Artikel 78: Omvang Eerste Kamer; Eisen leden; Wijze van verkiezing; Herkomst leden

77
Artikel 78
79

De Eerste Kamer bestaat uit 39 leden.

Zij moeten behooren tot de hoogst aangeslagenen in de rijks-directe belastingen. Het getal dezer hoogst aangeslagenen, waaruit zij worden gekozen, wordt in elke provincie zoo bepaald, dat op iedere drie duizend zielen één, die tevens de overige vereischten bezit om lid dezer Kamer te zijn, verkiesbaar is.

Deze overige vereischten zijn dezelfde, welke voor de leden der Tweede Kamer worden gevorderd.

Zij worden verkozen door de Provinciale Staten, in de volgende verhouding:

Noordbrabant 5

Gelderland 5

Zuidholland 7

Noordholland 6

Zeeland 2

Utrecht 2

Friesland 3

Overijssel 3

Groningen 2

Drenthe 1

Limburg 3

39 leden.

Ingeval van vereeniging of splitsing van provinciën voorziet dezelfde wet, die dit beveelt, in de wijziging, welke daardoor in deze verhouding noodig zal worden bevonden.

1.

Ontwikkeling artikel

1798

Ter daarstellinge dezer verdeeling in twee Kamers, houden alle de Leden van dit Lichaam, jaarlijks, op den laatsten Dingsdag der maand Julij, eene algemeene Vergadering, kiezen alsdan, uit het volle getal van alle de verkozenen i tot het Vertegenwoordigend Lichaam, dertig Leden, welke de Tweede Kamer uitmaken, vormende de overige Leden te zamen de Eerste Kamer.

1814

Aan de Staten der Provinciën of Landschappen wordt opgedragen het verkiezen der leden van de vergadering der Staten-Generaal, in of buiten hun midden, en zoo veel doenlijk, uit alle de oorden van hunne Provincie of Landschap.

1815

De andere kamer, welke den naam van eerste draagt, is zamengesteld uit niet minder dan veertig en niet meerder dan zestig leden, den vollen ouderdom van veertig jaren bereikt hebbende, welke door den Koning voor hun leven benoemd worden, en gekozen uit hen die door diensten aan den Staat bewezen, door hunne geboorte of gegoedheid onder de aanzienlijksten van den lande behooren.

1840

De andere kamer, welke den naam van Eerste draagt, is zamengesteld uit niet minder dan twintig en niet meerder dan dertig leden, den vollen ouderdom van veertig jaren bereikt hebbende, welke door den Koning voor hun leven benoemd worden, en gekozen uit hen, die door diensten aan den Staat bewezen, door hunne geboorte of gegoedheid onder de aanzienlijksten van den Lande behooren.

1848

De Eerste Kamer bestaat uit 39 leden.

Zij moeten behooren tot de hoogst aangeslagenen in de rijks-directe belastingen. Het getal dezer hoogst aangeslagenen, waaruit zij worden gekozen, wordt in elke provincie zoo bepaald, dat op iedere drie duizend zielen één, die tevens de overige vereischten bezit om lid dezer Kamer te zijn, verkiesbaar is.

Deze overige vereischten zijn dezelfde, welke voor de leden der Tweede Kamer worden gevorderd.

Zij worden verkozen door de Provinciale Staten, in de volgende verhouding:

Noordbrabant 5

Gelderland 5

Zuidholland 7

Noordholland 6

Zeeland 2

Utrecht 2

Friesland 3

Overijssel 3

Groningen 2

Drenthe 1

Limburg 3

39 leden.

Ingeval van vereeniging of splitsing van provinciën voorziet dezelfde wet, die dit beveelt, in de wijziging, welke daardoor in deze verhouding noodig zal worden bevonden.

1887

De Eerste Kamer bestaat uit vijftig leden.

Zij worden verkozen door de Provinciale Staten, in de volgende verhouding:

Noordbrabant 6

Gelderland 6

Zuidholland 10

Noordholland 9

Zeeland 2

Utrecht 2

Friesland 4

Overijssel 3

Groningen 3

Drenthe 2

Limburg 3

50 leden.

In geval van vereeniging, splitsing of grensverandering van provinciën of vorming van nieuwe voorziet de wet in de wijziging, welke daardoor in deze verhouding noodig zal worden bevonden.

1917

De Eerste Kamer bestaat uit vijftig leden.

Zij worden verkozen door de Staten der provinciën op de wijze bij de wet te bepalen.

1922

De Eerste Kamer bestaat uit vijftig leden.

Zij worden verkozen door de leden van de Staten der provinciën op den grondslag van evenredige vertegenwoordiging.

1938

De Eerste Kamer bestaat uit vijftig leden.

Zij worden verkozen door de leden van de Staten der provinciën op den grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.

1948: art 85, 1953: art 92
1956

De Eerste Kamer bestaat uit vijf en zeventig leden.

Zij worden verkozen door de leden van de Staten der provinciën op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.

1963: art 92, 1972: art 92
1983

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

1987: art 55, 1995: art 55, 1999: art 55, 2000: art 55, 2002: art 55, 2005: art 55, 2006: art 55, 2008: art 55
2017

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten en de leden van een kiescollege als bedoeld in artikel 132a, derde lid i. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

2018: art 55
2022
  • 1. 
    De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten en de leden van de kiescolleges, bedoeld in het tweede lid en artikel 132a, derde lid i. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.
  • 2. 
    Ten behoeve van Nederlanders die geen ingezetenen zijn en die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, worden verkiezingen gehouden voor een kiescollege voor de Eerste Kamer. De leden van dit kiescollege worden rechtstreeks gekozen door deze Nederlanders. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten. Artikel 129 i, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.