Artikel 220: Algemeene Directie van den Waterstaat houdt nationaal toezicht

219
Artikel 220
221

Zoodanige zee- of rivierwaterkeerende dijk-, sluis- en andere waterwerken, als door kollegiën, gemeenten of particulieren bekostigd en beheerd worden, staan onder het onmiddellijk toezigt van de Algemeene Directie van den Waterstaat, welke zorgt dat bij het aanleggen of herstellen dier werken niets geschiede, hetwelk nadeel aan de algemeene belangen zoude kunnen toebrengen, en aan dezelve kollegiën, gemeenten of particulieren daaromtrent de noodige voorschriften geeft.

Het onmiddellijk toezigt over de in dit artikel vermelde werken, zal almede door den Koning aan de Staten der Provincie, in welke de werken zich bevinden, kunnen worden opgedragen, voor zoo veel omtrent eenige van dezelven redenen van nuttigheid bestaan.

1.

Ontwikkeling artikel

1814

Dienvolgens behooren bij uitsluiting tot de beheering der Directie van den algemeenen Waterstaat alle zoodanige Zee- of Rivier-waterkeerende Dijk- Sluis- en andere Waterwerken, als uit de algemeene Schatkist betaald en onderhouden worden.

Voor zoo verre soortgelijke werken door eenige kollegiën, gemeenten of particulieren bekostigd worden, staan dezelve onder het onmiddellijk toezigt der Directie van den algemeenen Waterstaat, welke zorg draagt, dat de aanteleggen werken aan de algemeene belangen geen nadeel toebrengen en aan dezelve kollegiën, gemeenten of particulieren daaromtrent de noodige voorschriften geeft.

1815

Zoodanige zee- of rivierwaterkeerende dijk-, sluis- en andere waterwerken, als door kollegiën, gemeenten of particulieren bekostigd en beheerd worden, staan onder het onmiddellijk toezigt van de Algemeene Directie van den Waterstaat, welke zorgt dat bij het aanleggen of herstellen dier werken niets geschiede, hetwelk nadeel aan de algemeene belangen zoude kunnen toebrengen, en aan dezelve kollegiën, gemeenten of particulieren daaromtrent de noodige voorschriften geeft.

Het onmiddellijk toezigt over de in dit artikel vermelde werken, zal almede door den Koning aan de Staten der Provincie, in welke de werken zich bevinden, kunnen worden opgedragen, voor zoo veel omtrent eenige van dezelven redenen van nuttigheid bestaan.

1840: art 218