Hoofdstuk 2 in eenvoudig Nederlands: Regering
Let op: dit is niet de officiële wettekst
Dit is een versie van de Grondwet in eenvoudig Nederlands, geen officiële wettekst. Taaldeskundigen van BureauTaal hebben de artikelen herschreven in eenvoudig Nederlands, geholpen door staatsrechtdeskundigen (gebaseerd op Karen Heij en Wessel Visser, De Grondwet in eenvoudig Nederlands, SDU Uitgevers, Den Haag 2007).
Inhoud
Paragraaf 1: Koning
Artikel 24: Erfelijk koningschap
Alleen de nakomelingen van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau, kunnen Koning worden. In de Grondwet staan de regels over wie de opvolgers van de Koning kunnen zijn en de uitzonderingen op de regels.
Artikel 25: Erfopvolging
- Als de Koning dood is, wordt zijn oudste kind Koning.
- Als het oudste kind van de Koning dood is, wordt zijn oudste kind Koning. Dat is dus het kleinkind van de overleden Koning.
- Als dat kleinkind ook dood is, wordt zijn oudste kind Koning. Dat is dus het achterkleinkind van de overleden Koning.
- Als het oudste kind van de Koning dood is en zelf geen kinderen heeft, wordt het op-één-na-oudste kind Koning. Daarna komen zijn kinderen en de kinderen van zijn kinderen.
- Als de overleden Koning geen kinderen heeft, wordt zijn oudste broer of zus Koning. Daarna komen de kinderen van die broer of zus.
- Als de overleden Koning geen broers of zussen heeft, wordt het oudste kind van zijn opa en oma Koning. Daarna komen de andere kinderen van zijn opa en oma.
Artikel 26: Recht ongeboren kind van koning
Een kind van de koning dat nog niet geboren is, kan toch al een wettige opvolger van de koning zijn. Dat gebeurt als de koning doodgaat op het moment dat zijn vrouw zwanger is. Maar als het kind dood wordt geboren, doen we alsof het er nooit is geweest.
Artikel 27: Afstand koningschap
Als de Koning geen Koning meer wil zijn, wordt zijn wettige opvolger Koning. De vorige Koning kan daarna nog kinderen krijgen. Zij kunnen geen Koning worden. En hun kinderen en kleinkinderen ook niet.
Artikel 28: Huwelijk koning
- Als de Koning trouwt zonder toestemming van de regering en de Eerste en Tweede Kamer, mag hij geen Koning meer zijn.
- Als een prins of een prinses trouwt zonder toestemming van de regering en de Eerste en Tweede Kamer, mag hij of zij geen Koning of Koningin meer worden. Ook hun kinderen en kleinkinderen mogen dan geen Koning meer worden.
- De Eerste en Tweede Kamer vergaderen samen over een wet om toestemming te geven voor een huwelijk.
Artikel 29: Uitsluiting troonopvolging
- De regering kan een wet maken waarin staat dat één of meer troonopvolgers geen Koning mogen worden. De regering kan dit alleen in een bijzondere situatie doen.
- Alleen de regering mag een voorstel doen voor zo'n wet. De Eerste en Tweede Kamer vergaderen samen over deze wet. Ze beslissen samen of ze de nieuwe wet aannemen. Ze kunnen de wet alleen aannemen als twee derde van de Kamerleden het ermee eens is.
Artikel 30: Benoeming troonopvolger
- Als er geen troonopvolger is, dan mag de regering een voorstel doen voor een wet om een troonopvolger te benoemen. Daarna komen er verkiezingen voor de Eerste en Tweede Kamer. De nieuwe Eerste en Tweede Kamer vergaderen samen over deze wet. Daarna stemmen ze over deze wet. Zij kunnen de wet alleen aannemen als twee derde van het aantal stemmen of meer voor de wet is.
- Als er geen troonopvolger is als de Koning doodgaat of als de Koning geen Koning meer wil zijn, dan komen er verkiezingen voor de Eerste en Tweede Kamer. De nieuwe Eerste en Tweede Kamer vergaderen binnen vier maanden samen over de benoeming van een nieuwe Koning. Daarna stemmen ze over de benoeming. Zij kunnen de troonopvolger alleen benoemen als twee derde van het aantal stemmen of meer voor de wet is.
