Zoneringen

De Nederlandse landschappen zijn zeer sterk beïnvloed door menselijke ingrepen. In vroeger tijden sloten deze ingrepen aan bij de natuurlijke gesteldheid (hoogte, reliëf en bodem). Zo werd geleidelijk een groot aantal landschapstypen gecreëerd. De landbouw (ook de behoefte aan extra grond door middel van droogmakerijen) speelde hierin de grootste rol, maar ook behoefte aan brandstof (turf), zand voor stedelijke uitbreiding (vooral van Amsterdam), bescherming tegen wateroverlast voor de samenleving als geheel en aanleg van een verkeersinfrastructuur (wegen en kanalen) waren van belang. In de negentiende eeuw was de variatie maximaal. Gedurende de twintigste eeuw zijn de ingrepen toegenomen in intensiteit en schaal. Daarbij is een tijdlang minder dan vroeger aangesloten bij de natuurlijke gesteldheid en de daarop geënte bestaande landschappen. De variatie van de Nederlandse landschappen is daardoor zienderogen afgenomen. Het verzet daartegen wint geleidelijk aan kracht. Hier liggen de oudste wortels van de huidige milieubeweging.

De variëteit in natuurlijke gesteldheid heeft in de eerste plaats betrekking op hoog (of minder laag) en laag Nederland. Het onderscheid betreft ruwweg het noorden en westen tegenover het oosten en zuiden van het land. Behalve de uitlopers van de Ardennen in de vruchtbare, met löss bedekte heuvels van Zuid-Limburg met aan de noordrand hun steenkoolvoorraden in de ondergrond, bestaat het hogere deel van Nederland vooral uit zandbodems. Deze zijn geleidelijk ontgonnen, eerst vooral door veeboeren, daarna vanuit nederzettingen met akkers in de onmiddellijke omgeving die bemest werden met behulp van het vee en de omliggende woeste grond. De Drentse es is een bekende variant. De oude duinrand aan de binnenzijde van de Hollandse kust is vanaf de zestiende eeuw voor een deel afgegraven om dichter bij het grondwater te komen en zo de beste omstandigheden voor bloembollenteelt te scheppen.

Het lage deel van Nederland bestaat voor het grootste deel uit zee- en rivierkleibodems. Een groot deel van deze bodems is pas vrij laat in de geschiedenis gevrijwaard tegen overstromingsgevaar. Het rivierkleigebied is vanaf de hogergelegen randen bewoond geworden. Tussen 1000 en 1300 na Christus werden de voornaamste rivieren bedijkt. Vroege bewoners van het zeekleigebied wapenden zich tegen overstromingen door het opwerpen van heuvels zoals de Friese terpen. De organisatie van bedijking en inpoldering, gevolgd door een eerste inrichting van het land, heeft veel sporen in het landschap achtergelaten. Deze organisatie is in de loop der tijd zeer sterk gewijzigd van initiatiefnemende kloosterorden in de vroege middeleeuwen via risiconemende particulieren in de zeventiende eeuw tot de overheid met een toenemende greep op de inrichting vanaf de negentiende eeuw. Uiteraard is de technologische ontwikkeling (van keersluis, via windwatermolen, stoom- en elektrisch gemaal tot de halfdoorlatende Oosterscheldedam) ook van doorslaggevende invloed op het ontstaan van deze landschappen geweest.

