegenheid van de Volkstelling 1971 zijn verdere maten uitgewerkt, waarbij de score van de gemeente niet alleen op basis van eigen kenmerken werd bepaald, maar bovendien de positie van de gemeente in grotere verbanden (vooral stadsgewesten) werd verrekend. Deze maten stellen veel hogere eisen aan de data en zijn alleen voor 1971 beschikbaar.

Een eenvoudiger variant waarbij gemeenten alleen naar eigen kenmerken zijn getypeerd is in de loop van de jaren negentig beschikbaar gekomen.

Het ontbreken van volkstellingsgegevens na 1971 noopt sedertdien tot het gebruik van diverse registertellingen, die bij het CBS beschikbaar zijn. Het Geografisch Basisregister dat alle adressen in Nederland bevat en jaarlijks wordt vernieuwd biedt hiervoor de grondslag. Sedert 1992 is de omgevingsadressendichtheid een essentieel onderdeel van de benoeming van gemeenten en andere ruimtelijke eenheden naar stedelijkheid geworden.

Zie:

  • H. Ottens, Terug naar de woonmilieus, in: J. Hauer en B. De Pater (red.), De charmes van het vak. Sociaal geografische opstellen voor Hans van Ginkel, Utrecht, 2001, pp.25-32.

  • H. Heida, C. Poulus, J. Brouwer, R. Gras, A. Oskamp, H. den Otter, R. van Til, Methodiek Nota wonen, Delft, 2000;

  • J.J. Harts, C. Maat, M. Zeylmans van Emmichoven, Monitoring stedelijke milieus: menging en dichtheid, Delft, 2000;

  • C.J. den Dulk, H. van de Stadt, J.M. Viegen, Een nieuwe maatstaf voor stedelijkheid: de omgevingsadressendichtheid, in: Maandstatistiek Bevolking, 1992, pp. 14-21;

  • K. Dignum, S. Musterd enW. Ostendorf, Woonmilieus in Nederland. Naar een geneste woonmilieutypologie, Amsterdam, 1991;

  • R. van Engelsdorp Gastelaars, W. J. M. Ostendorf en S. de Vos, Typologieën van Nederlandse gemeenten naar stedelijkheidsgraad, SISWO, Amsterdam, 1980;

  • Centraal Bureau voor de Statistiek, Typologie van Nederlandse gemeenten naar urbanisatiegraad, 31 mei 1960, Zeist, 1964;

In de stadsgeografie, maar ook in de stadssociologie, en in delen van de economische geografie, de vastgoedeconomie en de planologie staat de bestudering van het stedelijk verschijnsel centraal.

Zie voor enkele overzichten van de stadsgeografie met aandacht voor aanverwante disciplines:

  • R. A. Bruel en S. Musterd (red.), Stedelijke Netwerken: Onderzoek 1986-1993. Eindverslag van de Programmacommissie Stedelijke Netwerken, Utrecht, 1993.

  • F. M. Dieleman en R. van Engelsdorp Gastelaars, Urban change and conflict, in: A. G. J. Dietvorst en F. J. P. M. Kwaad (red.), Geographical research in the Netherlands, Netherlands Geographical Studies, 64, Amsterdam, 1988, pp. 150-160.

  • G.A. Hoekveld, Stadsgeografie, in: B. de Pater en M. Sint, Rondgang door de socialegeografie, Groningen, 1982, pp. 66-84;

  • W.F. Heinemeyer, De sociaal-geografische bemoeienis met stad en stedelijk systeem. Aperçu van de Nederlandse stadsgeografie sinds 1950, in: Geografisch Tijdschrift, 4 (1977), pp. 259-272;

Sedert het begin van de jaren negentig verschijnt jaarlijks een verslag van de inleidingen gehouden op de zogenaamde Stadsdag van NETHUR, de landelijke universitaire onderzoekschool op het terrein van het stedelijk onderzoek (www.nethur.geog.uu.nl). Sedert 1996 worden deze uitgegeven bij Van Gorcum, Assen. De Stadsdagen hebben steeds een thema dat in het beleid aan de orde is en waar onderzoek over loopt. Het eerste deel van de reeks bij Van Gorcum was:

  • F.M. Dieleman en H. Priemus (red.) De inrichting van stedelijke regio’s. Randstad, Noord-Brabantse Stedenrij, Ruhrgebied, Assen, 1996.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau (www.scp.nl) heeft sedert 1995 een doorlopend onderzoekprogramma op het terrein van de grote Nederlandse steden (Grote steden en openbaar bestuur). De trend werd gezet in:

  • H.C. van der Wouden, De beklemde stad. Groot-stedelijke problemen in demografisch en sociaal-economisch perspectief, Rijswijk, 1996.

