Stad, stadsgewest, stedelijk veld

Nederland heeft een rijke stedelijke traditie: zij is lang en verscheiden. Het hoofdpatroon van steden in het land ligt al eeuwen vast, maar er zijn wel wat aanvullingen geweest. De al genoemde negentiende en vroeg-twintigste eeuwse bevolkingsconcentraties rond mijnbouw en industriële nijverheid behoren ertoe net als de rond 1970 door de overheid aangewezen groeikernen, waarvan sommige tot ware steden uitgroeien (Almere, Hoofddorp in Haarlemmermeer, Zoetermeer, Capelle aan de IJssel, Nieuwegein). Maar sommige, vroeger prominente steden zijn later naar de achtergrond verdwenen (Franeker, Elburg). Enkele maken als toeristische trekpleister nu trouwens weer een renaissance door (Medemblik, Zierikzee).

Zie:

  • H. F. L. Ottens, Verstedelijking en stadsontwikkeling. Een geografische analyse van aktuele problemen, tendensen en beleidsoverwegingen, Assen/Maastricht, 1989.

  • M. C. Deurloo e.a., Zicht op de Nederlandse stad; sociaal-geografische bijdragen over de bevolkingsgroei, stadsgewest-vorming en ekonomische ontwikkeling, Haarlem, 1981;

  • G. A. van der Knaap, A spatial analysis of the evolution of an urban system: the case of the Netherlands, Rotterdam, 1978;

De verscheidenheid van steden naar functie en niveau was van oudsher bepaald door de omvang en relatieve aandelen van economische activiteiten, door communicatiepatronen en door bestuurlijke centraliteit. Sommige steden waren in het bijzonder actief als centra voor het omliggende platteland. Andere daarentegen oefenden ook functies uit ten opzichte van veel grotere gebieden of fungeerden als knooppunt in netwerken van lange-afstandscontacten. Met de industrialisatie kwam er een nieuwe oorzaak van stadsvorming bij. Bij de overgang naar een diensteneconomie gelden weer de eerdere redeneringen, maar de aard van de diensten is natuurlijk ingrijpend gewijzigd. Er is in Nederland een zeer langdurig proces van herverdeling van functies aan de gang waardoor de verschillen tussen steden op een aantal gebieden afnemen. Dit is voor de industrie, ook voor de geavanceerde takken van nijverheid, verder voortgeschreden dan voor de moderne diensten. Op de verschillen in omvang van die dienstensector en op de relatieve nadruk op hun internationale karakter is de huidige stedelijke verscheidenheid binnen Nederland vooral nog gebaseerd. Religieuze centrale functies spelen geen rol van betekenis meer bij de bepaling van het karakter van een stad. Met de bestuurlijke centrumfunctie is dat wel het geval. Alle provinciale hoofdsteden springen er, ook vergeleken met andere soortgelijke steden in dezelfde regio, uit als extra geprofileerde dienstencentra. Dat geldt niet alleen voor de niet-commerciële maar ook voor de commerciële diensten.

Nederland kent geen zeer dominant stedelijk centrum. Amsterdam heeft die rol enkele eeuwen vervuld, maar zelfs toen waren de centrale bestuursfuncties er niet gevestigd. In de negentiende eeuw is de overheersende positie van Amsterdam verloren gegaan. Het bedrijfsleven in Amsterdam en zijn onmiddellijke omgeving is nog wel steeds het meest internationaal georiënteerd samen met het Rotterdamse bedrijfsleven. In Rotterdam is de industriële functie ook nog steeds belangrijk. Amsterdam onderscheidt zich door de nadruk op de activiteiten die gekoppeld zijn aan de financiële markten, terwijl in Rotterdam de internationale goederenhandel centraal staat. In Den Haag ligt de nadruk op de centrale overheid, in Utrecht op de voor de Nederlandse markt werkende zakelijke diensten van commerciële aard.

Er is in Nederland geen plek waar de voornaamste functies zijn samengebald, geen concentratie van kantoren met zeer veel hogere onroerend-goedprijzen dan elders, waar door de sterkste partijen op de markt om gewedijverd wordt, geen door de centrumvorming in het algemeen in gang gezette grootschalige centrum-periferieverdeling. De meest in het oog springende gebeurtenis van de laatste jaren die niettemin mogelijk in zo’n centraliserende richting wijst, is de verplaatsing van het hoofdkantoor van Philips van Eindhoven naar Amsterdam. Er is dus ook geen ver voortgeschreden ontwikkeling in de richting van een zogenaamde „world city” met onbeheerste polarisering tussen sociale categorieën en grootschalige segmentatie. De vingerwijzingen in die richting zijn nog beperkt. De schaal waarop de betreffende verschijnselen (absolute aantallen en ruimtelijke concentraties kansarmen) zich afspelen, is in elk van de voornaamste steden bescheiden.