De exploitatie van de veengronden, gevormd op de zeeklei door de resten van natuurlijke vegetatie, vooral in het latere Hollands-Utrechts weidegebied en in delen van het noorden (zowel hoogveen – een dik veenkussen waar vegetatie los van het grondwater kan groeien – als laagveen) zijn aanvankelijk onder leiding van bestuurders, die de rechten op het land hadden, vanaf de vroege middeleeuwen in gang gezet. Later zijn de ontginningen door particuliere investeerders voortgezet. Vanaf een weg of een centrale vaart, waarlangs de ontginners zich vestigden, werden in een rechte hoek een aantal evenwijdige sloten gegraven die het veen ontwaterden. De agrarische bedrijfsvoering kon beginnen, of men besloot de veenlagen voor turfwinning te exploiteren. Bij agrarisch gebruik zakte de veenbodem door wateronttrekking, door het steken van turf werd deze eveneens aangetast. Sommige van deze landschappen verdwenen al vroeg door overstroming vanuit zee en werden later als droogmakerijen met zeekleibodems opnieuw in gebruik genomen, andere werden gedeeltelijk omgezet in zoetwaterplassen en in weer andere bleef het veenontginningslandschap min of meer in stand.

Het bewaren van cultuur-historisch waardevol geacht landschap is nu ook tot onderwerp van beleid gemaakt. Bovendien wordt de laatste jaren in de ruimtelijke ordening steeds meer nadruk gelegd op het vrijmaken van ruimte voor de „functie natuur” en voor de „functie water”. Het afkondigen van een ecologische hoofdstructuur heeft als doel aaneengesloten gebieden verspreid over het hele land in zoveel mogelijk ongerepte staat te laten functioneren. Voor het toekomstig waterbeheer wordt tijdelijk of permanent een grote hoeveelheid ruimte noodzakelijk geacht om toenemende waterafvoeren beter beheersbaar te maken. Gezamenlijk zullen deze verschillende initiatieven moeten leiden tot behoud en versterking van de landschappelijke verscheidenheid in het hele land die door de modernisering van de twintigste eeuw sterk is verminderd. De resulterende zoneringen zullen voor een belangrijk deel teruggrijpen op een eerder patroon, maar daarnaast met name in de nieuwe wijze van waterbeheer tot nieuwe landschapsvorming leiden. In de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening is het in de afgelopen jaren ter zake ontwikkelde beleid samengevat.

Zie:

  • Ruimte maken, ruimte delen. Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening, Den Haag, 2001.

  • Ministeries OCW, LNV, VROM & V&W, Belvedere: Beleidsnota over de relatie cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting, Den Haag, 1999;

  • W. ten Brinke en Chr. de Jong, Het Nederlandse landschap, Meppel, 1987;

  • J. I. S. Zonneveld, Levend land. De geografie van het Nederlandse landschap, Utrecht, 1985 ;

  • J. A. J. Vervloet, Inleiding tot de historische geografie van de Nederlandse landschappen, Wageningen, 1984;

  • Spectrum Atlas van de Nederlandse landschappen, Utrecht/Antwerpen, l979;

Heel Nederland is dichtbevolkt. Uitgestrekte zones met leeggelopen of onontgonnen platteland zijn vrijwel afwezig. Wordt Nederland ingedeeld in vierkanten van 750 bij 750 meter, dan is in 87% van alle vierkanten van zo’n lage dichtheid sprake dat men van buitengebied spreekt. Maar in die buitengebieden zijn verdichtingen bijna nooit ver. Problemen met het op peil houden van voorzieningen doen zich niettemin voor. Een zeker inzicht geeft de spreiding van het basisonderwijs. In 6% van de woonkernen in Nederland is de dichtstbijzijnde basisschool minstens drie kilometer ver. In die kernen bevindt zich 0,5% van de vier- tot twaalfjarigen. De grote meerderheid van de betreffende kernen ligt in de drie noordelijke provincies. Overigens worden deze problemen niet per definitie steeds erger. Zo nam het aantal kleine kernen (50-3000 inwoners) waar in het geheel niet meer van aansluiting op het openbaar vervoer sprake is in de tweede helft van de jaren negentig met enkele procenten af (van 15 naar 12%).

Bevolking en activiteiten zijn betrekkelijk dun gezaaid in de drie noordelijke provincies en in grote delen van Zeeland, er zijn sterke concentraties in de Randstad en in enkele uitlopers daarvan naar het zuiden en het oosten. Het grootste deel van bevolking en activiteiten bevindt zich in een situatie tussen deze extremen in.

