Korte Grondwet 2019

Deze korte Grondwet is een herziening op basis van voortschrijdend inzicht en de opmerkingen over de ‘Schets van een Korte Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden’, van Paul Scholten - oud-burgemeester van onder andere Arnhem - die in 2016 bij WoltersKluwer verscheen.

Inhoudsopgave van deze pagina:

Algemene bepaling

De Grondwet waarborgt de grondrechten van burgers alsmede de democratische rechtsstaat.

De regering heeft onlangs besloten een algemene bepaling aan de Grondwet toe te voegen. De tekst ervan is hier overgenomen.

Hoofdstuk 1: Het Koninkrijk der Nederlanden

Artikel 1

Allen, die zich in Nederland bevinden worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Omdat de tekst van artikel 1 van de huidige Grondwet als openingsartikel algemeen aanvaard is blijft het hier ook zo. Wel is het tweede gedeelte tot haar essentie verkort

Artikel 2

  • 1. 
    Nederland is een door de Grondwet begrensde monarchie met een parlementair stelsel. Zij wordt als rechtsstaat door wet en recht vormgegeven.

De kern van onze staatsstructuur en rechtsstaat ('the rule of law') verdient vermelding opdat daaraan elke wet- en regelgeving en handhaving steeds getoetst kan worden.

  • 2. 
    Grondwetsbepalingen kunnen bij of krachtens de wet nader worden uitgewerkt, mits de kern niet wordt aangetast.

Om herhaling bij vele artikelen te voorkomen wordt hier de mogelijkheid om bij gewone wet de betreffende Grondwetsbepaling te kunnen uitwerken vermeld (naar een idee van Tijn Kortmann)

Hoofdstuk 2: Grondrechten en plichten

Artikel 3

  • 1. 
    Een ieder die zich in Nederland bevindt wordt door grondrechten beschermd, zoals tevens bekrachtigd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
  • 2. 
    Er gelden de volgende grondrechten en grondplichten van burgers en overheid jegens elkaar.

Bij een 'tweezijdig contract' tussen staat en burger horen rechten èn plichten van beide zijden.

 

Behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet zijn de Grondrechten van de burger

 

vrijheidsrechten:

vrijheid van meningsuiting

 

vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

 

vrijheid van vereniging, vergadering en betoging

 

niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen anders dan bij of krachtens de wet is bepaald

gelijkheidsrechten:

iedere meerderjarige Nederlander heeft actief en passief kiesrecht

 

ieder heeft het recht van petitie

rechten van de persoonlijke levenssfeer:

eerbiediging van ieders lichaam

 

eerbiediging van ieders huis

 

eerbiediging van ieders vertrouwelijke communicatie

overige grondrechten van de burger:

eigendomsrecht met de mogelijkheid van onteigening in het algemeen belang

   

grondplichten van de burger:

dat hij zich aan de wetten en andere bindende regels houdt

 

dat hij beschikbaar is voor het vervullen van de militaire of maatschappelijke dienstplicht

 

dat hij belasting betaalt

   

verplichtingen van de overheid:

  • – 
    dat zij tegenover de burgers alleen mag optreden bij of krachtens de wet
 
  • – 
    dat zij in het verkeer met burgers de beginselen van behoorlijk bestuur in acht neemt
 
  • – 
    dat zij bij elk ontwerp van wet of regelgeving de rechtmatigheid, de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid toelicht en zonodig voldoende middelen beschikbaar stelt
 
  • – 
    dat zij zorgt dat iedere ingezetene onderwijs krijgt in de parlementaire democratie en de beginselen van de rechtsstaat en dat dit als eindexamenvak op middelbare scholen wordt afgenomen.

Het huidige Grondwetsartikel 19 – bevordering van werkgelegenheid is een voorwerp van zorg der overheid etc. – is een inspanningsverplichting van de overheid en kan niet tot de hier op te sommen afdwingbare rechten van de burger of plichten van de overheid worden beschouwd. Nadere evaluatie van de feitelijke betekenis van dit artikel sinds invoeging van dit artikel in 1979 is wenselijk. Overheveling naar de gewone wet? Een soortgelijke benadering kan gelden voor de zorgplicht van de overheid voor de volksgezondheid.

