Drugs en drugs­gerela­teerde criminaliteit

Drugs vormen om twee redenen voor criminologen een belangrijk fenomeen. De eerste is dat het produceren, verkopen of bezitten van sommige drugs bij de wet is verboden. De tweede reden is dat het gebruik, casu quo misbruik van sommige drugs als oorzaak wordt gezien van bepaalde vormen van crimineel gedrag. Zo verklaart de ontremmende werking van alcohol waarom deze stof zo’n grote rol speelt bij gewelds- en verkeerscriminaliteit. Geschat wordt dat in Westerse landen ongeveer de helft van de daders en slachtoffers van geweldscriminaliteit tijdens het plegen van het delict onder invloed van alcohol is. Ook gezinsgeweld en seksueel geweld worden dikwijls onder invloed gepleegd. Tenslotte blijkt dat ook bij vermogensdelicten nogal eens alcoholgebruik bij de dader wordt geconstateerd. Dit houdt verband met het feit dat alcoholgebruik de bereidheid risico’s te nemen doet toenemen.

Cocaïne en amfetamine hebben een ontremmende werking die crimineel gedrag kan bevorderen. Daarnaast geldt dat drugsgebruikers in landen waar drugsgebruik is verboden, crimineel gedrag plegen om aan het benodigde geld te komen. In dat geval spreekt men van verwervingscriminaliteit. Tenslotte is er uiteraard de criminele handel in verboden drugs.

In 1976 is de Opiumwet van 1928 ingrijpend gewijzigd op basis van de volgende uitgangspunten:

  • 1. 
    intensieve bestrijding van de handel in harddrugs en amfetaminen;
  • 2. 
    differentiatie tussen stoffen op lijst 1 met onaanvaardbare risico’s (opium, cocaïne, amfetamine, LSD) en de stoffen met aanvaardbare risico’s op lijst 2 (waaronder cannabisproducten);
  • 3. 
    vermindering van de criminalisering van het bezit van stoffen op lijst 1 voor eigen gebruik door dit feit als overtreding te rubriceren;
  • 4. 
    differentiatie tussen personen al naargelang hun betrokkenheid bij drugs, met name onderscheid tussen handelaren en gebruikers. Bij cannabisproducten geldt voor het verschil tussen handel en gebruik een grens van dertig gram. Voor de overige stoffen geldt als criterium „geringe hoeveelheid tot eigen gebruik”. Handelaren worden onderscheiden in handelaren in stoffen van lijst 1 en die van lijst 2.

De differentiaties tussen de stoffen (lijst 1 en lijst 2) en hoedanigheden (gebruiker of handelaar) zijn gekoppeld aan verschillende strafmaxima.

Het Nederlandse drugsbeleid zou men als nuchter en pragmatisch kunnen kenmerken, Het tracht de middenweg te vinden tussen de „war on drugs” en volledige legalisering. Verder wordt het Nederlandse drugsbeleid in vergelijking met sommige andere landen gekarakteriseerd door het streven naar een humane bejegening van de gebruikers. Er is een tendentie om drugsproblemen in de eerste plaats als een volksgezondheidsvraagstuk en niet als een probleem van justitie te zien. Preventie, voorlichting, hulpverlening en medische verzorging hebben prioriteit. In Nederland wordt reeds twintig jaar op grote schaal de vervangende drug methadon voorgeschreven. Tegen de handel, vooral de internationale en georganiseerde handel, wordt met strafrechtelijke middelen opgetreden. De sterke toename van de aantallen gedetineerden in Nederland is mede door dat beleid veroorzaakt.