Grote delen van Nederland zijn al zeer lang in aanzienlijke mate verstedelijkt. In 1525 telde het graafschap Holland 17 stadjes (geen ervan had meer dan 25.000 inwoners); 44% van de Hollandse bevolking woonde daar. Aan het einde van de Gouden Eeuw in 1675 waren er 23 steden en stadjes waar 61% van de Hollandse bevolking woonde. Amsterdam, nu verreweg de grootste, telde circa 200.000 inwoners. Elders in het land woonde in deze periode ongeveer een kwart van de bevolking in stedelijke nederzettingen. De stedelijke vorm was een voorwerp van aanhoudende zorg voor de lokale besturen, die zich veel moeite getroostten om enige orde in het stedelijk leven aan te brengen. De Nederlandse uitstrooi van steden is onderdeel van de Europese stedelijke ruggengraat die zich vanaf de Romeinse tijd aftekent van Noord-Italië via de Rijnoevers tot in de Lage Landen. Het karakteristieke hoefijzervormige patroon van steden in het westen van het land (Utrecht-Amsterdam-Haarlem-Leiden-Den Haag-Delft-Rotterdam) is als zodanig door stedebouwkundigen in de jaren tussen de wereldoorlogen herkend en als Randstad benoemd. Het vaderschap van de uitdrukking zou toebehoren aan KLM-directeur Plesman. Sinds 1960 behoort de Randstad tot de kern van de Nederlandse planningdoctrine inzake de ruimtelijke ordening.

Zie:

  • P. Hohenberg en L.H. Lees, The making of urban Europe 1000-1994, Cambridge Mass, 1995.

  • Faludi en A. van der Valk, Rule and Order: Dutch planning doctrine in the twentieth century, Dordrecht, 1993;

  • A. van der Woud, Het lege land. De ruimtelijke orde van Nederland 1798-1848, Amsterdam, 1987.

  • M. Wagenaar en R. van Engelsdorp Gastelaars, Het ontstaan van de Randstad, 1815-1930, in: Geografisch Tijdschrift, 20 (1986), pp. 14-29;

  • J. de Vries, European urbanization 1500-1800, Londen, 1984;

  • G.H. Jansen, Een land van steden, het spoor van de tod: cultuurgeschiedenis van de Hollandse stad tot 1900, Den Haag, 1984;

  • A.M. van der Woude, Demografische ontwikkeling van de Noordelijke Nederlanden 1500-1800, in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden: deel 5, Nieuwe Tijd, Bussum, 1980, pp. 102-168;

  • E. Taverne, In ‘t land van belofte: in de nieue stad. Ideaal en werkelijkheid van de stadsuitleg in de Republiek 1580-1680, Maarssen, 1978;

  • G.L. Burke, Greenheart Metropolis: Planning the Western Netherlands, Londen, 1966;

  • G.L. Burke, The making ofDutch towns, Londen, 1956;

Steden zijn tot de industriële revolutie ontstaan bij vestigingsplaatsen van politieke (Den Haag) en religieuze macht (Utrecht), als concentratie van dienstverleners gericht op de voorziening van een omliggende plattelandsbevolking (Alkmaar) en als knooppunten van routes, stapelmarkten en concentraties van nijverheid ter bewerking van goederen, die deel uitmaakten van circuits van lange afstandshandel (de functies die Amsterdam zich aan het eind van de zestiende eeuw toeëigende waardoor het een wereldstad werd). De industriële revolutie heeft nieuwe bevolkingsconcentraties in het leven geroepen rond vindplaatsen van industriële grondstoffen en energiebronnen (geen spectaculaire Nederlandse voorbeelden) en goedkope arbeid (Eindhoven).

In de huidige periode bloeien steden bovendien nog op wanneer zij zich een dominerende positie bij de uitwisseling van informatie tussen onderdelen van het stedelijk netwerk op wereldschaal weten te verwerven. Dit vindt zijn uitdrukking in de aanwezigheid van hoofdkwartieren van internationaal opererende bedrijven, van internationale organisaties of van belangrijke financiële beurzen. In principe kan een dergelijk knooppunt worden gecreëerd in nieuwe nederzettingen waar een aantrekkelijk verblijfsklimaat tot stand is gekomen dat invloedrijke personen en functies aantrekt (in Nederland is geen goed voorbeeld), maar meestal betreft het al oudere steden die op het punt van de nieuwe vestigingsplaatsvoorwaarden een voorsprong hebben weten te verwerven. Wat Nederland betreft wordt vooral gekeken in hoeverre de Randstad of Amsterdam (en omstreken) als Nederlandse stad met nog steeds de grootste internationale functie, in het Europese netwerk van steden een vooraanstaande positie weet te behouden.

Zie:

  • R.C. Kloosterman en B. Lambregts, Clustering of economic activities in polycentric urban regions: the case of the Randstad, in: Urban Studies 38, 4, (2001), pp. 713-728.