  • 3. 
    Geen feit is strafbaar zonder voorafgaande wettelijke strafbepaling. De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Hoofdstuk 3: De Staten-Generaal

Kenmerkend voor ons parlementair stelsel zijn twee vertrouwenslijnen: één tussen kiezers en gekozenen en één tussen parlement en regering. De eerste vertrouwenslijn wordt bij verkiezingen bevorderd door de helft van de zetels landelijk volgens evenredigheid te verkiezen en de andere helft van de zetels met een districtenstelsel. Hierdoor wordt de herkenbaarheid en aanspreekbaarheid van die Kamerleden in het betreffende district belangrijk versterkt terwijl de voordelen van een landelijke lijst blijven bestaan.

De tweede vertrouwenslijn kan zonder voldoende vertrouwen tussen regering en parlement het stelsel niet functioneren. Een stabiele regering, gebaseerd op een breed draagvlak in het parlement is (zeker in een onzekere tijden) onontbeerlijk. Er is met de bepaling om verkiezingen in twee ronden te houden (artikel 5.3) een nieuwe balans gezocht tussen de forumfunctie – platform voor uitwisseling van meningen en standpunten -van het parlement en haar rol in het besluitvormingsproces. De voortdurende versplintering van de fracties in het parlement zal vroeg of laat de stabiliteit van het stelsel bedreigen. Een minderheidsregering zal zelden of nooit grote hervormingen tot stand kunnen brengen en kan makkelijk over kiezelsteentjes struikelen. Met de keus voor de zes grootste fracties, die naar de tweede ronde door mogen, is deze balans weer in evenwicht: meer fracties leidt tot te weinig parlementaire slagkracht, minder fracties leidt tot een te geringe forumfunctie. De coalitie van de regeringspartijen en de countervailing power van de oppositie worden beide op deze wijze versterkt. De effectieve werking van het parlementair stelsel is er mee gediend. Met dit systeem worden de kleinste partijen gestimuleerd om samen te werken of samenwerking met een grote partij te zoeken. Er is in dit voorstel geen sprake van een verborgen kiesdrempel, zoals wel beweerd wordt. Hier telt elke stem, de kern van onze democratie. In elke ronde geldt evenredige vertegenwoordiging. Bij invoering van een kiesdrempel is dat niet het geval en is dus voor democraten sowieso verwerpelijk.

Artikel 4

  • 1. 
    De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.
  • 2. 
    De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede en de Eerste Kamer en vormen tezamen met de regering de wetgevende macht
  • 3. 
    De Tweede Kamer bestaat uit 160 leden, de Eerste Kamer bestaat uit 80 leden. Uit hun midden worden de beide voorzitters gekozen.

Om de invoering van een gemengd kiesstelsel praktisch uitvoerbaar te maken zijn de aantallen zetels van beide Kamers licht aangepast. Zie verder ook artikel 5.5

  • 4. 
    Gehoord de Raad van State worden voorstellen van wet door de regering of de Tweede Kamer zelf aan de Tweede Kamer aangeboden. De Tweede Kamer behandelt en aanvaardt al of niet met gebruikmaking van haar recht van amendement wetsontwerpen of verwerpt hen.
  • 5. 
    De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten alleen wanneer meer dan de helft van de leden aanwezig is. Zij besluiten bij meerderheid van stemmen. De leden stemmen zonder last. Vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt. Door de Kamer of de Kamers in verenigde vergadering wordt beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.
  • 6. 
    De Eerste Kamer behandelt wetsvoorstellen na aanvaarding in de Tweede Kamer. Zij controleert in het bijzonder de rechtmatigheid, de handhaafbaarheid en de uitvoerbaarheid van wetsontwerpen. Vervolgens aanvaardt zij het wetsvoorstel of zendt het betreffende wetsontwerp onder vermelding van redenen terug naar de Tweede Kamer. Gehoord de opvatting van de regering daarover aanvaardt de Tweede Kamer al of niet met gebruikmaking van het recht van amendement het wetsontwerp of verwerpt het. Vervolgens kan de Eerste Kamer bij aanvaarding in de Tweede Kamer het wetsontwerp slechts aanvaarden of verwerpen.