De herstructurering van het Nederlandse bedrijfsleven is gepaard gegaan met tendensen tot vertrek uit de stedelijke centra. Voor zover de industriële nijverheid daar ooit gevestigd was, is de tendens om deze op bedrijfsterreinen aan de buitenkant van stedelijke bebouwing te concentreren al lang aan de gang. Ook kantoren met commerciële functies zijn steeds meer naar de stadsrand of naar buiten gegaan. Er vindt een concentratie van dergelijke activiteiten plaats in de buurt van een aantal aantakkingen en kruispunten van het nationale snelwegennet. Dit lijkt op bescheidener schaal op de voor de Verenigde Staten beschreven ontwikkeling van „edge cities”.

Er is in antwoord daarop een debat gaande over de wenselijkheid van concentratie van zoveel mogelijk activiteiten langs geconcentreerde assen van grootschalige infrastructuur, de zogenaamde corridors. Eveneens worden al een aantal jaren pogingen gedaan om kantoorfuncties in de traditionele stadscentra, bij voorkeur in de nabijheid van stations, vast te houden of nieuw te vestigen. Dit is echter beslist niet de dominante trend.

In de traditionele centrale steden bestaat een meer dan gemiddelde werkloosheid. Het ongeschoolde werk waar betrokkenen op waren aangewezen is vaak geheel verdwenen. Soms is het nog wel beschikbaar, maar bevindt het zich nu buiten de stad. Waar de buitenrand van de centrale steden nieuwe werkgelegenheid aantrekt, biedt deze in het algemeen weinig mogelijkheden voor de achtergebleven laag geschoolden in de centrale steden. Op enige schaal is hier sprake van een ruimtelijke arbeidsmarktparadox, waarbij geschoolde werknemers van buiten naar de nieuwe banen komen en de mogelijkheden die er voor de ongeschoolden zijn, zich buiten de traditionele steden bevinden. Maar in Nederland betreft het slechts flauwe afspiegelingen van wat zich op dit terrein in de Verenigde Staten voordoet.

De scherpte van het probleem is met de verbetering van de arbeidsmarkt in de jaren negentig afgenomen, maar het is nog steeds aanwezig. Bij langduriger vertraging van de economische groei zal het ongetwijfeld opnieuw prominent aan de orde komen.

Zie:

  • R. van der Wouden en E. de Bruijne met K. Wittebrood, De stad in de omtrek. Problemen en perspectieven van de vier grootstedelijke gebieden in de Randstad, Rijswijk, 2001.

  • E. Wever (ed.), Cities in perspective I. Economy, planning and the environment, Assen, 1999;

  • R.C. Kloosterman, Double Dutch: trends of polarisation in Amsterdam and Rotterdam after 1980, Regional Studies, 30, (1996), pp. 367-376;

  • R.C. Kloosterman, Amsterdamned: The rise of unemployment in Amsterdam in the 1980s, in: Urban Studies, 31, (1994), 1325-1344;

  • J. O’Loughlin, Between Sheffield and Stuttgart. Amsterdam in an integrated Europe and a competitive world-economy, CGO Publications, Amsterdam, 1992;

  • L. van der Laan, Spatial labour markets in the Netherlands, Delft, 1991;

  • C. A. Bargeman, E. Lensink, L. van der Laan en O. A. L. C. Atzema, De structuur en dynamiek van de beroepsbevolking in de Randstad, Stedelijke Netwerken Werkstukken, 29, Rotterdam/ Utrecht, 1991;

  • De sterkte van de grote steden, VNG Studie, nr. 9, Den Haag, 1989;

  • B. C. M. Alders en P. A. de Ruyter, De ruimtelijke spreiding van kansrijke ekonomische activiteiten in Nederland; vooronderzoek, Apeldoorn/Delft, 1984;

  • E. Wever, Nieuwe bedraven in Nederland, Assen, 1984;

Het ruimtebeslag van stedelijke functies is de laatste tientallen jaren versneld uitgedijd. Dat geldt nog eens extra wanneer men daar de voor stedelijke recreanten ingerichte gebieden bijtelt. Dit komt door de algehele verstedelijking van de samenleving en doordat alle functies meer ruimte vergen. Het toenemende ruimtebeslag van elke stedelijke eenheid brengt met zich dat daarbinnen nieuwe centrumvorming gaat optreden. De traditionele stedelijke centra worden één onder meerdere per stedelijk gebied.

