Verslag - Voorstel van wet van de leden Koekkoek en Van Middelkoop houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot opneming van een bepaling over de Nederlandse taal

Dit verslag is onder nr. 4 toegevoegd aan wetsvoorstel 24431 - Initiatiefvoorstel Koekkoek/Van Middelkoop - Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot opneming van een bepaling over de Nederlandse taal i.

1.

Kerngegevens

Officiële titel Voorstel van wet van de leden Koekkoek en Van Middelkoop houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot opneming van een bepaling over de Nederlandse taal; Verslag  
Document­datum 06-06-1996
Publicatie­datum 12-03-2009
Nummer KST15028
Kenmerk 24431, nr. 4
Van Staten-Generaal
Commissie(s) Binnenlandse Zaken (BIZA)
Originele document in PDF

2.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 1995–1996

24 431

Voorstel van wet van de leden Koekkoek en Van Middelkoop houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot opneming van een bepaling over de Nederlandse taal

Nr. 4

VERSLAG

Vastgesteld 6 juni 1996

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen tijdig zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel genoegzaam voorbereid.

I. ALGEMEEN

1 Samenstelling:

Leden: Van Erp (VVD), V. A. M. van der Burg (CDA), Te Veldhuis (VVD), Van der Heijden (CDA), De Cloe (PvdA) voorzitter, Janmaat (CD), Van den Berg (SGP), Scheltema-de Nie (D66), ondervoorzitter, Apostolou (PvdA), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Zijlstra (PvdA), Van der Hoeven (CDA), Remkes (VVD), Gabor (CDA), Koekoek (CDA), Nijpels-Hezemans (Groep Nijpels), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Hoekema (D66), Essers (VVD), Dittrich (D66), Dijksman (PvdA), De Graaf (D66), Cornielje (VVD), Rouvoet (RPF), Rehwinkel (PvdA).

Plv. leden: Korthals (VVD), Dankers (CDA), Van Hoof (VVD), Bijleveld-Schouten (CDA), Liemburg (PvdA), Poppe (SP), Schutte (GPV), Jeekel (D66), Van Heemst (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), Vreeman (PvdA), Verhagen (CDA), Van der Stoel (VVD), Mateman (CDA), Mulder-van Dam (CDA), Van Wingerden (AOV), Rabbae (GroenLinks), Van Boxtel (D66), H. G. J. Kamp (VVD), Assen (CDA), M. M. van der Burg (PvdA), Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD), Leerkes (U55+), Van Oven (PvdA).

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het initiatiefvoorstel van wet van de leden Koekkoek en Van Middelkoop om te komen tot het opnemen van een bepaling over de Nederlandse taal in de Grondwet. De indieners voeren verschillende motieven aan voor dit voorstel. Het is de leden van de PvdA-fractie niet geheel duidelijk, wat de doorslag geeft om juist nu met een dergelijk voorstel te komen: zijn dat internationale ontwikkelingen die het Nederlands als officiële werktaal bedreigen, of is het de overtuiging, dat in de Grondwet één grondrecht ontbreekt, namelijk de bevordering van het gebruik van de Nederlandse taal als voorwerp van zorg van de overheid. De leden van de PvdA-fractie vragen zich eveneens af, waarom de indieners van het voorstel het gebruik van de Nederlandse taal beschouwen als een sociaal, en niet als een klassiek grondrecht. Zij willen hierop graag een nadere toelichting.

De leden van de PvdA-fractie missen in de memorie van toelichting een nadere beschouwing over de (toekomstige) positie van de Nederlandse taal in de Europese Unie. Als officiële landstaal behoort het Nederlands niet tot de kleine talen, waarop het mede door Nederland ondertekende Handvest voor streektalen of talen van minderheden betrekking heeft. Uit de memorie van toelichting blijkt echter wel de zorg van de indieners voor de toekomst van het Nederlands in Europees verband. Wat zal de (toekomstige) positie van de kleinere landstalen zijn en welke rol zal de voorgestelde Grondwetswijziging daarbij vervullen?