Om tegemoet te komen aan het bezwaar dat de Eerste Kamer een dubbel van de Tweede Kamer vormt is haar speciale taak expliciet opgenomen en krijgt de Eerste Kamer het terugzendrecht.

  • 7. 
    Door de Kamers aangenomen wetten worden na ondertekening door het staatshoofd door de regering in het Staatsblad afgekondigd en gaan dertig dagen daarna in werking tenzij naar oordeel van de regering om dringende redenen eerder noodzakelijk is. De regering is verantwoordelijk voor de uitvoering en met inachtnemening van de eigen verantwoordelijkheid van de Rechterlijke Macht de handhaving van de wet.

Artikel 5

  • 1. 
    De wet op de politieke partijen of groeperingen bepaalt aan welke democratische eisen een politieke partij of groepering moet voldoen om aan verkiezingen te kunnen deelnemen.

Een nieuwe wet op politieke partijen moet het mogelijk maken dat onder andere aan het democratisch gehalte van zo'n partij eisen worden gesteld bij registratie door de Kiesraad.

  • 2. 
    De leden van de Tweede en de Eerste Kamer worden ieder om de vier jaar gekozen. Zij zijn lid van de fractie van de politieke partij of groepering, waarvoor zij op de kieslijst staan.
  • 3. 
    Een lid kan door zijn fractie uit zijn fractie gezet worden of zelf uit zijn fractie treden, waarmee zijn lidmaatschap van de Staten-Generaal eindigt tenzij hij met meer stemmen dan de kiesdeler is verkozen. Hij vormt dan een nieuwe fractie. Is hij met minder stemmen dan de kiesdeler verkozen dan neemt de eerst opvolgende op de kieslijst van de betreffende partij diens zetel in.

Hier wordt de Grondwet aangepast aan de werkelijkheid: men is tevens lid van de fractie van zijn partij. Echter met dien verstande dat eventuele fractieverlaters minstens de kiesdeler moet hebben gehaald om lid van een Kamer te kunnen blijven.

  • 4. 
    Verkiezingen geschieden in twee ronden: in de eerste ronde kunnen alle in het kiesregister ingeschreven partijen deelnemen en dertig dagen later in een tweede ronde alleen de grootste zes van de uitkomst van de eerste ronde.

Zie toelichting aan het begin van dit hoofdstuk.

  • 5. 
    Nederland kent een gemengd evenredig kiesstelsel met veertig districten: voor de ene helft van de zetels geldt een districtenstelsel met 40 districten. De andere helft wordt landelijk gekozen. Voor de Tweede Kamer worden twee vertegenwoordigers met de meeste stemmen per district gekozen en tachtig leden worden met de meeste stemmen uit landelijke kieslijsten verkozen. Voor de Eerste Kamer wordt per district één vertegenwoordiger, die de meeste stemmen heeft gekozen en veertig worden uit landelijke kieslijsten met de meeste stemmen gekozen. De indeling van het land wordt naar samenhang en gelijksoortige bevolkingsomvang door de Kiesraad vastgesteld. De districtsindeling wordt eens in de twaalf jaar door haar opnieuw bepaald.

Om de afstand tussen kiezer en gekozenen te verkleinen is gekozen voor een gemengd stelsel: het land wordt verdeeld in 40 districten waarbij voor de Tweede Kamerverkiezingen voor tachtig zetels ieder district twee vertegenwoordigers heeft. Voor landelijke kandidaten zijn er 80 zetels ; voor de Eerste Kamer is dit 1 per district en 40 voor de landelijk te verkiezen kandidaten. Een gemengd stelsel heeft het voordeel dat enerzijds de afstand wordt verkleind maar anderzijds ook geprofiteerd kan worden van landelijk aanwezige ervaring en expertise. Ook hier dus weer een balans in zeker evenwicht.

  • 6. 
    De regering kan tussentijds elk der Kamers ontbinden. Zij moet binnen drie maanden nieuwe verkiezingen uitschrijven. De nieuw gekozen Kamer moet binnen die termijn bijeenkomen.