Het westen van het land is verreweg het dichtst bevolkt. De beide Hollanden en de provincie Utrecht hebben een tweemaal zo hoog percentage bebouwd oppervlak (vooral wonen en daaraan direct gerelateerde bestemmingen) als de rest van het land. Daarenboven vindt men er ongeveer tweemaal zoveel woningen per eenheid bebouwd oppervlak. Het hoge aantal woningen per oppervlakte-eenheid wordt enigszins gecompenseerd door een wat geringer aantal bewoners per woning, maar dit verschil is aan het afnemen. In het westen bedraagt de dichtheid nu ongeveer 900 inwoners per vierkante kilometer tegen ongeveer 300 inwoners per vierkante kilometer in de rest van het land.

Het verschil in dichtheid tussen het westen en overig Nederland is lange tijd een hoofdmotief van het ruimtelijke-ordeningsbeleid geweest. Er werd gestreefd naar een gelijkmatiger bevolkingsspreiding, te bereiken door aanzienlijke migratiestromen vooral vanuit het westen naar het noorden op gang te brengen. In feite is de bevolkingsspreiding over Nederland op het niveau van landsdelen gedurende de laatste anderhalve eeuw niet spectaculair veranderd. Het aandeel van de drie westelijke provincies lag steeds rond 40%. Wel veranderden de componenten van de demografische groei soms sterk uiteenlopend. De binnenlandse migratie naar het westen was sterk in de jaren vijftig maar veranderde daarna van richting en zwakte af. Intussen kwam de immigratie uit het buitenland vooral naar het westen op gang. In het beleid inzake de ruimtelijke ordening bestaat thans geen doelstelling meer om de bevolkingsspreiding tussen de landsdelen te wijzigen.

Wij zagen al eerder dat de urbanisatiegraad in de verschillende landsdelen van meet af aan verschillend is geweest. Binnen de landsdelen wordt de spreiding van de bevolking steeds meer uniform. Langzamerhand woont een steeds groter deel van de bevolking, nu twee derde, in kleine en middelgrote, stedelijke en suburbane gemeenten tussen 20 000 en 100 000 inwoners. In de periode na 1960 heeft een sterke uitstroom uit de grote steden plaatsgevonden in de richting van het platteland in de wijde omtrek. Rond 1980 is een groot deel van die migratie gericht geweest op de zogenaamde groeikernen. Thans wordt gepoogd zoveel mogelijk van de nieuwbouw binnen en in de onmiddellijke omgeving van de grote steden te realiseren.

  • M. Bontje, The challenge of planned urbanisation, Amsterdam, 2001.

  • F.M. Dieleman, M.J. Dijst en T.J. Spit, Planning the compact city: the Randstad Holland experience, in: European Planning Studies 7, 1999, pp. 605-621;

  • F.M. Dieleman & S. Musterd (red.), Voorbij de compacte stad?, Assen, 1999;

  • A. Faludi en A. J. van der Valk, De groeikernen als hoekstenen van de Nederlandse ruimtelijke planningdoctrine, Assen/Maastricht, 1990;

  • J.L.T. Blank e.a., School en schaal, Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag, 1990;

  • H.F.L. Ottens, Verstedelijking en stadsontwikkeling. Een geografische analyse van aktuele problemen, tendensen en beleidsoverwegingen, Assen/Maastricht, 1989;

  • P. P. P. Huigen en M. C. H. M. van der Velden (red.), De achterkant van verstedelijkt Nederland. De positie en functie van landelijke gebieden in de Nederlandse samenleving, Nederlandse Geografische Studies, 89, Amsterdam/Utrecht, 1989;

  • H. Knippenberg, Tussen beleid en conjunctuur: de spreiding van de Nederlandse bevolking in de periode 1955-1987, in: Geografisch Tijdschrift, 22 (1988), pp. 193-207;