Daarnaast lopen stedelijke gebieden steeds meer in elkaar over. Nederland verandert daarmee langzamerhand van een land met een dicht patroon van steden, via een land met een lange reeks rond stedelijke centra uitgegroeide stadsgewesten, naar een stedelijk veld. Deze ontwikkeling is in het westen wat verder voortgeschreden maar geldt voor het grootste deel van het land, zij het wat bescheidener in het noorden.

In het Nederlands stedelijk veld treden wel toenemende differentiaties van woonmilieus op: naar huishoudtype en binnen de centrale steden ook naar etnische status, minder naar leeftijd, hier en daar naar inkomen. In vergelijking met het buitenland geldt nog steeds dat de onderlinge verschillen tussen woonmilieus klein zijn. De inkomensverschillen zijn in Nederland nu eenmaal bescheiden en de uitgebreide sociale woningbouwsector heeft voor een grote mate van menging naar inkomenshoogte gezorgd.

De Nederlandse ruimtelijke ordening heeft er altijd sterk voor geijverd ongebreidelde uitwaaiering van steden over het platteland te voorkomen. Het beoogde ruimtebeslag voor wonen is steeds bescheiden geweest. Er is steeds gestreefd naar het behoud van het zogenaamde Groene Hart aan de binnenzijde van de Randstad en aanvankelijk ook naar de vorming van groene bufferzones tussen de verschillende stedelijke eenheden die deel uitmaken van de Randstad. Er is vervolgens gestreefd naar concentratie van de vertrekkende bevolking uit de grote steden in zogenaamde groeikernen in plaats van in uitwaaierende bebouwing van het platteland. Daarna is gepoogd compacte steden te realiseren met concentratie van de nieuwbouw in de nabijheid van de grote steden (VINEX-locaties). Dit beleid is bij de voorbereiding en met het uitbrengen van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening opnieuw in discussie geweest. Daarbij wordt voorgesteld via een stelsel van rode en groene contouren domeinen voor de diverse vormen van grondgebruik vast te leggen. Dit is echter omstreden.

Daarvoor zijn verscheidene redenen. De aard van de woningvraag en de toenemende marktconformiteit in de volkshuisvesting zullen dwingen tot nieuwbouw met zeer aanzienlijk ruimtebeslag. De benodigde ruimten voor grote bouwlocaties zijn nauwelijks nog te vinden zonder in strijd te komen met eerdere en thans nog beleden uitgangspunten. Daar komt nog bij dat de bevolking nog steeds groeit. Dit zal het beslag op de grond van woningbouw en aanverwante functies nog verder vergroten.

De Nederlandse ruimtelijke ordening is lang hecht verbonden geweest met de woningbouw. Het vermogen om sturing te geven aan de spreiding van bedrijvigheid en infrastructuur is altijd gering geweest. De laatste jaren is opnieuw aan de orde gesteld hoe de ruimtelijke ordening zich tot de diverse sectorale belangen moet verhouden.

Zie:

  • F. Knol, F. van Dugteren, Ruime kavel of compacte stad? SCP Werkdocument 77, Rijswijk, 2001.

  • G. Bolt, Wooncarrières van Turken en Marokkanen in ruimtelijk perspectief, Utrecht, 2001;

  • R. van Kempen en H. Priemus, Undivided cities in the Netherlands: present situation and political rhetoric, in: Housing Studies 14, (1999), pp. 641-657;

  • Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Ruimtelijke ontwikkelingspolitiek, Den Haag, 1998;

  • M.C. Deurloo en S. Musterd, Ethnic clusters in Amsterdam, 1994–1996: a micro-area analysis, Urban Studies 35, ( 1998), pp. 385-396;

  • S. Musterd en W. Ostendorf (red.) Urban segregation and the welfare state. Inequality and exclusion in western cities, Londen, 1998;

  • R. Boomkens, B. van Delden, L. de Klerk, S. Musterd, Yap Hong Seng, R. van der Wouden, Stad zonder horizon. Stadspolitiek en stedelijke ontwikkeling in Nederland, Amsterdam, 1997;