Artikel 6

  • 1. 
    Bij aanvaarding van hun ambt leggen de leden de eed dan wel de verklaring en belofte af en zweren of beloven trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
  • 2. 
    Een ieder die deelneemt aan de vergaderingen van de Staten-Generaal of hun Commissies kan niet in rechte worden vervolgd voor hetgeen zij daar hebben gezegd, schriftelijk of digitaal hebben overgelegd.
  • 3. 
    Elke Kamer heeft een door haar zelf vast te stellen Reglement van Orde. Zij bepalen zelf de hoogte van hun jaarlijks kosten budget en het honorarium der leden.

Artikel 7

  • 1. 
    Ieder lid van Tweede of Eerste Kamer mag inlichtingen vragen aan de regering. De regering dient hen binnen redelijke termijn te beantwoorden tenzij het belang van de staat zich er tegen verzet.
  • 2. 
    De Tweede Kamer heeft het enquêterecht.

Hoofdstuk 4: Het staatshoofd

Algemene toelichting:

De grondwettelijke beschrijving van de positie van de Koning verdient aanpassing aan de werkelijkheid. Thorbecke heeft in 1848 bewerkstelligd dat er sindsdien een regering is waar de Koning deel van uitmaakt echter zonder dat hij daarin een rol van betekenis heeft (wel lid maar geen deelnemer aan beraadslagingen en geen stemrecht). Hierdoor kon ons huidige parlementair stelsel definitief gevormd gaan worden. Het was sindsdien vanzelfsprekend dat de Koning staatshoofd bleef, die nu dan samen met zijn ministers Koninklijke Besluiten kon nemen, representatieve verplichtingen vervulde e.d., altijd onder ministeriële verantwoordelijkheid. De laatste decennia zijn er echter enige ontwikkelingen geweest, die noodzaken deze constructie nader te bezien. Het internationale verband, waar Nederland steeds intensiever deel van uitmaakt, maakt terecht onderscheid tussen regeringsleiders en staatshoofden, dat wij in de Grondwet niet kennen. In de Grondwet is de taak en verantwoordelijkheid van de Koning met zijn deelname aan de regering onhelder omschreven. Voor de vele Nederlanders met een andere achtergrond dan ons land maar ook voor vele Nederlanders voor wie dit onderwerp geen dagelijkse praktijk is, is dit nauwelijks uit te leggen. Daarnaast is in 2012 de enige ongeschreven politieke taak van de Koning – het benoemen van een (in)formateur) – vervallen. Ook zijn historisch voorzitterschap van de Raad van State dient hier bij betrokken worden. Wat blijft er precies over? Waar staat voor de Nederlander nu de grondwettelijke taak en verantwoordelijkheid van zijn of haar Koning helder en duidelijk te lezen?

Het lijkt juist aan de overblijvende vrij gekunstelde en voor velen onduidelijke situatie nader aandacht te geven. In dit verband is het van belang zijn feitelijke rol van staatshoofd hierbij te betrekken. Het is op zijn minst uitzonderlijk te noemen dat in de grondwettelijke beschrijving van ons staatsbestel de functie van staatshoofd in het geheel niet voorkomt. In 1848 was het de sleutel tot invoering van het parlementair stelsel: de koning wel lid van de regering zonder deelname aan vergaderingen of stemrecht. In 1983 vond de Grondwetgever het nog niet opportuun om aanpassingen op dit punt aan te brengen. Nu – in 2019 – is het gelet op bovengenoemde ontwikkelingen tijd om in de Grondwet wel die helderheid te verschaffen.

In een Grondwet, waar alle belangrijke staatsinstellingen worden beschreven mag het staatshoofd niet ontbreken. De tekst van de Grondwet verdient op dit punt in overeenstemming te worden gebracht met de feitelijke situatie: de koning wordt algemeen als staatshoofd beschouwd. Zijn lidmaatschap van de regering – zonder bevoegdheden, die daarbij horen (vergaderen en stemmen) – kan vervallen. Zijn positie alsmede zijn taken en verantwoordelijkheden die hij in de functie van Staatshoofd moet kunnen uitoefenen dienen in de Grondwet helder omschreven te worden. Ook zijn formele voorzitterschap van de Raad van State kan vervallen wanneer hij staatshoofd is. Onduidelijkheid over zijn positie maakt zo plaats voor duidelijkheid. Een goede positiebepaling van het staatshoofd tot de regering en de Staten-Generaal en omgekeerd is er mee gediend. Het past ,als gezegd, bij het gebruik om in internationaal verband te spreken van Staatshoofd , in ons land de Koning en van Regeringsleider, in ons land de Minister-president. Ook voor vele nederlanders en mede-nederlanders is deze omschrijving duidelijk.