De leden van de CDA-fractie hebben met grote belangstelling kennis genomen van het initiatief-wetsvoorstel van de leden Koekkoek en Van Middelkoop om een bepaling in de Grondwet op te nemen over het gebruik van de Nederlandse taal. Zij zien met de initiatiefnemers voldoende aanleiding om verankering van de Nederlandse taal in de Grondwet te overwegen. De leden van de CDA-fractie beoordelen de toelichting bij het voorstel op bepaalde punten als summier. Daarom stellen zij de indieners enkele nadere vragen.

De leden van de CDA-fractie vragen de indieners een (mogelijke) verklaring te geven voor het feit dat de regering niet met een dergelijk voorstel is gekomen; er waren immers voorbereidende notities aanwezig. In dit kader vragen de leden van de CDA-fractie de initiatiefnemers voorts expliciet in te gaan op de verschillende (door de leden Koekkoek en Van Middelkoop afgewezen) varianten uit de notitie van 5 oktober 1992.

Wat zijn de overwegingen om de verankering van de Nederlandse taal in de Grondwet te realiseren door het opnemen van een sociaal grondrecht en niet door middel van het opnemen van een non-discriminatiebepaling – zoals in de grondwetten van Duitsland, Zweden en Italië – zo vragen deze leden.

Ook vragen zij of alternatieve formuleringen voor het taalartikel zijn overwogen. Zij verzoeken een uitgebreide toelichting over hun overwegingen terzake.

Tenslotte vragen zij in dit kader of een bepaling – met een strekking zoals in dit voorstel – bij eerdere grondwetsherzieningen is overwogen.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het initiatiefvoorstel van wet. Zij zijn van mening dat wijziging van de Grondwet aan de orde moet komen indien objectieve factoren daartoe aanleiding geven en de noodzaak daartoe in brede kring wordt erkend. Als factoren worden in het voorstel door de indieners aangedragen het onder druk staan van de Nederlandse taal door de toenemende internationalisering, het ter discussie kunnen komen bij de uitbreiding van de Europese Unie, het onvoldoende geregeld zijn welke taal de Nederlandse overheid in het verkeer met burgers dient te gebruiken en het meer recht doen aan de nu nog op ongeschreven recht en jurisprudentie berustende status van het Nederlands als officiële voertaal van het Koninkrijk.

Ook de leden van de VVD-fractie zijn van mening dat het Nederlands onder druk staat als gevolg van de toenemende internationalisering. Die internationalisering is een gegeven, evenals de wenselijkheid van snelle en dus ongecompliceerde communicatie tussen mensen. Dat zal blijven leiden tot het gebruik van een gemeenschappelijk beheerste taal, in de regel één van de grote wereldtalen. Wat is volgens de indieners de relevantie in dit verband van hun voorstel?

De leden van de VVD-fractie ervaren de Europese Unie of de uitbreiding daarvan niet als een bedreiging van het Nederlands. In het oprichtingsverdrag is immers vastgelegd dat over het taalgebruik door de Europese instellingen met eenparigheid van stemmen door de Raad van Ministers besloten moet worden. Ook een in januari 1995 gevoerde discussie in het Europees Parlement over een mogelijke beperking van het aantal werktalen in de Unie kan moeilijk als een bedreiging worden ervaren. Het Parlement sprak zich met 235 tegen nul stemmen uit tegen beperking op enig tijdstip.

Voor wat betreft het onvoldoende geregeld zijn van welke taal de Nederlandse overheid in het verkeer met burgers dient te gebruiken, vragen de leden van de VVD-fractie zich opnieuw af wat de relevantie is van de voorgestelde wijziging van de Grondwet. Op het gebruik van het Nederlands hebben een aantal wettelijke bepalingen, verdragsbepalingen en gerechtelijke uitspraken betrekking. Zijn de indieners van mening dat aansluitend bij hun voorstel tot wijziging van de Grondwet daar nog andere wettelijke bepalingen aan toegevoegd zouden moeten worden?

Als vierde en laatste factor dragen de indieners aan dat met hun voorstel meer recht gedaan wordt aan de status van het Nederlands. Ook de leden van de VVD-fractie ervaren het voorstel als zodanig, hoewel zij de status van het Nederlands niet als onvoldoende ervaren. Deze leden hebben niet de indruk dat in brede kring wordt erkend dat deze laatste factor op zichzelf aanleiding is om de Grondwet te wijzigen.