  • M. Breebaart, S. Musterd en W. Ostendorf, Etnische segregatie en beleid. Een internationale vergelijking, Amsterdam, 1996;

  • P. Tesser, C. van Praag, F. van Dugteren, L. Herweijer, H. van der Wouden, Rapportage Minderheden 1995; Concentratie en segregatie, Rijswijk, 1995;

  • A. Hoogvliet, Wijken in beweging. Bevolkingsdynamiek en wooncarrières in vroeg-20ste-eeuwse woongebieden, Utrecht, 1992;

  • J. Vijgen en R. van Engelsdorp Gastelaars, Een gevarieerd bestaan. Het gebruik van tijd en ruimte in het dagelijks leven van enkele „oude” en „nieuwe” groepen binnen de Nederlandse bevolking, Stedelijke Netwerken Werkstukken, 28, Amsterdam, 1991;

  • S. Musterd, Dynamiek in randstedelijke woonmilieus: urbanisatie en suburbanisatie, in: S. Musterd en P. Hooimeijer (red.), De Randstad: balans van winst en verlies, deel 2, Stedelijke Netwerken, 1991, pp. 93-108;

  • R. van Kempen, S. Musterd en W. Ostendorf (red.), Maatschappelijke verandering en stedelijke dynamiek, Volkshuisvesting in theorie en praktijk, 30, Delft, 1991;

  • O.A.L.C. Atzema, Stad uit, stad in. Residentiele suburbanisatie in Nederland in de jaren zeventig en tachtig, Nijmegen, 1991 ;

  • W. J. M.Ostendorf, Het sociaal profiel van de gemeente. Woonmilieudifferentiatie en de vorming van het stadsgewest Amsterdam: het ruimtepk beleid van een achttal gemeenten na de Tweede Wereldoorlog, Amsterdam, 1988;

De traditionele stadscentra zijn al met al vaak danig van karakter veranderd. Ze zijn hier meer, daar minder het domein van jongeren als woonplaats en plek van vertier geworden. Een uitgebreid en sterk toegenomen aantal diensten voor vermaak, horeca, kunst, (fun)shopping, wordt er aangeboden. De lokale jongerencultuur mengt er zich met een aanzienlijk aantal toeristen, vaak eveneens jeugdig. Symbolisch is misschien de hasjkoffieshop, tot voor kort het wereldwijde handelsmerk van Amsterdam, thans aanwezig tot in de kleinste centrumplaatsen (1500 in totaal in Nederland). Voor het overige bieden de stadscentra aantrekkelijke woon- en verblijfsmilieus voor beter gesitueerden met een hang naar uitbundige deelname aan het culturele leven en het verblijf in de openbaarheid. Er ontstaan bij voldoende deelname gespecialiseerde milieus zoals de homoscene. In Amsterdam is deze ontwikkeling het verst voortgeschreden. De vermaaksfunctie was er relatief altijd al krachtig ontwikkeld, maar zij is nu lokaal dominanter dan ooit tevoren. Bovendien is Amsterdam onmiskenbaar toonaangevend wat betreft het aanbod van toeristische trekpleisters, internationale congressen, hotelkamers en voorstellingen. De openbare ruimte biedt er het nadrukkelijkst plaats aan nieuwe vormen van vertoon. Het vrije klimaat spreekt kennelijk een ruim publiek aan, maar het sociale leven kent een achterkant die bestaat uit vandalisme en andere vormen van kleine criminaliteit en drugsoverlast en erupties van zinloos geweld.

Zie:

  • L. Deben, W.F. Heinemeijer en D. van der Vaart, Understanding Amsterdam. Essays on economic vitality, city life and urban form, Amsterdam, 2000 (2e gewijzigde en uitgebreide druk).