De positie van Minister-president wordt hierdoor verduidelijkt mede door versterking van zijn leidinggevende rol in de regering. Hierdoor kan hij meer focus geven aan het regeringsbeleid.

Artikel 8

  • 1. 
    De Koning is het staatshoofd van het Koninkrijk der Nederlanden. Hij is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk.
  • 2. 
    Het staatshoofd legt bij de aanvang van zijn ambt de eed of belofte af in de hoofdstad van het land Amsterdam. Hij beëdigt de Minister-president, de Ministers en Staatssecretarissen, Commissarissen van de Provincies en de Burgemeesters van de hoofdstad en de hoofdsteden van de Provincies alsmede de President van de Hoge Raad en de Voorzitter van de Raad van State, de Rekenkamer en de Ombudsman, waarna zij hun ambt aanvangen.
  • 3. 
    Het staatshoofd wordt door de ministers regelmatig en tijdig over het beleid en besluiten van de regering geïnformeerd. Hij kan hen en de Commissarissen van de Provincies en bovengenoemde burgemeesters alsmede de voorzitters van de Hoge Colleges van Staat bevragen, adviseren en stimuleren. Zij informeren hem tijdig en regelmatig.
  • 4. 
    De Koning heeft met in achtneming van het openbaar belang de vrijheid zijn eigen staf, huisvesting, vervoer, communicatiemiddelen en alle bijbehorende zaken te regelen.

Dit is dus een bestaande uitzondering op de ministeriële verantwoordelijkheid.

Artikel 9

  • 1. 
    Het koningschap is opgedragen aan het Huis van Oranje-Nassau en wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau. De Koning oefent het koninklijk gezag uit vanaf zijn 18de levensjaar. De wet regelt de voogdij en waarneming van het koningschap in bijzondere omstandigheden. Hij kan uit eigen beweging afstand doen van de troon.
  • 2. 
    De wet regelt wie lid is van het koninklijk huis.

Artikel 10

Ieder dient de persoonlijke levenssfeer van de Koning en zijn gezin te eerbiedigen.

Artikel 11

Het Staatshoofd, zijn of haar echtgeno(o)t(e) en hun oudste kind vanaf zijn of haar 18de levensjaar ontvangen ten laste van het Rijk jaarlijks uitkeringen naar de regels van de wet. Deze wet bepaalt welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen. De drie eerstgenoemden in dit artikel alsmede het afgetreden Staatshoofd en zijn echtgeno(o) t (e) hebben daarnaast recht op geldelijke voorzieningen van rijkswege. De vermogensbestanddelen en jaarlijkse uitkeringen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie zijn vrij van persoonlijke belastingen. Betaling van successierecht, de rechten van overgang en schenking zijn voor de Koning en zijn vermoedelijke opvolger onverschuldigd. Wetten ter nadere uitwerking van dit artikel kunnen alleen aangenomen of gewijzigd worden met tweederde meerderheid der stemmen van beide Kamers der Staten-Generaal.

Hoofdstuk 5: De Regering

Artikel 12

  • 1. 
    De regering wordt gevormd door de Minister-president en de Ministers. Bij Koninklijk Besluit benoemt en ontslaat het staatshoofd de Minister-president op enkelvoudige voordracht van de Tweede Kamer. Benoeming en ontslag van de Ministers alsmede die van Staatssecretarissen geschiedt op enkelvoudige voordracht van de Minister-president door het staatshoofd.