Artikel 31: Erfopvolger benoemde Koning
- Alleen de nakomelingen van een benoemde Koning kunnen Koning worden.
- Als een benoemde opvolger doodgaat voordat hij Koning is, kunnen alleen zijn nakomelingen Koning worden.
Artikel 32: Beëdiging; inhuldiging koning
Als er een nieuwe koning is, moet er zo snel mogelijk een openbare vergadering van de Eerste en Tweede Kamer samenkomen. Deze vergadering is in de hoofdstad Amsterdam. In deze vergadering belooft of zweert de Koning dat hij zich aan de Grondwet zal houden. En hij belooft of zweert ook dat hij zijn werk goed zal doen. In de wet staat hoe hij dat moet doen.
Artikel 33: Minimumleeftijd uitoefening koninklijk gezag
De Koning mag het werk van een Koning gaan doen als hij achttien jaar is.
Artikel 34: Voogdij minderjarige koning
Als de Koning nog geen achttien jaar oud is, maken de regering en de Eerste en Tweede Kamer een wet waarin staat wie het ouderlijk gezag of de voogdij over hem heeft. In deze wet staat ook wie op het ouderlijk gezag of de voogdij moet letten. De Eerste en de Tweede Kamer vergaderen samen over deze wet. Ze nemen daar samen een beslissing over. In deze wet kan ook staan dat iemand anders dit allemaal doet.
Artikel 35: Buiten staatverklaring uitoefening koninklijk gezag
- Als de ministers vinden dat de Koning niet kan werken, vragen zij hierover advies aan de Raad van State. Daarna vertellen de ministers dit aan de Eerste en Tweede Kamer. De ministers geven de Eerste en Tweede Kamer daarbij het advies van de Raad van State. Daarna vergaderen de Eerste en Tweede Kamer samen over dit probleem.
- Als de Eerste en Tweede Kamer ook vinden dat de Koning niet kan werken, dan maakt de voorzitter van de Eerste Kamer dit bekend. Vanaf dat moment mag de Koning niet meer werken.
- Als de Koning wel weer kan werken, dan maken de regering en de Eerste en Tweede Kamer samen een wet waarin dat staat. Als de wet er is, gaat de Koning weer werken.
- Als de Koning niet mag werken, staat in de wet wie toezicht op hem houdt. De Eerste en Tweede Kamer vergaderen samen over deze wet. Ze nemen daar samen een beslissing over. In deze wet kan ook staan dat iemand anders dit doet.
Artikel 36: Tijdelijke neerlegging uitoefening koninklijk gezag
De Koning kan tijdelijk stoppen met werken. Als de Koning dit wil, dan maakt de regering een wet waarin dit staat. De Eerste en Tweede Kamer vergaderen samen over deze wet. Ze nemen daar samen een beslissing over.
Artikel 37: Regentschap
Er zijn vijf situaties waarin er een plaatsvervanger (een regent) is voor de Koning:
- als de Koning jonger is dan achttien jaar;
- als de Koning nog niet geboren is;
- als de Eerste en Tweede Kamer vinden dat de Koning niet kan werken;
- als de Koning tijdelijk niet wil werken;
- als de Koning dood is en er geen opvolger voor hem is.
In de wet staat wie de plaatsvervanger is. De Eerste en Tweede Kamer vergaderen samen over deze wet. Ze nemen daar samen een beslissing over.
De opvolger van de Koning is de plaatsvervanger, als de Koning niet kan werken of als hij tijdelijk niet wil werken. De opvolger moet achttien jaar of ouder zijn.
De plaatsvervanger belooft of zweert dat hij zich aan de Grondwet zal houden. Ook belooft of zweert hij zijn werk goed te doen. Hij doet dit in een vergadering van de Eerste en Tweede Kamer samen.
In de wet staan regels voor de plaatsvervanger van de Koning. In deze wet kunnen ook regels staan over opvolging of vervanging van de plaatsvervanger. De Eerste en Tweede Kamer vergaderen samen over deze regels. Ze nemen daar samen een beslissing over.
