Artikel 63: Geldelijke voorzieningen parlementsleden

62
Artikel 63
64

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.


In andere talen:

English "English"
Français "Français"
Deutsch "Deutsch"
Español "Español"

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Toelichting

Wat Kamerleden verdienen, staat in een wet. Er is ook een wet over hoe hun pensioen is geregeld en wat mogelijke nabestaanden ontvangen. De kamers kunnen zo'n wet alleen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen aannemen of wijzigen.

Er zijn in dit verband drie wetten van toepassing

2.

In eenvoudig Nederlands

In de wet staat hoe hoog de uitkeringen, de kostenvergoedingen en de pensioenen zijn die de leden van de Eerste en Tweede Kamer, ex-leden en hun nabestaanden krijgen. De Eerste en de Tweede Kamer kunnen deze wet alleen maken als twee derde van het aantal stemmen of meer voor de wet is.

Uitleg

Er zijn drie wetten die regelen hoeveel de leden van de Eerste en Tweede Kamer verdienen. Dat zijn de Wet schadeloosstelling Tweede Kamerleden, de Algemene Pensioenwet politieke ambtsdragers en de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer.

In deze wetten staat:

  • 1. 
    hoeveel de kamerleden verdienen;
  • 2. 
    hoeveel ex-kamerleden krijgen;
  • 3. 
    hoe hoog hun pensioen is;
  • 4. 
    hoeveel geld hun nabestaanden krijgen.

De Eerste en de Tweede Kamer kunnen deze wetten zelf veranderen. Zij bepalen dus zelf hoeveel ze verdienen. Maar ze kunnen deze wetten alleen veranderen als twee derde van het aantal stemmen of meer voor de wet is.

3.

In de visie van Kortmann

In 2008 heeft prof. dr. C.A.J.M. Kortmann een voorstel gedaan voor een "goede grondwet die inzichtelijk en bij de tijd is". Voor dit artikel deed hij de volgende suggestie:

Artikel 6

De organieke wet regelt de geldelijke voorzieningen van de leden van het parlement.

4.

Achtergronden

5.

Ontwikkeling artikel

1798

Bij hunne eerste aankomst, en eindelijke aftreding, ontvangen zij, voor Reiskosten en Transport, drie Guldens, voor ieder uur afstands.

1805

De Leden der Vergadering van Hun Hoog Mogenden genieten, tot schadeloosstelling voor reiskosten en van het verblijf in de Residentie, jaarlijks eene somme van drie duizend Guldens.

1806

De Leden der Vergadering van Hun Hoog Mogenden genieten, tot schadeloosstelling voor reiskosten en van het verblijf in de Residentie, jaarlijks eene somme van drie duizend Guldens.

1815

De leden dezer Kamer genieten voor reiskosten zoodanige soms als, in evenredigheid der afstanden, bij de wet zal worden geregeld.

Tot goedmaking der verblijfkosten in de plaats der bijeenkomst, wordt hun toegelegd eene som van f 2 500 's jaars.

Deze verblijfkosten, die maandelijks betaald worden, worden in het tijdvak van de eene zitting tot de andere niet genoten door de leden, die bij de laatste zitting niet zijn tegenwoordig geweest, ten ware zij bewezen door ziekte belet te zijn geworden.

1840: art 88
1848

De leden genieten, tot vergoeding der reiskosten, eens, heen en terug, voor elke zitting, zoodanige som, als naar de afstanden door de wet zal worden geregeld.

Als verdere schadeloosstelling wordt hun toegelegd eene som van f 2000 's jaars.

Deze schadeloosstelling wordt, voor den tijd der zitting, niet genoten door hen, die gedurende de geheele zitting afwezig bleven.

1887

De leden genieten, tot vergoeding der reiskosten, eens, heen en terug, voor elke zitting, zoodanige som, als naar de afstanden door de wet zal worden geregeld.

Als verdere schadeloosstelling wordt hun toegelegd eene som van f 2 000 's jaars.