Nu de functie van de Koning opnieuw is omschreven verdient die van de Regering en in het bijzonder die van de Minister-president eveneens aandacht. De regering bestaat voortaan uit de Minister-president en de ministers. De term 'ministerraad' is overbodig geworden. De Tweede Kamer doet een enkelvoudige voordracht voor benoeming en ontslag van de Minister-president door het staatshoofd. Zijn leidinggevende rol wordt versterkt en komt tot uiting door zijn benoemings- en ontslagrecht van de ministers en staatssecretarissen en zijn aanwijzingsmogelijkheid aan ministers. Zijn leidinggevende verantwoordelijkheid komt eveneens tot uitdrukking in zijn benoemings-en ontslagrecht van ministers en staatssecretarissen.

  • 2. 
    De regering heeft het vertrouwen van de Staten-Generaal. Een meerderheid van de Tweede of Eerste Kamer kan bij gebrek aan vertrouwen de regering of een of meer ministers of staatssecretarissen heenzenden.

Artikel 13

  • 1. 
    De regering beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid. De minister-president zit de vergadering van de regering voor en geeft daaraan leiding . Hij bevordert de eenheid van beleid. Hij kan ministers daartoe aanwijzingen geven. Hij vertegenwoordigt de regering in de Europese Raad.

De Minister-president wordt dan wel (nog) niet verkozen maar steeds meer wordt hij als hoofdverantwoordelijke voor het regeringsbeleid beschouwd en dus ook als van politiek zwaarder gewicht dan zijn collega-ministers. Dit dient tot uitdrukking te komen in zijn bevoegdheden, vandaar dat hij voortaan ministers kan benoemen of ontslaan en hen aanwijzingen kan geven. Ook is zijn functie zwaarder geworden vanwege de vele EU- en andere internationale verbanden waar hij namens de Nederlandse regering optreedt en daarin slagvaardig moet kunnen opereren.

  • 2. 
    Op de derde dinsdag in september – Prinsjesdag – wordt in aanwezigheid van het Staatshoofden de meerderjarige Kroonprins of Kroonprinses alsmede hun of haar echtgeno(o)ten/tes in een plechtige verenigde vergadering van de Staten-Generaal de toestand van het land en het voorgenomen regeringsbeleid door de minister-president namens de regering toegelicht.

Artikel 14

Bij Besluit van de Minister-president gaat met instemming van de betreffende minister een deel van zijn portefeuille naar zijn staatssecretaris over met inachtneming van diens aanwijzingen.

Artikel 15

  • 1. 
    De regering heeft de plicht de integriteit van het Koninkrijk te handhaven en tegen onwettige aantasting te beschermen. Vrijheid en onafhankelijkheid van het Koninkrijk en haar burgers dienen door de regering gewaarborgd te zijn. De regering is bij voortduring – en indien wenselijk in NAVO- of ander internationaal verband - belast met de voorbereiding van de defensie van het Koninkrijk en de handhaving van de internationale rechtsorde en kan zonodig daadwerkelijk al of niet in gezamenlijk verband optreden. Hiertoe zijn er een goed uitgeruste en geoefende krijgsmacht en daarvoor ingerichte civiele diensten. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht en die diensten.

Het moet volstrekt duidelijk zijn dat de regering een belangrijke verantwoordelijkheid heeft in de bescherming van Nederland. Dit gaat verder dan de nog steeds belangrijke klassieke defensie door de krijgsmacht nu via digitale weg instellingen en bedrijven zeer regelmatig worden aangevallen. Ook hier behoort de krijgsmacht samen andere civiele diensten een verantwoordelijke taak te hebben.

  • 2. 
    De regering is verder belast met de voorbereiding, vaststelling en uitvoering van het rijksbeleid. Hieronder valt de zorg voor binnenlandse veiligheid, justitie en politie, binnenlandse en buitenlandse zaken, economische en ruimtelijke ontwikkeling, sociale zekerheid , cultuur, milieu en klimaat, verkeer en infrastructuur, werkgelegenheid, volksgezondheid, onderwijs en wonen en het bijbehorend financieel beleid en beheer inclusief het heffen en innen van belastingen. Samenwerking in EU- of VN-verband wordt zo nodig bevorderd. Dit voor zover niet aan de Staten-Generaal of bij of krachtens de wet aan andere instellingen is opgedragen.
  • 3. 
    Het geven van onderwijs is vrij behoudens het toezicht van de overheid op de kwaliteit ervan. De regering draagt zorg dat er voldoende basis- en middelbaar onderwijs voldoende gespreid over het land gegeven wordt. Dit betreft openbaar en bijzonder onderwijs. Gemeentebesturen bevorderen zo nodig oprichting, instandhouding en samenwerking van beide. Er is bij de financiering van het basisonderwijs gelijkstelling tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Kwaliteitseisen kunnen daarbij gesteld worden. Het onderwijs zelf bepaalt hoe het gegeven wordt.