  • E. W. Hofstee, Korte demografische geschiedenis van Nederland van 1800 tot heden, Bussum, 1981;

  • H. Knippenberg, De demografische ontwikkeling van Nederland sedert 1800: een overzicht, in: Geografisch Tijdschrift, 14 (1980), pp. 54-76;

De Nederlandse agrarische bedrijvigheid heeft in de verschillende delen van het land een ander aanzien. Traditioneel is de bodemgesteldheid van invloed, maar deze is geleidelijk aan door de nieuwe landbouwtechnologie in belang teruggedrongen. Daarnaast hebben commerciële overwegingen steeds meer hun stempel op gewaskeuze, produktiewijze en type veeteelt gedrukt. Rond 1870 karteerde W.C.H. Staring twaalf stelsels, vooral bepaald door de keuze tussen pure veeteelt (vooral laag Nederland rond de Zuiderzee) en akkerbouw al dan niet met enig vee en de wijze van braaklegging om bodemvruchtbaarheidsverlies tegen te gaan. De agrarische depressie in de jaren daarna leidde tot meer nadruk op de veeteelt. In de twintigste eeuw werden de kastuinbouw, de snijbloemen- en bloembollenteelt en de intensieve veehouderij steeds belangrijker en ontwikkelde Nederland zich tot een van de grootste exporteurs van agrarische produkten in de wereld. De kastuinbouw heeft zich naast het kerngebied in het Westland in nieuwe produktiegebieden elders in het land gevestigd (bijvoorbeeld rond Venlo). De intensieve veehouderij speelt zich onder andere af in Oost-Brabant, de Achterhoek en de Gelderse Vallei. Al deze activiteiten brengen ernstige milieuproblemen met zich mee. De diverse typen veehouderij zijn de laatste jaren geconfronteerd met ingrijpende ziekteverschijnselen.

Wijzigingen in de kaderstelling van de Europese landbouwpolitiek maken ingrijpende wijzigingen in de landbouw in de komende jaren onvermijdelijk. De hoeveelheid agrarische grond daalt al vanaf de jaren zeventig en dit zal ook in de komende tijd geleidelijk doorgaan. De totale hoeveelheid agrarische grond zal binnen korte tijd verminderen tot beneden de omvang op het eind van de negentiende eeuw ondanks de forse uitbreidingen als gevolg van de inpoldering van de Zuiderzee.

Zie:

  • P.P.P.Huigen, P. Groote & T. Haartsen (red.), Claiming rural identities, Assen, 2000.

  • Raad voor het Landelijk Gebied, Geleid door Kwaliteit, Interimadvies over landelijke gebieden en de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening, Den Haag, 1999;

  • Ministerie VROM, Structuur Groene Ruimte, Den Haag, 1992;

  • Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Grond voor keuzen, vier perspectieven voor de landelijke gebieden in de Europese Gemeenschap, Den Haag, 1992;

  • H. Hetsen en M. Hidding, Landbouw en ruimtelijke organisatie in Nederland, Wageningen, 1990;

  • J. H. M. Maas, Landbouw en ruimte. Theorie en praktijk van de agrarische locatie, Assen/Maastricht, 1984;

Nederland industrialiseerde laat. Een snelle groei van de bedrijvigheid vond plaats rond 1900. Deze groei zette nog door tot 1930 en bracht een steeds meer uitgesproken patroon van regionale variatie tot stand dat tot na de wederopbouwperiode, volgend op de Tweede Wereldoorlog, zichtbaar bleef. Dit patroon werd bepaald door de goede verkeersligging voor scheepsbouw, overige metaalindustrie en verwerking van tropische gewassen vooral langs het Noordzeekanaal en langs de Nieuwe Waterweg, Noord en Merwede; door de aanwezigheid van goedkope arbeid voor textiel-, schoenen-, sigarenen lampenfabricage vooral in Twente en Noord-Brabant; door de aanwezigheid van aan bederf onderhevige agrarische produkten voor de zuivelindustrie vooral in Friesland; en door de lokale aanwezigheid van delfstoffen vooral in Zuid-Limburg (kolen) en Oost-Drente (turf). Op deze zelfde plaatsen (met uitzondering van Oost-Drente, maar wel in Oost-Groningen) trof men in 1930 ook de modernste industriële bedrijvigheid van die tijd: veel personeel en een hoge mechanisatiegraad.

