Constitutionele verankering EU-lidmaatschap

De Tweede Kamerleden Kees Verhoeven (D66) en Rob Jetten (D66) hebben op 9 mei 2019 een wetsvoorstel ingediend om het lidmaatschap van de Europese Unie in de Grondwet te verankeren.

Het opnemen van een dergelijke bepaling doet volgens D66 'recht aan het grote belang dat de EU heeft voor Nederland'. In veel Europese landen is het EU-lidmaatschap al wel opgenomen in de Grondwet. Deze landen zijn: Duitsland, Frankrijk, België, Italië, Oostenrijk, Zweden, Finland, Letland, Ierland, Portugal, Malta, Cyprus, Slowakije, Kroatië, Hongarije, Roemenië en Bulgarije.

Het wetsvoorstel ligt op dit moment bij de Tweede Kamer. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State hebben de initiatiefnemers het voorstel gewijzigd.

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Het huidige voorstel

In het huidige voorstel wordt na artikel 95, waarin de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties geregeld is, een nieuw artikel ingevoegd:

 

Artikel 95a

  • 1. 
    Het Koninkrijk is lid van de Europese Unie.
  • 2. 
    De wet regelt de betrokkenheid van de Staten-Generaal bij besluitvorming van de Europese Unie over wetgeving en verdragen.

In het oorspronkelijke voorstel was de bepaling over het lidmaatschap van de Europese Unie toegevoegd aan de huidige tekst van Artikel 90. Dit achtte de Raad van State niet logisch gezien de systematiek in de Grondwet. In Artikel 91 tot en met 95 worden regels gesteld over de totstandkoming, goedkeuring en werking van verdragen en de overdracht van bevoegdheden aan volkenrechtelijke organisaties. Het zou volgens de Raad passender zijn de specifieke bepaling over het lidmaatschap van de EU te plaatsen aan het slot van de bepalingen over de buitenlandse betrekkingen. Dit is naar aanleiding van het advies van de Raad van State gewijzigd.

2.

Het oorspronkelijke voorstel

Het oorspronkelijke voorstel betrof een wijziging van artikelen 90 en 91 van de Grondwet:

Artikel 90 kwam er na wijziging als volgt uit te zien:

 
  • 1. 
    De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.
  • 2. 
    Het Koninkrijk is lid van de Europese Unie.
  • 3. 
    Over het opzeggen van het lidmaatschap van de Europese Unie wordt geen besluit genomen zonder voorafgaande goedkeuring bij wet. Artikel 137 is van overeenkomstige toepassing.
  • 4. 
    De wet regelt de betrokkenheid van de Staten-Generaal bij besluitvorming van de Europese Unie over wetgeving en verdragen.

De wijzigingen van artikel 91 hadden betrekking op het derde lid. Dit lid maakte het mogelijk om verdragen te sluiten die afwijken van de Grondwet. Om vast te leggen dat deze mogelijkheid niet gebruikt mag worden om hetgeen te omzeilen wat bepaald is in het derde lid van artikel 90, werd een wijziging van artikel 91 voorgesteld. Aan het artikel moest de tekst "onverminderd artikel 90, derde lid" worden toegevoegd.

Artikel 91, derde lid, kwam na wijziging als volgt te luiden:

 
  • 3. 
    Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers, onverminderd artikel 90, derde lid, de goedkeuring alleen verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

3.

Historische ontwikkeling

In het verleden zijn er meerdere pogingen geweest om het Nederlandse EU-lidmaatschap in de Grondwet te verankeren. Deze hebben echter niet in een Grondwetswijziging geresulteerd.

Zo is er in 2000 een motie ingediend door Erik Jurgens (PvdA) waarin de regering werd verzocht om het lidmaatschap van Nederland van de Europese Unie in de Grondwet te erkennen, en om regels te formuleren voor de implementatie van EU-besluiten in de Nederlandse wetgeving. Hoewel de motie in hetzelfde jaar werd aangenomen heeft het niet tot concrete wijzigingen geleid.

In 2006 is het initiatiefvoorstel "Twee derden meerderheid van stemmen voor goedkeuring EU-verdragen" door Tweede Kamerlid Kees van der Staaij (SGP) ingediend. Het voorstel betrof een wijziging van de Grondwet waarmee zou worden geregeld dat de goedkeuring en wijziging van EU-verdragen moeten plaatsvinden met een tweederde meerderheid van stemmen in beide Kamers der Staten-Generaal. Nu is een gewone meerderheid toereikend. Het voorstel is in april 2019 door de Eerste Kamer verworpen.