Het aantal drugsverslaafden wordt in Nederland reeds lange tijd geschat op ca. 20.000 tot 25.000 verslaafden, waarvan tussen 6.000 en 7.000 in Amsterdam. Er is veel onderzoek verricht naar de samenhang tussen criminaliteit en verslaving. In de Nederlandse literatuur bestaat consensus over het feit dat ongeveer de helft van de verslaafden reeds met enige regelmaat delicten pleegde alvorens zij verslaafd raakten aan drugs. Dit gegeven wijst erop dat de criminaliteit van verslaafden slechts ten dele een gevolg is van verslaving. Veeleer komen zowel verslaving als de delinquentie voort uit een deviante levenswijze en/of problematische persoonlijkheid. Uit het onderzoek van Grapendaal e.a. (M. Grapendaal, Ed. Leuw en J.M. Nelen, De economie van het drugsbestaan. Criminaliteit als expressie van levensstijl en loopbaan, Gouda Quint, Arnhem, 1991) is gebleken dat het beschikbare geld de omvang en de aard van het gebruik bepaalt. Ook de verslaafde zet kennelijk de tering naar de nering. De meeste gebruikers zijn polydrugsgebruikers. Een veel voorkomende combinatie is heroïne en cocaïne. Belangrijk is verder dat ongeveer 20% van het totale inkomen wordt verworven door criminele activiteiten, terwijl 28% uit uitkeringen, 22% uit prostitutie en 18% uit deelname aan de verkoop van drugs afkomstig is. Ook de stereotiepe gedachte dat alle gebruikers hun drugs door criminele handelingen financieren, blijkt dus niet juist. In de onderzoeksgroep pleegde slechts 37% verwervingscriminaliteit.

De „coffeeshop-scene” is het logische gevolg van de wettelijke differentiaties tussen hard- en softdrugs en de daarmee verband houdende differentiaties bij opsporing en vervolging. De Nederlandse overheid streeft ernaar om de consumentenmarkten voor soft- en harddrugs gescheiden te houden. Door laagdrempelige verkooppunten voor cannabis te gedogen in jongerencentra en „coffeeshops” wordt een sociale barrière opgeworpen voor de verkoop van gevaarlijkere drugs. De verkoop van cannabis wordt op basis van het opportuniteitsbeginsel gedoogd, voorzover men aan de vijf criteria uit de coffeeshop richtlijn van 1991 voldoet: verkoop van niet meer dan 30 gram, geen handel in harddrugs, geen reclame, geen uithangborden, geen verstoring van de openbare orde en geen verkoop aan minderjarigen.

Sinds kort is het beleid in enkele gemeenten aangescherpt. Men probeert de hoeveelheid coffeeshops te reduceren en de resterende strenger te controleren, om de overlast, die volgens gemeenten van coffeeshops uitgaat, te beperken. Tevens wenst justitie de handel tussen hard- en softdrugs effectiever gescheiden te houden. Het meer stringente beleid heeft geleid tot een daling van het aantal coffeeshops tot onder de 1.300.

In de nota Het Nederlandse Drugbeleid; continuïteit en verandering, Tweede Kamer 1994–1995, nr. 24 077, nrs. 2-3 over het te voeren drugsbeleid volgen de ministers van Volksgezondheid en Justitie het gemeentelijke beleid: het aantal coffeeshops zal worden ingekrompen en er zullen strengere regels gelden. De limiet per klant in de coffeeshops wordt op 5 gram gesteld. Met de verlaging van 30 naar 5 gram hoopt men buitenlandse drugstoeristen te ontmoedigen. Als groot probleem wordt door velen gezien dat weliswaar de verkoop van kleine gebruikershoeveelheden cannabis wordt gedoogd, maar dat geen regeling is getroffen voor de aanvoer van de handelswaar (de voordeur-achterdeur paradox).

Het aantal geregistreerde Opiumwet-delicten vertoont een wat grillig beeld. Het lag in de periode 1980 tot 1990 tussen de 5.500 en 6.000. Daarna is het aantal gezakt tot 3.500 in 1995. In 1997 werden er 10.300 delicten geregistreerd. In 1998 waren dat er 7.700. Over de omvang van de drugshandel zeggen deze cijfers weinig omdat het aantal delicten dat wordt geconstateerd in hoofdzaak afhankelijk is van de geleverde opsporingsinspanningen. Zie verder:

  • J.J.M. van Dijk, H.I. Sagel-Grande en L. G. Toornvliet, Actuele criminologie, Lelystad, 1998, 3e druk, p. 284-291 (hoofdstuk 10).

  • Het Nederlandse Drugbeleid. Continuïteit en verandering, Tweede Kamer 1994–1995, nr. 24 077, nrs. 2-3;

  • W.R. Buisman en J.C. van der Stel, red., Drugspreventie. Achtergronden, praktijk en toekomst, Houten/Zaventem, 1992;

  • M. Grapendaal, Ed. Leuw en J.M. Nelen, De economie van het drugsbestaan. Criminaliteit als expressie van levensstijl en loopbaan, Arnhem, 1991;