Artikel 35 en 36 van de Grondwet gelden ook voor de plaatsvervanger van de Koning.
Artikel 38: Uitoefening koninklijk gezag Raad van State
De Raad van State doet het werk van de Koning, als er geen Koning en ook nog geen plaatsvervanger is.
Artikel 39: Lidmaatschap koninklijk huis
In de wet staat wie lid is van het koninklijk huis. In de wet kan ook staan dat iemand anders dit beslist.
Artikel 40: Uitkering leden koninklijk huis; belastingvrijdom
- De Koning krijgt elk jaar een uitkering van de overheid. In de wet staat hoe hoog de uitkering van de Koning is. In deze wet staat ook welke andere leden van het koninklijk huis een uitkering van de overheid krijgen.
- De Koning en de leden van het koninklijk huis betalen geen belasting over hun uitkering. Ook betalen ze geen belasting over hun vermogen als ze dat gebruiken voor hun koninklijke werk. De Koning en zijn opvolger betalen ook geen belastingen als zij erven van een lid van het koninklijk huis. Of als een lid van het koninklijk huis hun iets geeft. In een wet kan staan dat de leden van het koninklijk huis ook geen andere belastingen betalen.
- De Eerste en Tweede Kamer kunnen de wetten uit punt 1 en 2 alleen maken als twee derde van het aantal stemmen of meer voor de wet is.
Artikel 41: Inrichting koninklijk huis; privacy
De Koning beslist zelf wie er werkt in het koningshuis. De ministers en de Eerste en Tweede Kamer controleren of de Koning dit goed doet.
Paragraaf 2: Koning en ministers
Artikel 42: Ministeriële verantwoordelijkheid
- De Koning en de ministers samen zijn de regering.
- De Koning hoeft aan niemand uit te leggen wat hij doet; hij is onschendbaar. De ministers zijn verantwoordelijk voor wat de regering doet.
Artikel 43: Benoeming, ontslag ministers
De minister-president en de Koning benoemen en ontslaan de minister-president en de andere ministers.
Artikel 44: Ministeries; minister zonder portefeuille
- De regering beslist welke ministeries er zijn. Een minister geeft leiding aan een ministerie.
- In de regering kunnen ook ministers zitten die geen leiding geven aan een ministerie.
Artikel 45: Ministerraad & minister-president
- Alle ministers samen zijn de ministerraad.
- De minister-president is voorzitter van de ministerraad.
- In de ministerraad vergaderen en beslissen de ministers over het beleid van de regering. De ministerraad zorgt ervoor dat het beleid van alle ministers bij elkaar past.
Artikel 46: Staatssecretarissen
- De minister-president en de Koning benoemen en ontslaan de staatssecretarissen.
- Een staatssecretaris kan een minister vervangen, als de minister dat nodig vindt. De minister mag de staatssecretaris dan vertellen wat hij moet doen. De staatssecretaris is zelf verantwoordelijk voor wat hij doet. En de minister is ook verantwoordelijk voor wat de staatssecretaris doet.
Artikel 47: Ondertekening wetten, K.B.'s; contraseign
Onder alle wetten en beslissingen van de regering staat de handtekening van de Koning en van één of meer ministers of staatssecretarissen.
Artikel 48: Ondertekening benoemings- en ontslagbesluiten ministers en staatssecretarissen
De Koning en de minister-president ondertekenen het koninklijk besluit waarin staat wie de minister-president en wie de ministers en staatssecretarissen worden. Zij ondertekenen ook het koninklijk besluit waarin de minister-president en de ministers en de staatssecretarissen ontslag krijgen.
Artikel 49: Ambtsaanvaarding; ambtseed
Ministers en staatssecretarissen moeten drie dingen beloven of zweren:
- dat zij zich niet hebben laten omkopen en dat ze zich niet zullen laten omkopen;
- dat zij zich aan de Grondwet zullen houden;
- dat zij hun werk goed zullen doen.
In de wet staat hoe ze dit moeten doen.