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het initiatiefvoorstel van wet. Deze leden zijn het met de indieners eens dat de overheid tot taak heeft het gebruik van de Nederlandse taal te bevorderen. De hier aan het woord zijnde leden achten het ook van belang dat de kwaliteit van de Nederlandse taal wordt bewaakt. Hoewel deze leden de bedoeling achter het wetsvoorstel dus sympathiek vinden, achten zij het echter (momenteel) niet nodig de Nederlandse taal in de Grondwet te verankeren.

De indieners van het wetsvoorstel wijzen erop dat afgezien van artikel 2:6, eerste lid, in de Awb geen codificatie bestaat van het ongeschreven rechtsbeginsel dat Nederlands de taal van het rechtsverkeer is. De leden van de D66-fractie zien echter geen meerwaarde van het codificeren van dit rechtsbeginsel als sociaal grondrecht. Volgens deze leden biedt het ongeschreven rechtsbeginsel zelfs een nadere concretisering van de norm dan de bredere inspanningsverplichting in het sociaal grondrecht. En bij een sociaal grondrecht is men evenzeer aangewezen op de vertaling in jurisprudentie als bij een ongeschreven rechtsbeginsel. Het sociale grondrecht als zodanig biedt immers geen rechtens afdwingbare norm.

Het opnemen van de Nederlandse taal in een grondrecht vanwege een symbolische waarde achten de leden van de D66-fractie overbodig. Hiervan zou pas sprake kunnen zijn indien er een reëel gevaar bestaat dat de Nederlands taal haar dominante positie dreigt te verliezen, bijvoorbeeld doordat taalminderheden gaan overheersen. Dit is binnen het Koninkrijk niet aan de orde.

De overheid kan ook aangesproken worden op het belang van de Nederlandse taal zonder een grondwettelijke inspanningsverplichting hiervoor in het leven te roepen. Voor het beschermen van de kwaliteit en het gebruik van de Nederlandse taal is het onderwijs een belangrijk instrument. Op dit beleidsterrein bestaan voldoende wegen om dit te realiseren.

Wel is het, aldus de leden van de D66-fractie, de taak van de regering ervoor te waken dat de Nederlandse taal binnen de EU (tot op zekere hoogte) niet achtergesteld wordt.

Als echter door de EU regels gesteld worden om bepaalde talen te bevoorrechten of andere af te schaffen, biedt een grondwetsbepaling daar niet een juridische bescherming tegen. Het gebruik van de Nederlandse taal in Nederland zelf zal door Europa niet bedreigd worden, dit blijft een nationale aangelegenheid.

De leden van de RPF-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij beschouwen het initiatiefvoorstel als een poging om de Nederlandse taal vitaal te houden. De hier aan het woord zijnde leden onderschrijven deze doelstelling omdat het, gezien de toenemende internationalisering, te verwachten valt dat de Nederlandse taal steeds meer bedreigd zal worden. Wel vragen deze leden in hoeverre een bepaling in de Grondwet een effectief middel is om de genoemde doelstelling te bereiken.

De leden van de RPF-fractie constateren dat de indieners het midden hebben gezocht tussen een symboolbepaling (waarbij de Raad van State van oordeel is dat de Franse grondwetsbepaling zo’n symboolbepaling is) en een opdrachtbepaling (zoals die naar de taxatie van de indieners in de Belgische en Luxemburgse Grondwet is opgenomen). Deze leden merken op dat de Raad van State en de indieners de Franse grondwetbepaling verschillend taxeren en vragen waarin dat verschil is gelegen.

Verder vragen de leden van de RPF-fractie de indieners om aan te geven hoe hun voorstel het midden houdt tussen loze symboliek en de uitdrukkelijke opdracht aan de overheid. Dat laatste zou volgens de indieners tot overbodige regelgeving leiden, waarbij deze leden de indieners vragen wat deze onder «overbodige regelgeving» verstaan. Welke praktische uitwerking zou de voorgestelde aanvulling van de Grondwet in de toekomst kunnen hebben? Zou het Nederlands bijvoorbeeld als officiële taal bij het Europese Merkenbureau worden erkend? Welke consequenties kan deze bepaling hebben voor internationaal optreden van bewindslieden en hun ambtenaren?