  • I. van Aalst, Cultuur in de stad, Utrecht, 1997;

  • R. Verhoeff, De weg naar de podia: ruimtelijke aspecten van het bezoek aan podiumkunsten in Nederland, Utrecht, 1993;

  • G. Molenaar, Randstad in gebruik. Een sociaal-geografsche analyse van het gebruik van enkele publieke voorzieningen in de Randstad, Utrecht, 1992;

  • J. Burgers (red.), De uitstad. Over stedelijk vermaak, Utrecht, 1992;

  • A. C. M. Jansen, Cannabis in Amsterdam. Een geografie van hashish en marijuana, Muiderberg, 1989;

  • F. Bovenkerk en L. Brunt (red.), De andere stad. Achter de façade van de nieuwe stedelijke vitaliteit, Stedelijke Netwerken Werkstukken, 16, Amsterdam/Utrecht, 1989;

  • P. W. Blauw (red.), Ruimte voor openbaarheid, Den Haag, 1989;

  • E. van Kempen, Amsterdam als centrum van cultuurproductie, in: Geografisch Tijdschrift, 16 (1982), pp. 380-393,

Het bestuur van steden is vanwege de wijzigingen van de stedelijke vorm en functie een voortdurende bron van zorg. In Nederland bestaat geen apart stedelijk bestuur. Gemeenten hebben overal dezelfde bevoegdheden, hoewel sommigen in de praktijk meer invloed hebben (bijvoorbeeld bij het landsbestuur) dan andere. In Nederland zijn stedelijke gemeenten ook niet meegegroeid met de uitbreiding van het feitelijk verstedelijkte grondgebied. Vooral in Den Haag en Utrecht hebben zich wat dat betreft knelpunten voorgedaan, die na zeer langdurige bestuurlijke processen nu voorlopig tot een oplossing zijn gebracht. In Nederland zijn de gemeenten voor hun inkomsten nog steeds in verregaande mate afhankelijk van de nationale overheid. Er wordt wel voor gepleit gemeentebesturen verantwoordelijk te maken voor een groter deel van de eigen inkomsten om zo een lokaal beleid gericht op het stimuleren van produktieve activiteiten (die dergelijke inkomsten kunnen genereren) in de hand te werken. In het verlengde daarvan ligt de discussie over publiek-private samenwerkingsverbanden en lokaal corporatisme.

Van tijd tot tijd laait de discussie op over bovengemeentelijke nieuwe bestuursvormen voor de grootste stedelijke concentraties in het land. Sectordepartementen proberen soms beheerstaken in handen te geven van regionale eenheden. Er zijn tenslotte continue pogingen tot co-producties van beleid tussen de diverse bestuurslagen. Een goed voorbeeld is het sedert 1994 gevoerde Grote Stedenbeleid.

Zie:

  • Raad voor het Openbaar Bestuur/Raad voor de financiële verhoudingen, Steden zonder muren: toekomst van het grote stedenbeleid, Den Haag, 2001.

  • R. van Kempen, Big cities policy in the Netherlands, Tijdschrift voor Sociale en Economische Geografie, 91 (2000), pp. 197- 203;

  • J. van der Veer, Omstreden stadsgrenzen. Een eeuw besluitvorming over annexaties en regionale besturen rond Amsterdam en Eindhoven, Delft, 1997;

  • P.J.F. Terhorst en J.C.L. van de Ven, Fragmented Brussels and consolidated Amsterdam; a comparative study of the spatial organization of property rights, Amsterdam, 1997;

  • W.F. Heinemeijer en H. van der Wusten, Van stedebouw tot procesarchitectuur; de pogingen tot bestuurlijke herinrichting en het wetenschappelijk onderzoek, in: P.H. Pellenbarg (e.a.) (red.) Reisgenoten. Liber amicorum Prof. dr. W.J. van den Bremen, Utrecht, 1996, pp. 201-210;

  • V. Veldheer, Kantelend bestuur, Rijswijk/Den Haag, 1994;

  • H. Priemus en H. van der Wusten, Bestuurlijke en ruimtelijke inrichting van de Randstad, Delft, 1993;

  • H. Priemus en H. van der Wusten (red.), Het raadsel van de Randstad. Kanttekeningen bij bestuur en inrichting van het Westen des lands, Bundel stadsdag 1992, Stedelijke Netwerken, Utrecht, 1992;

  • E. ter Borg en G. J. Dijkink, Strijd en hegemonie. De beleidsfilosofie rond stedelijke vernieuwing in Amsterdam en Den Haag, Stedelijke Netwerken Werkstukken, 39, Amsterdam, 1992;

  • A. M. Dekker, P. Terhorst en J. van de Ven, Bestuurlijk-territoriale geleding en belastinghervorming in groot-stedelijke gebieden. Nieuwe variaties op een oud thema, Stedelijke Netwerken Werkstukken, 33, Amsterdam, 1991;

  • Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Van de stad en de rand, Rapport 37, Den Haag, 1990;