Hoofdstuk 6: De Rechterlijke Macht

Artikel 16

  • 1. 
    Iedereen, die zich in Nederland bevindt heeft toegang tot de rechter. De rechter is onafhankelijk en onpartijdig.
  • 2. 
    De rechterlijke macht bestaat uit de zittende magistratuur: de rechters en de staande magistratuur: de leden van het Openbaar Ministerie. De Raad voor de Rechtspraak geeft leiding aan en maakt als zodanig deel uit van de organisatie van de Rechterlijk Macht.

    Terechtzittingen zijn openbaar, tenzij de rechter anders beslist. Rechterlijke uitspraken zijn altijd openbaar. Vonnissen houden de gronden in , waarop zij rusten.

Artikel 17

De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht. De bestuursrechtspraak maakt als zodanig deel uit van de onafhankelijke rechterlijke macht.

Bestuursrechtspraak in de betreffende Afdeling van de Raad van State wordt uitdrukkelijk als onderdeel van de Rechtelijke Macht beschouwd ondanks dat zij deel uitmaakt van de Raad van State. Het Openbaar Ministerie komt in de huidige Grondwet slechts zijdelings ter sprake. Gezien haar betekenis in de rechtspraak en de onafhankelijke rol die zij daarin speelt verdient zij aparte vermelding in de Grondwet. Dat zij in regelmatig contact staat met de Minister van Jusititie doet hier niet aan af. Haar hoofdtaak van vervolging van individuele misdrijven is haar zelfstandige bevoegdheid. Het algemeen te voeren vervolgingsbeleid wordt bepaalt door de minister van Justitie.

Artikel 18

De leden van de Hoge Raad der Nederlanden alsmede de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad worden, gehoord de Raad voor de Rechtspraak, voor benoeming als lid of voorzitter van die Raad door de voorzitter en twee leden van die Raad enkelvoudig voorgedragen en door de regering voor het leven met inachtneming van de wettelijke leefstijdsgrens benoemd. Zij kunnen alleen in bijzondere gevallen bij de wet bepaald, door een rechterlijke instelling worden geschorst of ontslagen. Alle overige rechters worden op drievoudige aanbeveling van de betreffende rechtelijke instantie in een enkelvoudige voordracht van de Raad voor de Rechtspraak onder dezelfde voorwaarden als de leden van de Hoge Raad benoemd, respectievelijk geschorst of ontslagen.

Rechters dienen in een zo onafhankelijk mogelijke procedure door de regering te worden benoemd.

Artikel 19

De Raad voor de Rechtspraak is het overkoepelend bestuur voor de rechtspraak en bepaalt de het jaarlijks budget, dat voor de rechtspraakorganisatie van rechterlijke instanties en het Openbaar Ministerie benodigd is. De begroting met toelichting wordt ongewijzigd in het wetsontwerp van de rijksbegroting opgenomen ter beoordeling en vaststelling door de Staten-Generaal. Het verslag van het afgelopen jaar wordt als verantwoording bij de ontwerp-jaarbegroting gevoegd. De voorzitter en leden van de Raad worden op enkelvoudige voordracht van de Raad steeds voor vier jaar uit de leden van de Rechterlijke Macht door de regering benoemd.

De zorgvuldigheid en het tempo van de rechtspraak mag niet lijden onder haar financiële afhankelijkheid van het regeringsbeleid (bezuinigingen). Zij wordt daardoor kwetsbaar en kan zich moeilijk verdedigen. De op dit punt zo noodzakelijke scheiding van machten komt anders in gevaar. Vandaar dat bijzondere grondwettelijke bescherming van haar onafhankelijkheid en kwaliteit nodig is.

