Strafrechters

Strafrechters („de zittende magistratuur”) zijn werkzaam op drie niveaus:

  • bij arrondissementsrechtbanken als politierechters of als leden van de meervoudige kamer. Politierechters spreken alleen recht. Zij buigen zich over relatief lichte zaken. Zwaardere zaken komen terecht bij meervoudige kamers bestaande uit drie rechters. Arrondissementrechtbanken behandelen zaken in eerste aanleg;
  • bij de gerechtshoven werken raadsheren die met drie personen rechtspreken in hoger beroepszaken;
  • bij de Hoge Raad werken raadsheren die met drie of vijf personen rechtspreken in cassatiezaken.

Ieder van genoemde rechtbanken heeft een president en meerdere vice-presidenten, die ook rechters zijn.

De kritiek op de strafrechters neemt toe. Er is onder andere kritiek op te lange procedures, onvoldoende uitwerking van vonnissen, te weinig service en geringe specialistische kennis. Volgens een bekend Nederlands recept heeft een commissie zich gebogen over de problemen van de zittende magistratuur. Deze Adviescommissie toerusting en organisatie zittende magistratuur (naar haar voorzitter ook wel Commissie Leemhuis geheten) adviseerde in 1998 dat de zittende magistratuur een grotere eenheid moet gaan vormen onder leiding van een Raad voor de rechtspraak. Een advies dat grote overeenkomsten heeft met dat van de Commissie openbaar ministerie: het openbaar ministerie moest immers ook een grotere eenheid gaan vormen. In september 1999 zond de regering een voorontwerp van de Wet op de rechtspraak naar de rechterlijke macht met een verzoek om commentaar. Uit dit voorontwerp blijkt dat de regering kiest voor een strakke meer centrale organisatie van de zittende magistratuur met een Raad voor de rechtspraak. Het is de bedoeling dat deze raad de verantwoordelijkheid voor het budget voor de gerechten overneemt van de Minister van Justitie. Volgens het advies van een Commissie Interdepartementaal beleidonderzoek bedrijfsvoering rechtspraak dat op 16 juli 1999 naar de Tweede Kamer is verzonden, zouden de rechtbanken ook moeten gaan werken volgens het principe van prestatiegerichte bekostiging. In de memorie van toelichting van het voorontwerp van de Wet Raad voor de rechtspraak neemt de regering dit advies over. Meer vonnissen zouden dus in de toekomst meer geld per gerecht opleveren, minder vonnissen betekent een daling van de inkomsten voor een gerecht. Men vreest echter dat de onafhankelijkheid van de rechter op het spel staat door rechters via de Raad voor de rechtspraak zelf verantwoordelijk te laten zijn voor hun budget. In de oude situatie hoefden rechters zich over budgettaire aangelegenheden niet te bekommeren. Hun optreden stond vrij van financiële overwegingen. Via systemen met prestatiegerichte beloningen kan hier een einde aan komen. Door hen verantwoordelijk te maken voor hun eigen budget zou de „trias politica” geweld worden aangedaan. Zie:

  • T.M. Schalken, De maakbaarheid van het strafrecht. Over schijn en werkelijkheid bij de uitoefening van verantwoordelijkheden in de strafrechtspleging, in Delikt & Delinkwent 29 (1999) afl. 9, pp. 851-867.

  • J.P. Loof (red.), Onafhankelijkheid en onpartijdigheid. De randvoorwaarden voor de reorganisatie van de rechterlijke macht, Leiden, 1999;

  • Commissie interdepartementaal beleidsonderzoek bedrijfsvoering rechtspraak, Recht van spreken, 1999;

  • Contourennota modernisering rechterlijke organisatie, Rechtspraak in de 21e eeuw, Tweede Kamer 1998–1999, 26 352, nr. 2;

  • Adviescommissie toerusting en organisatie zittende magistratuur, Rechtspraak bij de tijd, 1998 (Commissie Leemhuis);

  • Ad Machielse, De rechter, in Jan Fiselier, Lodewijk Gunther Moor en Peter Tak (red.), De staat van justitie. Criminaliteit en strafrechtelijk bedrijf: een stand van zaken, Nijmegen, 1992, pp. 105-120;