In dit kader vragen de leden van de RPF-fractie in hoeverre het initiatiefwetsvoorstel is ingegeven door onvrede met het huidige taalbeleid van de regering. Moet het in de reactie van de indieners op het advies van de Raad van State gegeven voorbeeld van minister Ritzen, die pleitte voor Engels als voertaal in het Hoger Onderwijs, worden beschouwd als een indicatie voor een lakse houding bij de Nederlandse regering?

De Raad van State oordeelt dat een aanvulling van de Grondwet, zoals voorgesteld, niets toevoegt aan de huidige wet- en regelgeving. In dit licht vragen de leden van de RPF-fractie in hoeverre het Nederlands-Belgisch Cultureel Verdrag, naar het oordeel van de indieners, in de gewenste bescherming van de Nederlandse taal voorziet.

De leden van de SGP-fractie hebben kennis genomen van het wetsvoorstel en de daarbij behorende toelichting. Zij willen in de richting van de initiatiefnemers gaarne hun waardering uitspreken voor het werk dat zij aan het voorstel hebben verzet. Deze waardering is echter niet tegelijk volledig een inhoudelijke. Deze leden zullen daar in het vervolg op terug komen.

De leden van de SGP-fractie hebben in het verleden reeds bij diverse gelegenheden het belang benadrukt van het (bevorderen van het) gebruik van de Nederlandse taal. Wel hebben zij in het debat naar aanleiding van de notitie inzake de grondwettelijke positie van de Nederlandse taal als taal van bestuur en rechtspraak (Kamerstukken II 1991/92, 21 427, nr. 20) aangegeven dat indien voor een grondwettelijke bepaling wordt geopteerd, deze in ieder geval niet ongeclausuleerd kan zijn.

De leden van de SGP-fractie constateren dat de initiatiefnemers ervoor hebben gekozen de bepaling met betrekking tot het bevorderen van het gebruik van de Nederlandse taal als sociaal grondrecht in de Grondwet op te nemen. Deze keuze wordt nergens met zoveel woorden gemotiveerd. De aan het woord zijnde leden wijzen erop dat in de notitie van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 5 oktober 1992 (Kamerstukken II 1992/93, 21 427, nr. 24) naast de optie van een sociaal grondrecht ook de keuzemogelijkheid voor een klassiek grondrecht, codificatiebepaling en instructienorm naar voren wordt gebracht. Zij vragen de initiatiefnemers aan te geven hoe zij tot de keuze van een sociaal grondrecht zijn gekomen respectievelijk hoe zij tegen de andere in de genoemde notitie geschetste mogelijkheden aankijken.

De leden van de SGP-fractie stellen, dat de keuze voor het opnemen van de bepaling in de vorm van een sociaal grondrecht mogelijk niet geheel vrij is van (juridische) complicaties. De bedoeling toch van de initiatiefnemers is het bevorderen van het gebruik van de Nederlandse taal door de overheid. De initiatiefnemers stellen in dit verband dat de voorgestelde bepaling de overheid verplicht om actief het gebruik van de Nederlandse taal te bevorderen. Wat echter indien de overheid onvoldoende invulling geeft aan deze bepaling? Sociale grondrechten zijn toch nauwelijks in rechte afdwingbaar? Met andere woorden: is de voorgestelde bepaling in de vorm van een sociaal grondrecht wel zo’n gelukkige keuze? Worden op deze wijze niet te veel eisen gesteld aan dan wel verwachtingen gewekt betreffende een recht, dat feitelijk niet kan worden geëffectueerd? Ook op dit punt missen de leden van de SGP-fractie een toelichting. Zij vragen de initiatiefnemers hierop alsnog in te gaan.

De leden van de GPV-fractie hebben met bijzondere belangstelling kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden benadrukken het belang van het gebruik van de Nederlandse taal als sociale en culturele samenbindende factor in de Nederlandse samenleving. De wetgever heeft dit belang ook erkend door het opnemen van impliciete dan wel expliciete bepalingen over het gebruik van de Nederlandse taal in de formele wetgeving. Een zorgverplichting voor de overheid is daarin echter niet opgenomen terwijl een dergelijke verplichting nu en in de toekomst een bijdrage zou kunnen leveren aan de aandacht voor het gebruik en de bevordering van de Nederlandse taal.

