Antwoorden op vragen GL over een integriteitsonderzoek voor relaties van politiesollicitanten (2989918190)

publicatie datum 2 november 1999
Kamer Tweede Kamer
beantwoordende ministerie Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
kamerleden F. (Femke) Halsema
T. (Tara) Oedayraj Singh Varma
partijen GroenLinks

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 1999–2000

Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

184

Vragen van de leden Halsema en Oedayraj Singh Varma (beiden GroenLinks) aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over een integriteitsonderzoek voor relaties van politiesollicitanten.(Ingezonden 13 september 1999)

1

Is het bericht van de

Registratiekamer1 waar, dat de relaties van politiesollicitanten – ook voor niet-vertrouwensfuncties – worden onderworpen aan een integriteitsonderzoek? Wordt dit ook aan de betrokkenen gemeld?

2

Is het waar dat een wettelijke basis voor deze onderzoeken ontbreekt? Zo ja, bent u het ermee eens dat dergelijke inbreuken op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen ontoelaatbaar zijn?

3

Sinds wanneer vinden deze integriteitsonderzoeken zonder wettelijke basis plaats? Hoe hebt u (of uw ambtsvoorganger) zich tot nogtoe op dit punt opgesteld?

4

Bent u bereid met onmiddellijke ingang het verrichten van integriteitsonderzoeken bij relaties van politiesollicitanten te doen staken, totdat ter zake in een zorgvuldig wetgevingsproces een afweging zal zijn gemaakt met betrekking tot de omstandigheden waaronder en de mate waarin dergelijke onderzoeken toelaatbaar en zelfs geboden zijn?

1 ANP, 9 september jl.

Antwoord

Antwoord van minister Peper (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties). (Ontvangen 27 oktober 1999), zie ook Aanhangsel Handelingen nr. 63, vergaderjaar 1999–2000

1/2/3

Onlangs heeft de plaatsvervangend voorzitter van de Registratiekamer mij op de hoogte gesteld van het feit dat de Registratiekamer regelmatig signalen uit de politiepraktijk ontvangt waaruit blijkt dat politiefunctionarissen en hun omgeving voorwerp zijn van een diepgaand screeningsonderzoek door het eigen korps, zonder dat dit onderzoek steunt op een expliciete formeel-wettelijke grondslag. In de brief wordt aangedrongen op korte termijn te bewerkstelligen dat aan de huidige onrechtmatige praktijk een einde komt, met name door over te gaan tot aanwijzing van vertrouwensfuncties op grond van de Wet veiligheidsonderzoeken. Het is mij niet bekend of de betrokkenen op de hoogte zijn gesteld van het feit dat zij onderwerp zijn van onderzoek. Reeds enige tijd is mijn ministerie met de politie in overleg over de screening van politiefunctionarissen,

onder andere over de vraag in hoeverre het aantal vertrouwensfuncties bij de politie zal moeten worden uitgebreid. Ook in dat overleg hebben mijn ministerie de afgelopen jaren af en toe signalen bereikt dat korpsen zich niet zouden houden aan de regelgeving met betrekking tot screening. Bovendien hebben de politieberaden de laatste jaren herhaaldelijk de wens geuit om te komen tot een door de korpsen zelf te bepalen en uit te voeren milieu- en antecedentenonderzoek voor alle politiefunctionarissen. In reactie hierop heeft het ministerie in het overleg met de politie over screening steeds nadrukkelijk het uitgangspunt gehanteerd dat moet worden aangesloten bij de bestaande wettelijke mogelijkheden. Daartoe behoort sinds 1998 de verplichting tot het antecedentenonderzoek. Zo zijn de korpsbeheerders bij brief van 20 december 1996 erop gewezen dat men zich dient te beperken tot toepassing van het vigerend wettelijk instrumentarium. Ook bij brief van 12 mei 1997 is de voorzitters van het Korpsbeheerdersberaad, de Raad van Hoofdcommissarissen en het Hoofdofficierenberaad bericht dat een formeel-wettelijke grondslag ontbreekt voor het eerder door hen voorgestelde, door de politie te bepalen en uit te voeren, milieu- en antecedentenonderzoek. Daarbij is gewezen op de Wet veiligheidsonderzoeken die een met waarborgen omklede procedure biedt

KVR10455 2989918190 ISSN 0921 - 7398 Sdu Uitgevers ’s-Gravenhage 1999

Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, Aanhangsel

381

voor het uitvoeren van een veiligheidsonderzoek waar een milieuonderzoek deel van uit maakt, en wordt er de voorkeur aan gegeven voor de screening van politiefunctionarissen aan te sluiten bij de mogelijkheden die het huidige wettelijke kader biedt. Thans zijn binnen het huidige wettelijke kader voor screening van aankomende politiefunctionarissen in aflopende zwaarte de volgende instrumenten beschikbaar:

Veiligheidsonderzoek Op basis van de Wet veiligheidsonderzoeken en de Politiewet 1993 kan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij de politie vertrouwensfuncties aanwijzen, waarbij afhankelijk van het veiligheidsrisico door of onder mandaat van de BVD een meer of minder diepgaand onderzoek wordt uitgevoerd. Een dergelijk onderzoek strekt zich ook uit tot directe relaties van betrokkene. Tot op heden zijn de functie van korpschef, de functies als bedoeld in artikel 18, tweede lid Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (RID) en de aspiranten bij de Nederlandse Politie Academie als zodanig aangewezen.

4

Het huidige wettelijk kader voor de screening van politiefunctionarissen acht ik vooralsnog toereikend en is met de benodigde waarborgen omkleed.

Thans bezie ik in hoeverre het aantal vertrouwensfuncties bij de politie dient te worden uitgebreid, mede met het oog op de noodzaak van onderzoek naar directe relaties van betrokkene. Daarbij gaat het om functies die de mogelijkheid bieden de veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat te schaden. Bovendien zal het aanwijzen van vertrouwensfuncties het sluitstuk dienen te zijn van een samenhangend pakket beveiligingsmaatregelen van organisatorische en materiële aard. Op korte termijn zal ik de korpsbeheerders hiertoe een voorstel doen. Tegelijkertijd zal ik hen nogmaals wijzen op de huidige wettelijke kaders, en erop aandringen dat eventuele andere vormen van screening onmiddellijk dienen te worden beëindigd. Uw Kamer zal ik een afschrift van deze brief doen toekomen.

Antecedentenonderzoek In het Besluit algemene rechtspositie politie is dit onderzoek, waarbij eventuele antecedenten van betrokkene zelf worden bezien, verplicht gesteld bij de aanstelling van alle politiefunctionarissen, met uitzondering van onderstaande categorie.

Verklaring omtrent het gedrag In afwijking van het bovenstaande met betrekking tot het antecedentenonderzoek kan het bevoegd gezag, ingevolge het gestelde in het Besluit algemene rechtspositie politie, bepalen dat bij de aanstelling van z.g. administratief-technisch personeel volstaan kan worden met een verklaring omtrent het gedrag van betrokkene.

Andere vormen van screening, waarvoor de ingevolge artikel 10 van de Grondwet vereiste formeel-wettelijke basis ontbreekt, vormen inderdaad een ontoelaatbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene of zijn omgeving en dienen derhalve niet plaats te vinden.

Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, Aanhangsel

382