Majesteits­schen­nis

In 1881 werden aan het Wetboek van Strafrecht enkele artikelen toegevoegd die majesteitsschennis strafbaar stellen. Het gaat bij majesteitsschennis om de volgende artikelen:  

  • Artikel 111 zet op opzettelijke belediging van de Koning een gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie.

  • artikel 112 belediging echtgenoot Koning wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
  • artikel 113 verspreiden etc. van beledigend geschrift/afbeelding wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

Majesteitsschennis staat op gespannen voet met het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van betoging.

Dat bleek al in 1886 toen de socialistische voorman Domela NIeuwenhuis werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar wegens majesteitsschennis.

De vraag wanneer een beperking op deze rechten kan worden gerechtvaardigd, wordt tegenwoordig naar de specifieke feiten en omstandigheden van het geval beoordeeld. De handhaving van strafbaarstellingen van belediging en majesteitsschennis heeft in ieder geval geen prioriteit meer.

Toch is er de afgelopen jaren regelmatig gesproken over de spanning tussen vrijheid van meningsuiting en majesteitsschennis.

Op 5 februari 2013 stelde Pechtold (D66) mondelinge vragen aan minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) over het politieoptreden tegen iemand wegens het uiten van kritische teksten over de monarchie. Het ging om een studente met een kartonnen bord waarop de tekst stond: “Weg met de monarchie, het is 2013”. Zij werd door de politie weggevoerd. De minister vond dat dit een verantwoordelijkheid was van de lokale overheid, in dit geval van de gemeente Utrecht.

Zie: Handelingen Tweede Kamer, 2012-2013, 48-2-2 t/m 48-2-4.

Een dag later, 6 februari 2013, stelden Pechtold en Schouw (beiden D66) schriftelijke vragen aan de minister van Veiligheid en Justitie over vervolgingen en veroordelingen wegens majesteitsschennis. De minister gaf in zijn antwoord aan er geen sprake is van een stijging van de vervolgingen en veroordelingen in dit verband.  Onderstaande gegevens zijn ontleend aan het antwoord van de minister, zie:

  • Aanhangsel Handelingen Tweede Kamer, 2012-2013, nr. 1467.

De onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal personen dat volgens cijfers van het OM in eerste aanleg is veroordeeld voor het overtreden van artikel 111, artikel 112 en artikel 113:

 

Jaar

Artikel 111

Artikel 112

Artikel 113, lid 1

Artikel 133, lid 2

2000

1

1

0

0

2001

0

0

0

0

2002

0

1

0

0

2003

2

1

0

0

2004

0

0

0

0

2005

1

0

0

0

2006

1

0

0

0

2007

1

0

0

0

2008

1

0

0

0

2009

2

0

0

0

2010

1

0

0

0

2011

1

0

0

1

2012

1

0

0

0

De onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal zaken dat het OM inschreef op grond van artikelen 111 tot en met 113 van het Wetboek van Strafrecht in de jaren 2000–2012. De toename van de instroom in het jaar 2002 kan worden verklaard uit de aanhoudingen die zijn verricht op de dagen rond het huwelijk van kroonprins Willem-Alexander en prinses Máxima.

 

Jaar

Artikel 111

Artikel 112

Artikel 113, lid 1

Artikel 133, lid 2

2000

3

2

0

0

2001

0

0

1

0

2002

0

3

21

0

2003

3

0

0

0

2004

0

0

0

0

2005

5

0

1

0

2006

1

0

0

0

2007

5

0

0

0

2008

2

0

0

0

2009

1

0

0

0

2010

2

0

0

1

2011

2

0

1

0

2012

1

1

0

0

Het onderstaande overzicht betreft het aantal zaken waarin het OM een verdachte dagvaardde op grond van artikelen 111 tot en met 113 van het Wetboek van Strafrecht in de jaren 2000–2012. Daarnaast legde het OM in 2012 in één zaak een OM-strafbeschikking op voor overtreding van artikel 112 van het Wetboek van Strafrecht.

 

Jaar

Artikel 111

Artikel 112

Artikel 113, lid 1

Artikel 133, lid 2

2000

0

0

0

0

2001

0

0

0

0

2002

0

2

0

0

2003

2

1

0

0

2004

0

0

0

0

2005

1

0

0

0

2006

1

0

0

0

2007

2

0

0

0

2008

2

0

0

0

2009

1

0

0

0

2010

2

0

0

0

2011

1

0

0

1

2012

1

0

0.

0

Op 25 april stelde Van Tongeren (GroenLinks) schriftelijke vragen aan minister-president Rutte en aan minister Opstelten over het bericht dat het OM gevallen van majesteitsschennis toch zou gaan aanpakken (wat in strijd zou zijn met de uitspraak dat majesteitsschennis geen prioriteit heeft bij het OM). Zie:

Op 26 april 2013 4 dagen voor de inhuldiging van koning Willem-Alexander) zond de minister de Kamer een brief over de wijze waarop demonstraten tegen de monarchie zouden worden bejegend. De minister wijst er op dat de vrijheid van meningsuiting en het recht om te demonstreren begrensd worden door de Wet op de Openbare Manifestaties en het Wetboek van Strafrecht. Het is aan het lokaal bevoegd gezag om een afweging te maken over eventueel optreden. Elk optreden kan zo nodig altijd getoetst worden bij de rechter, aldus Opstelten. Zie:

  • Bijlage 33.400 VII, Handelingen Tweede Kamer, 2012-2013, nr. 65, brief minister Veiligheid en Justitie, 26 april 2013.

Schouw (D66) stelde op 2 mei 2013 schriftelijke vragen aan de minister van Veiligheid en Justitie over het preventief vastzetten van ‘gevaarlijke eenlingen’ in verband met de troonswisseling.

Zie:

  • Aanhangsel Handelingen Tweede Kamer, 2012-2013, nr. 2363.

Kooiman (SP) stelde op 3 mei 2013 schriftelijke vragen aan de minister van Veiligheid en Justitie over de aanhouding van twee demonstranten op de Dam. Ook Schouw (D66) stelde hier, op 6 mei, vragen over.

Zie:

  • Aanhangsel Handelingen Tweede Kamer, 2012-2013, nr. 2357.

  • Aanhangsel Handelingen Tweede Kamer, 2012-2013, nr. 2361;