De leden van de GPV-fractie vragen of de wenselijkheid van opneming van het taal-artikel in de Grondwet alleen moet worden beoordeeld aan de hand van de thans waar te nemen (inter)nationale positie van de Nederlandse taal. Gaat het niet veeleer om een principiële uitspraak over de wenselijkheid van opneming van een taal-artikel in de Grondwet als zodanig? Daartoe dienen, zoals ook de Raad van State in zijn advies stelt, objectieve factoren aanleiding te geven. Deze leden stellen een nadere toelichting op het wetsvoorstel op prijs. In dat verband stellen zij enige vragen.

De mate waarin Nederlands wordt geschreven en gesproken en de deugdelijkheid van het gebruik van de Nederlandse taal staan met name door de toenemende internationalisering onder druk, zo stellen de indieners van het wetsvoorstel. Een taal-artikel in de Grondwet heeft echter enkel betekenis voor het Nederlandse rechtsgebied. In Europees verband kunnen daaraan geen rechten worden ontleend. Begrijpen de leden van de GPV-fractie het goed dat het taal-artikel in dat verband vooral als instructienorm fungeert voor bewindslieden die in Europees verband de belangen van Nederland en van de Nederlandse taal moeten veilig stellen? Welke concrete mogelijkheden bestaan in Europees verband om bedreigingen van het gebruik van de Nederlandse taal te neutraliseren? De leden van de GPV-fractie kunnen zich niet goed voorstellen dat het nieuwe grondwetsartikel in de weg zou kunnen staan aan een besluit van de Europese Raad om het Nederlands als officiële taal te elimineren. Wat is de reactie van de indieners op de wel gehoorde kritiek dat het voorstel van wet verwordt tot symboolwetgeving? Ontstaat in dat geval, door opneming van een taal-artikel in de Grondwet, voor de overheid een plicht om documenten inzake Europese besluitvormingsprocessen voor gebruik door de Nederlandse burgers te doen vertalen?

De leden van de GPV-fractie vragen welke concrete acties naar het oordeel van de indieners zouden moeten voortvloeien uit de opneming van de Nederlandse taal in de Grondwet voor het gebruik en de bevordering van de Nederlandse taal in de Koninkrijksdelen. Hoe verhoudt het gebruik van de Nederlandse taal zich tot het gebruik van het Papiaments en het Engels in deze Koninkrijksdelen? Is op grond van artikel 37 van het Statuut met Aruba en de Antillen overleg gevoerd over de opneming van een taal-artikel in de Grondwet? De leden van de GPV-fractie menen dat een dergelijke verplichting zou kunnen voortvloeien uit het tweede lid van dat artikel waar gesproken wordt over een overlegverplichting voor wat betreft de bevordering van de culturele en sociale betrekkingen tussen de landen van het Koninkrijk.

De leden van de AOV-fractie hebben met interesse en waardering kennis genomen van het initiatiefvoorstel.

De leden van de AOV-fractie hechten er veel waarde aan dat de Nederlandse taal in de Grondwet wordt opgenomen. Deze leden stemmen volledig in met de opmerking dat de Nederlandse taal als voertaal van het Koninkrijk meer recht wordt gedaan indien zij constitutionele verankering krijgt.

De hier aan het woord zijnde leden zijn van mening dat in de memorie van toelichting expliciet dient te worden toegevoegd dat het gaat om de bevordering van de Nederlandse taal in woord en geschrift.

De Nederlandse taal vormt naar de mening van de leden van de AOV-fractie het communicatiemedium voor iedereen die is gevestigd of zich gaat vestigen in Nederland. Het is van groot belang dat de overheid belemmeringen wegneemt daar waar belemmeringen ontstaan of bestaan voor gebruik van het Nederlands. Dit gebruik in schriftelijke en mondelinge vorm is voor alle bewoners van Nederland, in het bijzonder voor asielzoekers, vluchtelingen en immigranten de belangrijkste voorwaarde om volwaardig te kunnen participeren in onze maatschappij. De Nederlandse taal vormt de sleutel om de inburgering van deze groepen goed te laten verlopen. In de nabije toekomst staan onze samenleving nog grote uitdagingen te wachten met betrekking tot de integratie van nieuwkomers.