  • P.J. Taylor en M. Hoyler, The spatial order of European cities under conditions of contemporary globalisation, in: Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie 91, (2000), pp. 176-189;

  • J. Bosman en M. de Smidt, The geographical formation of international management cntres in Europe, in: Urban Studies 30, 6, (1993), pp. 967-980;

  • Geografisch Tijdschrift, 5 (1991). Themanummer Europese steden, pp. 417-536;

  • M. de Smidt, De Randstad in internationaal perspectief, Stedelijke Netwerken Werkstukken, 21, Utrecht, 1990;

Elk land kent een zekere traditionele regionale verscheidenheid. Die is niet van alle tijden, maar onderdelen van een samenleving hebben zich gedurende lange tijd zo los van elkaar ontwikkeld dat verschillen in velerlei opzicht vanzelfsprekend zijn. De vorming van krachtige staten met een toenemend aantal functies heeft in veel opzichten voor meer homogeniteit binnen landsgrenzen gezorgd. Communicatiebarrières zijn geslecht, het niveau van onderlinge uitwisseling is gegroeid, uniforme regelingen zijn getroffen, er bestaat meer overeenstemming van opvattingen. Geheel verdwenen zijn de regionale verschillen daarmee niet. Wat als belangrijke verschillen worden gezien en wat niet, komt ook in een ander licht te staan waar herverdeling ten behoeve van een minder ongelijk verdeelde welvaart een nadrukkelijk onderdeel van staatsingrijpen wordt.

De Nederlandse samenleving is zeker vanaf het midden van de negentiende eeuw betrokken in een krachtig proces van verdere eenwording. Zeker naarmate de overheidsvoorzieningen in de twintigste eeuw toenamen, betekende dit ook een steeds nadrukkelijker onderscheid tussen de Nederlandse samenleving en de buurlanden. Vooral in de grensstreken is dit proces van toenemende oriëntatie op eigen land en groeiende culturele onderscheidbaarheid duidelijk geweest. Tegelijkertijd bleef de Nederlandse samenleving verwikkeld in tal van internationale contacten, vooral in de grote steden in het westen. Deze openheid is de laatste tientallen jaren met de opbloei van de Europese Gemeenschap steeds sterker geworden. Zij betreft steeds grotere delen van het land en leidt tot nieuwe over de grenzen reikende oriëntaties.

Met name locaties langs de grens raken daar nu extra in betrokken. In het kader van de Europese Unie bestaat al langer het streven naar de vorming van Euregio’s. In de grensstreken worden daarenboven nu ook nog eigen initiatieven ontwikkeld. Dit is in de laatste jaren tot onderwerp van onderzoek gemaakt in de Faculteit Managementwetenschappen van de Katholieke Universiteit Nijmegen.

In de regionale geografie heeft men zich altijd tot taak gesteld de verscheidenheid binnen landen te portretteren. De natuurlijke gesteldheid komt daarbij aan de orde voor zover van belang geacht om de sociale en economische verscheidenheid te kunnen duiden. Regio’s worden onderscheiden op basis van een zekere mate van interne ruimtelijke gelijkheid (bijvoorbeeld een zone met veel tuinbouw of een gebied met een bevolking met lage inkomens) of van intensieve onderlinge betrekkingen (bijvoorbeeld regionale arbeids- of woningmarkten; men spreekt dan wel van functionele regio’s). Waar de onderlinge betrekkingen een polaire structuur hebben, wordt van een nodale regio gesproken (bijvoorbeeld het herkomstgebied van het personeel van een concentratie van werkgelegenheid zoals de Rotterdamse havens of Schiphol). Ook in Nederland bestaat op het gebied van de regionale geografie enige traditie.

Zie:

  • B. C. de Pater, G. A. Hoekveld en J. A. van Ginkel (red.), Nederland in delen. Een regionale geografie, Houten, 1989 (2 delen).

  • H. Knippenberg en B. C. de Pater, De eenwording van Nederland. Schaalvergrotingen integratie sinds 1800, Nijmegen, 1988;

  • H. J. Keuning, Het Nederlandse volk in zijn woongebied, Den Haag, 1946 (herziene herdrukken in 1965 en in 1970);

  • G. J. A. Mulder, Handboek der geografie van Nederland, Zwolle, 1945-1959 (6 delen);

  • W.W. Reijs, Nederland zoals het was, zoals het is, Baarn, 1940 (bijgewerkte herdrukken tot 1970) ;

  • H. Blink, Nederland en zijne bewoners, Amsterdam, 1890-1892 (3 delen);

  • R. Schuiling, Aardrijkskunde van Nederland, Zwolle, 1884 (herdrukken tot in de jaren dertig);