Brief van De Minister van Binnenlandse Zaken - Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake de begroting

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Tekst

Nr. 14

BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 7 december 1979

Hierbij doe ik u toekomen een afschrift van mijn óntwoord op de brief van 26 november 1979 van de Algemene Rekenkamer (14226, nr. 13).

De Minister van Binnenlandse Zaken, H. Wiegel Tweede Kamer, zitting 1979-1980,14226, nr. 14

MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN

De Algemene Rekenkamer

's-Gravenhage, 7 december 1979

In uw hierbovenvermelde brief vraagt u mij, na mijn brief van 30 oktober jl., nog op enkele punten nadere toelichting te willen verschaffen. Gaarne voldoe ik aan uw verzoek. Uw vraag waarom voor het eerder informeren van de Staten-Generaal omtrent bij voorbeeld de besteding van gelden uit een bepaalde begrotingspost de vorm van een verantwoording, als in de voorgestelde grondwetsbepaling bedoeld, dient te worden gekozen, geeft mij aanleiding mijn vroeger antwoord als volgt aan te vullen. De voorgestelde redactie schrijft geenszins voor dat tot afzonderlijke verantwoordingen zou moeten worden overgegaan, doch zij wil deze -zo in de toekomst daaraan behoefte mocht ontstaan -niet uitsluiten. Zij opent daartoe derhalve slechts de mogelijkheid. Daaraan zou, zoals ook in mijn vorige brief is opgemerkt, de behoefte kunnen ontstaan, mede in verband met de ook door uw college in zijn eerste schrijven genoemde veelal zeer late indiening van de rijksrekening. Het vermelden in mijn brief van de inlichtingenplicht der Regering ingevolge artikel 104 Grondwet geschiedde slechts om erop te wijzen, dat partië-le verantwoording zal moeten worden beschouwd als een uitvloeisel van deze plicht jegens de Staten-Generaal. Voor het geven van een comptabel karakter aan zulk een partiële verantwoording zou, naar ik aanneem, de Comptabiliteitswet ter zake dienen te worden aangepast. Het spreekt voor mij vanzelfik bevestig hiermee de desbetreffende passage uit mijn brief -dat daarbij aan uw Kamer een passende taak zou worden toebedeeld en dat daaromtrent met haar tijdig overleg zou worden gepleegd. De Minister van Financiën heeft mij dit verzekerd. Afschrift van deze brief zend ik aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

De Minister van Binnenlandse Zaken, H. Wiegel Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 14226, nr. 14

 
 
 

2.

Meer informatie