De Nederlandse taal is daarnaast een essentieel onderdeel van het Nederlandse cultuurgoed en is het enige medium om de cultuur in al haar uitingen te leren begrijpen en verstaan, voor zover er noodzaak en behoefte is om aan de Nederlandse samenleving deel te nemen, zo merken de leden van de AOV-fractie op.

De opmerking dat bij een mogelijke uitbreiding van de Europese Unie de Nederlandse taal ter discussie kan komen te staan is volgens de leden van de AOV-fractie in dit initiatiefvoorstel van wet niet relevant maar verdient echter wel de aandacht.

De leden van de AOV-fractie zijn van mening dat Nederland uit de pas loopt vergeleken bij andere Europese landen. Dit vormt voor deze leden een belangrijke reden om de positie van de taal zo snel mogelijk grondwettelijk te regelen.

De hier aan het woord zijnde leden zijn het, gezien de door hen ingebrachte motivering, niet eens met het uitgebrachte advies van de Raad van State dat dit initiatiefvoorstel een nadere en sterkere motivering behoeft. Het argument dat verdragsbepalingen van grote waarde zijn voor de instandhouding en ontwikkeling van de landstaal is niet overtuigend. De vraag blijft of dit een afdoende zekerstelling is.

Een sociaal grondrecht over de Nederlandse taal

Meer in het algemeen vragen de leden van de PvdA-fractie zich af, of de voorgestelde bepaling, zonder grondwettelijke opdracht aan de wetgever tot verdere uitwerking van het voorgestelde grondrecht, in feite niet veel meer is dan symboolwetgeving. De memorie van toelichting geeft aan, dat het voorstel beoogt mede te waarborgen, dat ook andere instellingen dan bestuursorganen als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht in beginsel de Nederlandse taal zullen hanteren. Hebben de indieners ook andere instellingen als bijvoorbeeld Nederlandse vestigingen van internationale ondernemingen op het oog en kunnen zij meedelen hoe het daar gesteld is met de positie van de Nederlandse taal?

Om de betekenis van het voorstel te kunnen doorgronden, vragen deze leden, waarom het voorstel zich niet uitlaat over de juridische en beleidsmatige instrumenten die kunnen worden gehanteerd om actief het gebruik van de Nederlandse taal te bevorderen.

De leden van de CDA-fractie verzoeken de indieners toe te lichten hoe het ontbreken van de voorgestelde bepaling in de Grondwet in de praktijk consequenties zou kunnen hebben voor overheidsinstellingen anders dan bestuursorganen in de zin van artikel 2:6, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht. Ook vragen zij een nadere toelichting over de mate waarin de Nederlandse Taalunie (al) tegemoet komt aan het doel dat het voorliggende voorstel beoogt.

De leden van de SGP-fractie maken naar aanleiding van de redactie van het voorgestelde artikel 22a de volgende opmerkingen over de in dat artikel gebruikte term «overheid». Ook in andere sociale grondrechten wordt de term «overheid» gebruikt. Bij de grondwetsherziening van 1983 is echter een bepaalde invulling aan deze term gegeven. Onder «overheid» wordt niet verstaan de rechterlijke macht. Indien dezelfde inhoud aan de «overheid» wordt gegeven in het voorgestelde artikel, impliceert dit dat artikel 22a niet van toepassing zou zijn op de rechterlijke macht. Dit nu is juist niet de bedoeling van de initiatiefnemers. Deze bepaling zou juist ook op de rechterlijke macht van toepassing moeten zijn. Indien echter in dit geval onder de «overheid» mede de rechterlijke macht dient te worden begrepen, houdt dit in dat deze term in dit enkele geval een afwijkende betekenis zou krijgen van de term zoals die in de andere sociale grondrechten wordt gehanteerd. Dat vinden de hier aan het woord zijnde leden niet wenselijk. Verdient het geen aanbeveling om de rechterlijke macht in dit geval expliciet te noemen? De leden van de SGP-fractie vragen de indieners hierop in de beantwoording in te gaan.