Artikel 20

  • 1. 
    De rechter toetst de wetten aan de Grondwet.

    De Hoge Raad kan op vordering van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad een verdrag, wet of ander algemeen verbindend voorschrift in strijd met de Grondwet verklaren en vernietigen.

Constitutionele toetsing door de rechter waarborgt de Grondwet voor eventuele onwettige aantasting. Dit nieuwe artikel geeft de garantie dat de Grondwet ook door de wetgever nageleefd behoort te worden.

  • 2. 
    De Hoge Raad beslist op vordering van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad of een politieke partij of groepering antidemocratisch is en derhalve door haar verboden wordt.

Politieke partijen, die anti-democratische doeleinden daadwerkelijk nastreven moeten verboden kunnen worden. Een kwetsbare democratie heeft dat nodig. Juist nu in Europa dergelijke ideeën de kop op steken lijkt deze toevoeging geen overbodige luxe.

  • 3. 
    De wet regelt welke ambtsdragers wegens ambtsmisdrijven terecht staan voor de Hoge Raad alsmede de bijbehorende procedure.

Hoofdstuk 7: Hoge Colleges van Staat

Artikel 21

Er zijn drie Hoge Colleges van Staat welke de regering gevraagd of ongevraagd kunnen adviseren:

  • de Raad van State
  • de Algemene Rekenkamer
  • de Nationale Ombudsman

De wet regelt nader hun samenstelling, benoeming en ontslag, alsmede hun taken en bevoegdheden.

Hoofdstuk 8: Mede-overheden

Artikel 22

  • 1. 
    Mede-overheden zijn gemeenten, provincies en waterschappen. Zij mogen zelf hun belangen regelen, belastingen heffen en besturen. Slechts bij of krachtens de wet kan van hen de uitvoering van rijkstaken worden gevorderd. Daarvoor worden voldoende middelen en mogelijkheden ter beschikking gesteld. Dit geldt evenzeer voor decentralisatie van rijkstaken aan medeoverheden.
  • 2. 
    De wet regelt de inrichting, de samenstelling en het bestuur van gemeenten, provincies en waterschappen. Zij zijn nevengeschikt aan de rijksoverheid. Zij kunnen onderling gemeenschappelijke regelingen of andere verbanden aangaan.

Hoofdstuk 9: Statuut en Internationaal

Artikel 23

  • 1. 
    Het Statuut voor het Koninkrijk bepaalt wie tot het Koninkrijk behoren alsmede de verhouding van de rijksdelen tot elkaar en welke taken en verantwoordelijkheden aan de verschillende onderdelen kunnen worden toegedeeld.
  • 2. 
    Het Koninkrijk der Nederlanden eerbiedigt het internationaal recht.
  • 3. 
    Internationale verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekend gemaakt. Verdragen worden niet aangegaan of opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten- Generaal. Wijkt een verdrag af van de Grondwet dan is daarvoor goedkeuring nodig met tweederde van de uitgebrachte stemmen.
  • 4. 
    Met in acht name van artikel 23.3 kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.
  • 5. 
    Binnen het Koninkrijk geldende voorschriften vinden geen toepassing indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
  • 6. 
    Nederland maakt deel uit van de Europese Unie, de Verenigde Naties en de Noord- Atlantische Verdrags Organisatie.

Hoofdstuk 10: Overige Bepalingen

Artikel 24

De wet bepaalt dat er grond is voor een grondwetsherziening in eerste lezing.

Vervolgens worden de Kamers ontbonden en verkiezingen gehouden waarna een behandeling in tweede lezing in een gezamenlijke vergadering van Tweede en Eerste Kamer plaatsvindt en het voorstel met tweederde van het gezamenlijk aantal uitgebrachte stemmen wordt aangenomen.

Artikel 25

Al hetgeen niet letterlijk of qua strekking in bovenstaande tekst van deze Grondwet is vermeld , wordt met de definitieve aanvaarding van deze Grondwet zolang zij niet in een wet is opgenomen of door de regering vervallen is verklaard als gewone wetsbepaling gehandhaafd mits niet in strijd met deze Grondwet.