Na 1963 hebben zich in het patroon van de industriële bedrijvigheid belangrijke wijzigingen voltrokken. Veel van de lang gevestigde concentraties verdwenen of doorliepen pijnlijke processen van herstructurering die ze vrijwel onherkenbaar veranderden. Dit gold voor de scheepsbouw, de textiel en de mijnbouw. In de loop van de naoorlogse periode hadden zich, mede dank zij een actief overheidsbeleid op het gebied van de regionale industrialisatie, tal van bedrijven buiten de bestaande concentraties gevestigd. De overheid had ook een actief aandeel in de wijziging van het patroon van bedrijvigheid in herstructurerende gebieden als Zuid-Limburg. Als gevolg van het selectieve proces van verval en het eveneens selectieve proces van uitbreiding, is het nieuw ontstane regionale patroon van typen industriële bedrijvigheid veel minder regionaal verscheiden dan eerder het geval was. Resten van het oude mozaïek zijn echter nog steeds zichtbaar.

Als aandeel van de werkgelegenheid is de betekenis van de industrie in grote delen van het westen van het land gedaald tot minder dan 15%, elders is het nog aanzienlijk (vaak 30%, oplopend tot 40%). In absolute aantallen arbeidsplaatsen is het zwaartepunt van de Nederlandse industrie enigszins naar het zuiden verplaatst. In de provincie Brabant bevindt zich nu circa 20% van de industriële arbeidsplaatsen. Langs de Nieuwe Waterweg, Merwede en Noord en langs het Noordzeekanaal vindt men in elk van beide concentraties nog steeds circa 10% van de industriële arbeidsplaatsen. De Twentse industrie is nu van aanzienlijk minder gewicht evenals die in Zuid-Limburg en die in het noorden.

Zie:

  • E. Nijhof, Industrialisatie en regionale identiteit, in: C. van Eijl, L. Heerma van Voss, P. de Rooy (red.), Sociaal Nederland. Contouren van de twintigste eeuw, Amsterdam, 2001, pp. 171-186.

  • O.A.L.C. Atzema & E. Wever, De Nederlandse Industrie. Positie, Spreidingen uitdaging, Assen, 1994;

  • J. A. de Jonge, De industrialisatie in Nederland tussen 1850 en 1914, Nijmegen, 1976;

  • J. Winsemius, Vestigingstendenzen van de Nederlandse nijverheid op grond van de beroepstelling 1930, Den Haag, 1949 (2 delen);

Verreweg het grootste deel van de werkgelegenheid in Nederland bevindt zich in de dienstensector. Deze sector is echter een zeer verscheiden geheel van activiteiten. Traditioneel behoort tot de dienstverlening het winkelbedrijf, dat goederen aan de consument levert, de groothandel, het transport tussen producent en consument en de overheid (met uitzondering van haar schaarse produktietaken). Sterk uitgebreid zijn de overheids- en semi-overheidsdiensten in het kader van de uitbouw van de verzorgingsstaat (onderwijs, gezondheidszorg) en de zakelijke dienstverlening. Als kern van de dienstverlening worden steeds meer de produktie en uitwisseling van informatie gezien.

In de Randstad heeft de economie het sterkst een dienstenkarakter. De aandelen van zowel de commerciële als de niet-commerciële dienstensector zijn in de Randstad het hoogst. In de Randstad heeft de dienstensector bovendien het sterkst een commercieel karakter. In de centrale steden is de niet-commerciële dienstensector relatief wat sterker terwijl in de omliggende gemeenten de nadruk meer op de commerciële dienstensector ligt. Dit is een van de vele tekenen van deconcentratie in de stedelijke gebieden die verderop nog aan de orde zal komen. Een laatste kenmerk van de dienstensector in de Randstad is het sterk internationale karakter.