De leden van de GPV-fractie zijn geïnteresseerd in de praktische betekenis van een taal-artikel in de Grondwet. Doen zich naar de mening van de indieners thans concrete problemen voor in het verkeer tussen overheid en burgers die een taal-artikel in de Grondwet rechtvaardigen? Zo ja, kunnen zij daar enkele voorbeelden van geven? Kunnen de indieners voorts aangeven op welke wijze de overheid het gebruik van de Nederlandse taal kan bevorderen? Voorts merken deze leden op dat de toelichting op het voorstel van wet ruimte laat om in bepaalde gevallen de voorgestelde plicht niet te hanteren. Welke argumenten behoren daarvoor te gelden en kan de overheid zich daarmee niet te makkelijk onttrekken aan de grondwettelijke plicht op grond van bijvoorbeeld technische of financiële argumenten?

De initiatiefnemers zetten in de toelichting op het wetsvoorstel uiteen dat uit het opnemen van het voorgestelde artikel in de Grondwet geen verplichtingen tot wetgeving voortvloeien. Zij zijn echter ook van mening dat het belang van bevordering van het gebruik van de Nederlandse taal thans onvoldoende tot uitdrukking komt in de formele wetgeving. De leden van de GPV-fractie vragen de indieners in welke lacunes in de formele wetgeving naar hun mening zou moeten worden voorzien nu zij die lacunes in met name de wetgeving aangaande de rechtspraak en het onderwijs hebben gesignaleerd.

De leden van de GPV-fractie vragen de indieners welke effecten zij van dit voorstel van wet verwachten op het (correcte) gebruik van de Nederlandse taal tussen burgers. Onttrekt die communicatie zich niet voor een belangrijk deel aan de greep van de overheid? Kan het taal-artikel overigens van betekenis zijn voor de onderlinge communicatie van burgers?

De leden van de GPV-fractie vragen voorts wat een grondwettelijke zorgverplichting voor de bevordering van een (juist) gebruik van de Nederlandse taal betekent voor het taalgebruik in het bestuurlijke verkeer en het rechtsverkeer. Verlangt het taal-artikel dat in officiële stukken het gebruik van begrippen ontleend aan andere talen moet worden vermeden? Hoe valt een dergelijk voorschrift te handhaven?

De leden van de GPV-fractie vragen of een taal-artikel in de Grondwet voor scholieren en studenten een absoluut recht creëert voor onderwijs in de Nederlandse taal. Is een wettelijke ontsnappingsclausule noodzakelijk indien een bepaalde studierichting alleen kan beschikken over docenten die zich niet in het Nederlands kunnen uitdrukken? Hoe verhoudt de voorgestelde grondwettelijke plicht tot bevordering van het gebruik van de Nederlandse taal zich tot de tendens in met name het Hoger Onderwijs dat steeds meer gebruik wordt gemaakt van met name de Engelse taal?

De leden van de GPV-fractie vragen waarom in de formulering van het taal-artikel niet is opgenomen wanneer en jegens wie de overheid Nederlands moet spreken en schrijven. Is daarvoor een nadere wettelijke regeling noodzakelijk of kan worden volstaan met artikel 5 van het Taalunieverdrag? Blijkens de toelichting richt de in het taal-artikel verwoorde verplichting zich niet alleen tot de overheid maar ook tot de rechterlijke macht. De leden van de GPV-fractie willen er op wijzen dat tijdens de grondwetsherziening van 1983 meermalen en onomstreden is gesteld dat de term «overheid» in de bepalingen, houdende sociale grondrechten, niet de rechter omvat. Is een nadere aanvulling van het artikel op dit punt niet noodzakelijk?

Het verdient volgens de leden van de AOV-fractie aanbeveling te overwegen of de Algemene wet bestuursrecht (Stb. 1995, 302) gewijzigd kan worden, zodat ook voor andere overheidsinstellingen afdoende is geregeld welke taal de overheid in het verkeer met de burgers dient te gebruiken.

