Overslaan en naar de inhoud gaan


Recht op eerbiediging van het gezins- en familieleven

Er is een wijzigingsvoorstel voor de verankering van het gezins- en familieleven in de Grondwet. Het voorstel is afkomstig van de Tweede Kamerleden Chris Stoffer (SGP), Harmen Krul (CDA) en Don Ceder (ChristenUnie). Met het voorstel zou na artikel 10 een nieuw artikel 10a worden toegevoegd aan de Grondwet.

Het voorstel richt zich op een vijftal onderdelen: (1) de eerbiediging van het recht op familie- en gezinsleven, waaronder het belang van het kind en de positie van ouders; (2) wettelijke bescherming van de economische, sociale en culturele belangen van het familie- en gezinsleven; (3) een specifieke regeling voor maatregelen van kinderbescherming; (4) het recht van eenieder om zijn of haar biologische ouders te kennen; en (5) een jaarlijks verslag over de staat van het gezin aan de Staten-Generaal.

Het wijzigingsvoorstel is op 3 november 2023 ingediend bij de Tweede Kamer. Er heeft een internetconsultatie plaatsgevonden.

Inhoud

  1. Het voorstel
  2. Historische ontwikkeling
  3. Meer informatie

Het voorstel

In het wetsvoorstel wordt voorgesteld om na artikel 10 een nieuw artikel 10a in de Grondwet op te nemen. Dat komt als volgt te luiden:

  1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn familie- en gezinsleven.
  2. De wet stelt regels omtrent de economische, sociale en culturele bescherming van het familie- en gezinsleven.
  3. Bij alle maatregelen van de overheid betreffende kinderen vormen de belangen van het kind een eerste overweging. Hierbij respecteert de overheid de rechten en plichten van de ouders.
  4. Maatregelen van kinderbescherming zijn enkel gerechtvaardigd in bij de wet te bepalen gevallen waarin ingrijpen noodzakelijk is wegens de ernstige bedreiging van de lichamelijke, geestelijke of morele belangen van het kind.
  5. Ieder heeft voor zover mogelijk het recht zijn biologische ouders te kennen, behoudens bij of krachtens de wet te bepalen beperkingen.
  6. De regering doet jaarlijks verslag aan de Staten-Generaal van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven en de economische, sociale en culturele bescherming van het familie- en gezinsleven door de overheid.

Historische ontwikkeling

Het wetsvoorstel komt oorspronkelijk van SGP-Kamerlid Chris Stoffer. Zijn argument voor het wijzigingsvoorstel is dat in veel andere landen het gezin nadrukkelijk wordt genoemd in de Grondwet en dat in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) het recht op familieleven ook is vastgelegd. Hij is van mening dat er in de Nederlandse politiek te weinig aandacht is voor het gezin.

Op 27 maart 2024 bracht de Afdeling advisering van de Raad van State een eerste advies uit over het voorstel. De Afdeling zag op zichzelf geen constitutionele bedenkingen tegen het opnemen van het recht op gezins- en familieleven in de Grondwet, maar plaatste wel kritische kanttekeningen. Zo wees de Afdeling erop dat het begrip 'gezinsleven' in het voorstel beperkter was dan in internationale verdragen, dat de gevolgen voor andere rechtsterreinen onvoldoende in beeld waren gebracht, en dat de beperkingsclausule onvoldoende ruimte bood voor een goede belangenafweging.

Naar aanleiding van dit advies hebben de initiatiefnemers het voorstel op een aantal punten gewijzigd. Zo spreken zij nu van 'familie- en gezinsleven' in plaats van alleen 'gezinsleven', sluit het beperkingscriterium voor het algemene recht op familie- en gezinsleven aan bij artikel 10 van de Grondwet, en zijn een nieuw derde lid over het belang van het kind en de positie van ouders en een nieuw vierde lid met criteria voor maatregelen van kinderbescherming toegevoegd.

Op 9 maart 2026 publiceerde de Afdeling advisering van de Raad van State een tweede advies, ditmaal over het gewijzigde voorstel. De Afdeling adviseerde om de formulering van het nieuwe derde lid aan te laten sluiten bij het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), waarvan het voorstel op een aantal punten afwijkt. Daarnaast wees de Afdeling op de verhouding tussen het nieuwe vierde lid en een in juli 2025 aangekondigde staatscommissie over de legitimiteit van overheidsingrijpen in de jeugdzorg, en adviseerde om die verhouding toe te lichten.

Meer informatie