Antwoorden op vragen GL over de onwettigheid van preventief fouilleren

publicatie datum 23 maart 2010
Kamer Tweede Kamer
beantwoordende ministerie Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
kamerleden N. (Naïma) Azough
partijen GroenLinks

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2009–2010

Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

1685

Vragen van het lid Azough (GroenLinks) aan de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie over de onwettigheid van preventief fouilleren. (Ingezonden 15 januari 2010)

1

Kent u het bericht dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft geoordeeld dat de in Groot-Brittannië geldende bevoegdheden om personen preventief te fouilleren te ruim zijn geformuleerd en daardoor in strijd zijn met het EVRM, omdat er een duidelijk risico van willekeur bestaat als politieagenten zulke ruime bevoegdheden worden geboden?1

2

Wat vindt u van de vaststelling dat preventief fouilleren volgens het EHRM een duidelijke inbreuk is op het recht het respect van privéleven, dat onder omstandigheden preventief fouilleren een element van vernedering inhoudt? Deelt u de mening dat deze uitspraak volgt dat fouilleren op straat slechts is toegestaan bij een redelijke verdenking ten aanzien van een concrete persoon? Zo nee, waarom niet?

3

Deelt u de mening dat deze EHRM-uitspraak bevestigt dat preventief te fouilleren alleen op

basis van redelijke verdenking toelaatbaar moet worden geacht? Zo nee, waarom niet?

4

Bent u bereid in alle gevallen, waarin preventief fouilleren wordt toegepast, te verlangen dat de noodzaak van de inzet van dit dwangmiddel wordt gemotiveerd en dat daarvan desgevraagd proces-verbaal van wordt opgemaakt? Bent u tevens bereid te voorkomen dat de enkele aanwijzing van een veiligheidsrisicogebied automatisch ook tot gevolg heeft dat er preventief gefouilleerd wordt? Zo nee, waarom niet?

1  NRC Handelsblad, 13 januari 2010: «Europees Hof vindt «preventief fouilleren» onwettig».

Antwoord

Antwoord van minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), mede namens de minister van Justitie (ontvangen 19 februari 2010)

1

Ja, ik heb kennis genomen van zowel het krantenbericht als van de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 12 januari 2010, Gillan en Quinton t. Verenigd Koninkrijk).

2 en 3

Voorop moet worden gesteld dat de uitspraak van het EHRM nog niet onherroepelijk is. Dat noopt tot terughoudendheid in de beoordeling

ervan. Daarnaast heeft de uitspraak betrekking op een regeling van preventief fouilleren in het Verenigd Koninkrijk in het kader van aldaar geldende antiterrorismewetgeving. De in het geding zijnde Britse regeling is, op grond van de in de uitspraak gegeven beschrijving, anders ingericht dan de Nederlandse regeling inzake preventief fouilleren in de Gemeentewet in samenhang met de Wet wapens en munitie, die tot doel heeft overlast door de aanwezigheid van wapens in een bepaald gebied te voorkomen of te bestrijden.

Volgens het EHRM levert de Britse maatregel een inbreuk op van het recht van privéleven, zoals neergelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het Hof komt tot dit oordeel op grond van zijn beoordeling van de wijze waarop de Britse wetgeving is vormgegeven in samenhang met de wijze waarop deze uitvoering vindt in de praktijk. De overweging van het Hof dat preventief fouilleren in het openbaar onder omstandigheden een element van vernedering en schaamte zou kunnen inhouden, moet in deze context worden geplaatst. Ik deel niet de mening dat uit deze uitspraak volgt dat preventief fouilleren slechts is toegestaan bij een redelijke verdenking ten aanzien van een concreet persoon. Het gaat er in essentie om dat de bevoegdheid van de uitvoerende macht voldoende

KVR39500 2010Z00722 0910tkkvr1685 ISSN 0921 - 7398 Sdu Uitgevers ’s-Gravenhage 2010

Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, Aanhangsel

3603

precies moet zijn omschreven en dat er voldoende (rechts)waarborgen aanwezig moeten zijn om willekeur in de uitoefening van de bevoegdheid tegen te gaan. Dat is naar mijn oordeel het geval in de Nederlandse regeling van artikel 151b Gemeentewet in samenhang met artikel 52, derde lid, dan wel – in geval van bagage of vervoermiddelen – artikel 50, derde lid of artikel 51, derde lid van de Wet wapens en munitie. Deze regeling kenmerkt zich door een getrapt systeem van bevoegdheden met daarbij verschillende beoordeling- en verantwoordingsmomenten. Voorts wordt de feitelijke uitoefening van preventief fouilleren door de politie aselect toegepast.

4

De Nederlandse regeling inzake preventief fouilleren voorkomt dat de enkele aanwijzing van een veiligheidsrisicogebied door de burgemeester automatisch ook tot gevolg heeft dat er preventief gefouilleerd wordt. Voordat daartoe kan worden overgegaan is immers eerst een specifieke last van de officier van justitie vereist, waarvan de duur beperkt is tot maximaal twaalf uren. Dat bevel van de officier van justitie moet zijn gebaseerd op feiten en omstandigheden op grond waarvan de toepassing van de onderzoeksbevoegdheid op wapens noodzakelijk wordt geacht. Zodra er bij een fouilleeractie wapens worden aangetroffen, wordt daarvan proces verbaal opgemaakt. Overigens werken de burgemeester, de officier van justitie en de politie met elkaar samen en stemmen de gebiedsaanwijzing en fouilleeractie(s) met elkaar af in het driehoeksoverleg.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, Aanhangsel                             3604