Zie:

  • O. Atzema, Netwerksteden: net van werksteden, in: F. Dieleman & S. Musterd (red.), Voorbij de compacte stad, Assen, 1999, pp. 121-140.

  • W.J.J. Manshanden, Zakelijke diensten en regionaal-economische ontwikkeling: de economie van nabijheid, Amsterdam, 1996;

  • M. de Smidt, Bedrijfsprofiel van de Randstad. Winnende en verliezende milieus, in: P. Hooimeijer e.a. (red.), De Randstad: balans van winsten verlies. Deel 1, Stedelijke Netwerken, Utrecht, 1991, pp.17-34;

  • J. Buursink, De dienstensector in Nederland. Een geografisch portret, Assen/Maastricht, 1985;

De voornaamste culturele verschillen in Nederland waren tot voor kort van godsdienstige aard. Nederland ligt op de breuklijn tussen Rome en Reformatie. Dat tekent zonder twijfel een van de meest dominante culturele onderscheidingen die men er lange tijd kon aantreffen. Binnen het niet-roomse deel van de bevolking vielen tal van verschillen op te merken, die de godsdienstige verscheidenheid van de Nederlandse bevolking verder verfijnden. Tot de Tweede Wereldoorlog kende Nederland een niet-christelijke godsdienstige groepering, de joden, die al eeuwen hier te lande gevestigd was, voornamelijk in Amsterdam. Zie voor bijzonderheden over de joden B0975. Na de herorganisatie van het kerkelijk leven in de negentiende eeuw en het geleidelijk functieverlies van de kerkelijke instituten, begon een massale toename van de onkerkelijkheid, langzaamaan vanaf het einde van de negentiende eeuw en sprongsgewijs in de jaren twintig en vanaf 1960. Dit verminderde de godsdienstige verscheidenheid, ondanks minder dominante tendensen tot herleving en hergroepering in kerkelijke en andere religieuze verbanden. De vervolging van de joden tijdens de Duitse bezetting decimeerde deze bevolkingsgroep. In de overgebleven groep deden zich ook processen van enerzijds secularisatie en „ontkerkelijking” en anderzijds van herleving van de religieuze identiteit voor. Zie voor ontkerkelijking ook B1600.

De godsdienstige breuklijn Rome-Reformatie, die uit het twaalfjarig bestand in de tachtigjarige oorlog voortvloeide, heeft met een enkele uitzondering het onderscheid in katholiek en protestant vastgelegd in een Noord-Zuid tweedeling. In de loop van de negentiende eeuw is binnen het protestantisme steeds duidelijker een tweedeling in orthodoxen en vrijzinnigen uitgekristalliseerd, waarbij de orthodoxen van noordoost (ongeveer tot op de grens tussen Friesland en Groningen) naar zuidwest (de Zeeuwse eilanden) als een sjerp over het land kwamen te liggen. De synodaal gereformeerden en hun afsplitsing, de vrijgemaakten, bevinden zich vooral in het noordelijk deel ervan, de orthodoxen die binnen de Hervormde Kerk zijn gebleven en de bevindelijke orthodoxen die zich in eigen gemeenten hebben georganiseerd, in het zuiden van deze band. De vrijzinnigen waren vooral te vinden in Groningen en Drente en delen van Friesland en in Noord-Holland. Daarnaast waren er stedelijke elitegroeperingen (remonstranten, lutheranen) van vrijzinnige signatuur. Over het tijdstip waarop deze tweedeling zijn beslag kreeg, bestaat geen duidelijkheid (zie ook B0900 en B0950). Zowel orthodoxen als vrijzinnigen kwamen in een aantal onderscheiden kerkgenootschappen en organisaties van gemeenten terecht. Ook binnen de centrale Nederlands Hervormde Kerk kristalliseerden zich meer orthodoxe en meer vrijzinnige richtingen uit. De onkerkelijkheid is het verst voortgeschreden in stedelijke milieus, in van oudsher vrijzinnige streken. De Nederlands Hervormde kerk en de (synodale) Gereformeerde Kerken en de Lutheranen zijn thans de weg naar hereniging ingeslagen („Samen op Weg”); dit proces loopt uiterst stroef, vooral vanwege onenigheid binnen de Nederlands Hervormde Kerk. Dit slaat het meest aan in die delen van het land waar alle kerken aanwezig zijn en zich in een duidelijke getalsmatige minderheidssituatie bevinden.

