Antwoorden op vragen SP over het zonder toestemming bewaren van bloed door het RIVM (2990011600)

publicatie datum 28 juni 2000
Kamer Tweede Kamer
beantwoordende ministerie Volksgezondheid, Welzijn en Sport
kamerleden J.M.A.M. (Jan) de Wit
partijen Socialistische Partij

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 1999–2000

Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

1439

Vragen van het lid De Wit (SP) aan de minister van Justitie over het zonder toestemming bewaren van bloed door het RIVM.(Ingezonden 29 mei 2000)

1

Beschikt het RIVM over een reglement waarin het beheer van de databank is geregeld en is vastgelegd onder welke voorwaarden en door wie deze databank mag worden geraadpleegd?

2

Voor welke medische doeleinden mag deze databank worden geraadpleegd en door wie?1

3

Is het uitgesloten dat het Openbaar Ministerie respectievelijk een willekeurige derde toegang kunnen krijgen tot deze databank?

Toelichting:

Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van het lid Hermann, ingezonden 25 mei jl. en van de leden Arib en Wagenaar, ingezonden 29 mei jl.

1 Trouw, 24 mei jl.

Antwoord

Antwoord van minister Borst-Eilers (Volksgezondheid, Welzijn en Sport), mede namens de minister van Justitie. (Ontvangen 22 juni 2000)

1

Voor de persoonsregistratie van het screeningslaboratorium van het RIVM is er een reglement vastgesteld als bedoeld in artikel 19 van de Wet persoonsregistraties (privacyreglement). Hiervan is mededeling gedaan aan de Registratiekamer. In dit reglement is vastgelegd door wie en onder welke voorwaarden het gegevensbestand mag worden geraadpleegd. Voor de opslag van de bloedmonsters wordt de volgende regeling gehanteerd.

Verzoeken om toegang tot de opslag van de bloedmonsters bij het RIVM voor medisch wetenschappelijke onderzoeksprojecten worden voorgelegd aan de Landelijk Begeleidings Commissies PKU en CHT. Deze commissies beoordelen of er voldoende waarborgen zijn voor «toestemming» indien het gaat om tot individuen herleidbaar onderzoek. Indien het gaat om prevalentieonderzoek, beoordelen zij de waarborgen voor de anonimiteit. Slechts na akkoord van genoemde begeleidingscommissies wordt toegang verleend tot de opslag van de bloedmonsters. Volledigheidshalve verwijs ik nog naar mijn beantwoording van vraag 4 van de leden Arib en Wagenaar

(Aanhangsel Handelingen nr. 1438, vergaderjaar 1999–2000). Het beoordelen van waarborgen van anonimiteit jegens de onderzoeker is slechts een deel van de rechten van de patiënt die gewaarborgd moeten zijn.

2

Zoals onder andere tot uitdrukking komt in mijn beantwoording van vraag 2 van het lid Hermann (Aanhangsel Handelingen nr. 1437, vergaderjaar 1999–2000) is de zgn. nacontrole het medische doel waarvoor raadpleging kan plaatsvinden.

3

In zijn algemeenheid kan worden opgemerkt dat indien er sprake is van een persoonsregistratie in de zin van de Wet persoonsregistraties gegevens kunnen worden doorgegeven aan derden. Meer in het algemeen kunnen gegevens uit een persoonsregistratie slechts in een beperkt aantal gevallen aan derden worden verstrekt zonder toestemming van de betrokkene, bijvoorbeeld wanneer een dergelijke verstrekking vereist is volgens een wettelijk voorschrift of wanneer dat gebeurt met de uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de geregistreerde.

Het RIVM kan gegevens verstrekken aan het Openbaar Ministerie voorzover het Openbaar Ministerie die gegevens behoeft voor de uitvoering van zijn taken en de persoonlijke levenssfeer van de

KVR11867 2990011600 ISSN 0921 - 7398 Sdu Uitgevers ’s-Gravenhage 2000

Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, Aanhangsel

3289

geregistreerde niet onevenredig wordt geschaad. Een dergelijke verstrekking dient achterwege te blijven indien een geheimhoudingsplicht daaraan in de weg staat. Voorts kan een officier van justitie gebruikmaken van de bevoegdheden tot inbeslagname die hem in het Wetboek van strafvordering worden toegekend. In casu vallen het opgeslagen lichaamsmateriaal en de bijbehorende gegevens onder het beroepsgeheim en het verschoningsrecht, waardoor de bevoegdheid van het OM om gegevens op te vragen wordt gestuit.

Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, Aanhangsel                             3290