De leden van de AOV-fractie vragen waarom het voorstel zich niet uitlaat over de juridische en beleidsmatige instrumenten die kunnen worden gehanteerd om actief het gebruik van de Nederlandse taal te bevorderen. Zij vragen om een toelichting terzake.

Friese taal

In de memorie van toelichting verwijzen de indieners naar de brieven van 13 oktober 1991 en 5 oktober 1992 van de toenmalige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken omtrent de grondwettelijke positie van de Nederlandse taal. Deze notities hebben toen geen vervolg gekregen in de vorm van een wetsvoorstel van de regering. Wel kwam de staatssecretaris tot een beredeneerde keuze voor de tekst van een mogelijk artikel in de Grondwet, waarin niet alleen het gebruik van het Nederlands als sociaal grondrecht werd vastgelegd, maar ook de verhouding tot de positie van de Friese taal werd geregeld. De leden van de PvdA-fractie vragen waarom de indieners van het onderhavige wetsvoorstel niet voor die formulering hebben gekozen. De indieners geven in de memorie van toelichting aan, dat hun voorstel geenszins tot doel of strekking heeft de positie van minderheidstalen in het algemeen en die van het Fries in het bijzonder te verzwakken. Zij maken echter niet duidelijk, hoe deze bedoeling zonder nadere verwijzing in het Grondwetsartikel tot uitdrukking zal komen.

De leden van de CDA-fractie willen de zinsnede – dat het voorgestelde taalartikel niet tot doel of strekking heeft de positie van minderheidstalen in het algemeen en die van het Fries in het bijzonder te verzwakken – onderstrepen. Zij vragen de indieners in dit licht een nadere beschouwing terzake.

De leden van de D66-fractie vragen, na een inhoudelijke bestudering van voorgestelde tekst, waarom de initiatiefnemers zich beperken tot opneming van de Nederlandse taal en daarbij de Friese taal buiten beschouwing laten. Gezien keuze van de wetgever om het gebruik van de Friese taal expliciet in de Algemene wet bestuursrecht vast te leggen, zou het toch voor de hand hebben gelegen het Fries ook bij het onderhavige wetsvoorstel te betrekken. Graag een reactie van de indieners hierop.

De leden van de SGP-fractie gaan in op de positie van de Friese taal. De initiatiefnemers hebben in de memorie van toelichting aangegeven, dat het geenszins de bedoeling van de voorgestelde bepaling is om de positie van de Friese taal te verzwakken. Sterker nog, het in het voorgestelde artikel 22a bepaalde sluit niet uit dat ook het bewaken van de positie van andere dan de Nederlandse in Nederland gesproken talen door de overheid onderdeel van haar beleid kan uitmaken. Deze intentie kunnen de aan het woord zijnde leden van harte onderschrijven. Toch willen de leden van de SGP-fractie gaarne vernemen welke nadelen er zijn verbonden aan een bepaling waarin de positie van het Fries expliciet aan de orde komt.

De leden van de GPV-fractie stellen vast dat het initiatief van de indieners alleen spreekt over de bevordering van de Nederlandse taal als zorg voor de overheid en de bevordering van de Friese taal onvermeld laat. Dit terwijl het gebruik van het Fries in het bestuurlijk verkeer en rechtsverkeer uitdrukkelijk is vastgelegd in de formele wetgeving. Deze leden trekken een vergelijking met de waarneming van de indieners dat internationale ontwikkelingen de positie van de Nederlandse taal in toenemende mate bedreigen. Achten de indieners het niet heel wel denkbaar dat de Friestaligen een vergelijkbare waarneming hebben als het gaat om het gebruik en de bevordering van de Friese taal? Kan de zorgplicht van de overheid voor het gebruik en de bevordering van deze taal wel in dit wetsvoorstel worden gemist?

De voorzitter van de commissie, De Cloe

De griffier voor dit verslag, Van Hezik

 
 
 

3.

Meer informatie

 

4.

Parlementaire Monitor

Met de Parlementaire Monitor volgt u alle parlementaire dossiers die voor u van belang zijn en bent u op de hoogte van alles wat er speelt in die dossiers. Helaas kunnen wij geen nieuwe gebruikers aansluiten, deze dienst zal over enige tijd de werkzaamheden staken.