Naast deze „autochtone” culturele verscheidenheid is de laatste tientallen jaren sprake van nieuwe migrantengroeperingen die zich in een aantal culturele opzichten (waaronder godsdienst) en in sommige gevallen ook in uiterlijk vooralsnog van de meerderheid van de bevolking onderscheiden. Deze nieuwe immigranten zijn in het algemeen sterk geconcentreerd in de grote steden. Velen van hen – vooral Turken en Marokkanen – zijn islamiet. Getalsmatig is de islam nu de vierde godsdienstige gezindte in het land. Overigens bestaat onder islamieten een grote verscheidenheid in geloofsbeleving en wijze waarop de godsdienst geïnstitutionaliseerd is. Onder de Surinaamse immigranten treft men behalve christenen en moslims ook Hindoestanen aan met een relatieve concentratie in Den Haag (zie voor bijzonderheden over de Islam B0975).

Nederland kent een toenemend aantal omgangstalen en een steeds verder opdringen van het Engels in gespecialiseerd onderling verkeer. Als officiële taal is er, naast het Algemeen Beschaafd Nederlands: het Fries. Oude streekgebonden eetgewoonten, klederdrachten en dergelijke zijn nu veel minder uitgesproken dan vroeger het geval was.

Zie:

  • H. van Solinge en M. de Vries (red.), De Joden in Nederland anno 2000. Demografisch profiel en binding aan het jodendom, Amsterdam, 2001.

  • H. Knippenberg, De religieuze kaart van Nederland. Omvang en geografische spreiding van de godsdienstige gezindten vanaf de Reformatie tot heden, Assen/Maastricht, 1992;

  • W. A. R. Shadid en P. S. van Koningsveld, Moslims in Nederland. Minderheden en religie in een multiculturele samenleving, Alphen aan den Rijn, 1990;

  • J.M.M. van Amersfoort en H. van der Wusten, De cultuurgeografie van Nederland na 1945, in: B. C. de Pater e.a. (red.), Nederland in delen. Een regionale geografie. Deel 1, Houten, 1989, pp. 83-104;

  • J. Jobse-Van Putten, Met nieuwen tijd, komt nieuw (w)eten, in: Volkskundig Bulletin, 13 (1987), pp. 1-29;

  • Ph. J. Muus, Migration, minorities and policy in the Netherlands. Recent trends and developments, SOPEMI Netherlands, Amsterdam, (jaarlijks vanaf) 1985;

  • O. A. L. C. Atzema en J. Buursink, Regionale spreiding en binnenlandse migratie van mediterranen in Nederland, in: Geografisch Tijdschrift, 19 (1985), pp.113-132;

  • A. Feitsma, Why and how do the Frisian language and identity continue?, in: E. Haugen, J. D. McClure en D. Thomson (red.), Minority languages today, Edinburgh, 1981, pp. 163-176;

  • W. Voster, De cultureel-geografische indeling van Nederland. Een beredeneerde hiërarchie van culturele gebieden en centra, Rotterdam, 1967;

Op het Meertens Instituut (www.meertens.knaw.nl) is de expertise op het gebied van de variatie in taal en cultuur binnen Nederland gebundeld.