Grondwetsreferendum: het probleem ligt anders

dinsdag 11 september 2018, column van Dr. Bert van den Braak

Het door D66-Eerste Kamerfractievoorzitter Hans Engels gehouden pleidooi in De Volkskrant om bij referendum te beslissen over grondwetsherziening gaat voorbij aan twee zaken. Belangrijkste is dat de meeste wijzigingen van de Grondwet feitelijk onomstreden zijn. Wie maakt er bezwaar tegen dat we de Grondwet moderniseren op het punt van het briefgeheim? Niemand.

En toch duurt het relatief lang voor dat zo'n onomstreden wijziging tot stand is gekomen, door de verplichte tweede lezing en het over de Tweede Kamerverkiezingen moeten tillen van het besluit. Dat is nergens voor nodig. Herzieningsvoorstellen die al direct op ruime steun kunnen rekenen, kunnen best in één lezing worden gerealiseerd. Er is ook geen enkele reden om dergelijke voorstellen referendabel te maken.

Engels lijkt verder te veronachtzamen dat er natuurlijk wel goede redenen zijn om voor fel bediscussieerde wijzigingen een breder maatschappelijk draagvlak te verlangen (zoals nu de parlementaire twee derde meerderheid). Het referendum over de Brexit, maar ook de Catalaanse afscheiding hebben laten zien hoe onwenselijk het is dat een zo ingrijpende wijziging door een gewone meerderheid wordt beslist.

Voor de bestaande verzwaarde meerderheid in de Eerste Kamer is overigens geen enkele reden en die kan - ongeacht de uitkomst van de referendumdiscussie - het beste vervallen.

Vanwege deze nuances lanceerde ik in juli dit jaar al een voorstel om het bindend grondwetsreferendum facultatief in te voeren. Dat moet alleen worden gehouden als een voorstel wel in beide Kamers is aangenomen, maar in de Tweede Kamer geen twee derde meerderheid heeft verkregen.

Uiteraard moet bij dat referendum dan wel een twee derde meerderheid worden verlangd, om ervoor te zorgen dat de wijziging voldoende wordt gedragen in de samenleving.