Deze schadeloosstelling wordt niet genoten door de leden, die het ambt van Minister bekleeden, noch ook, voor den tijd der zitting, door hen, die gedurende de geheele zitting afwezig bleven.

1917

De leden ontvangen eene schadeloosstelling van f 3000 's jaars benevens, volgens regels door de wet te stellen, vergoeding voor reiskosten.

De in het vorige lid bedoelde schadeloosstelling wordt niet genoten door de leden, die het ambt van minister bekleeden, noch ook door hen, die gedurende eene geheele zitting afwezig bleven.

Aftredende leden ontvangen een pensioen van f 100 's jaars voor elk jaar, gedurende hetwelk zij, zoo voor als na de totstandkoming dezer bepalingen, lid der Kamer waren, tot een maximum van f 2000. Het pensioen vervalt met den dag, waarop het afgetreden lid na herkiezing weder in het genot van de in het eerste lid bedoelde schadeloosstelling treedt.

1922

De leden ontvangen eene schadeloosstelling van f  5000 's jaars, benevens, volgens regels door de wet te stellen, vergoeding voor reiskosten. Aan den Voorzitter wordt bovendien eene toelage van f  5000 's jaars toegekend.

De in het vorige lid bedoelde schadeloosstelling wordt niet genoten door de leden, die het ambt van minister bekleeden, noch ook door hen, die gedurende eene geheele zitting afwezig bleven.

Aftredende leden ontvangen een pensioen van f  150 's jaars voor elk jaar, gedurende hetwelk zij, zoo voor als na de totstandkoming dezer bepalingen, lid der Kamer waren, tot een maximum van f  3000. Het pensioen vervalt met den dag, waarop het afgetreden lid na herkiezing weder in het genot van de in het eerste lid bedoelde schadeloosstelling treedt.

Aan weduwen en weezen van Kamerleden of gewezen Kamerleden wordt pensioen verleend volgens regels door de wet te stellen.

1938

De leden ontvangen eene schadeloosstelling van f  4.500 's jaars, benevens, volgens regels door de wet te stellen, vergoeding voor reiskosten. Aan den Voorzitter wordt bovendien eene toelage van f  4.500 's jaars toegekend.

De in het vorige lid bedoelde schadeloosstelling wordt niet genoten door de leden, die het ambt van Minister bekleeden, noch door hen, die gedurende eene geheele zitting afwezig bleven, noch ook door hen, die ingevolge het reglement van orde der Kamer zijn uitgesloten van het bijwonen harer vergaderingen.

Aftredende leden ontvangen een pensioen van f  120 's jaars voor elk jaar, gedurende hetwelk zij lid der Kamer waren, tot een maximum van f  2.800. Het pensioen wordt niet genoten, zoolang een afgetreden lid het ambt van Minister bekleedt of, na herkiezing, de in het eerste lid bedoelde schadeloosstelling ontvangt. De wet regelt in welke andere gevallen, waarin naast dit pensioen middellijk of onmiddellijk uit eene openbare kas een inkomen of pensioen genoten wordt, het eerstgenoemde pensioen wordt verminderd.

Aan weduwen en weezen van Kamerleden of gewezen Kamerleden wordt pensioen verleend volgens regels door de wet te stellen.

De bedragen, vastgesteld in dit artikel, kunnen worden gewijzigd bij eene wet.

De Kamers der Staten-Generaal kunnen het ontwerp eener zoodanige wet alsmede het ontwerp eener wet tot wijziging of intrekking van eene zoodanige wet niet aannemen dan met de stemmen van twee derden van het aantal leden, waaruit elk der Kamers bestaat.

1948: art 92, 1953: art 99
1956

De leden ontvangen, volgens regels door de wet te stellen, een schadeloosstelling en een vergoeding voor kosten, welke uit de vervulling der betrekking voortvloeien. De voorzitter geniet bovendien een jaarlijkse toelage, waarvan het bedrag bij de wet wordt bepaald.

Op wetten, in het vorige lid bedoeld, is het bepaalde bij het laatste lid van artikel 30 van toepassing.

Het pensioen der leden wordt door de wet geregeld. Bij deze wet kunnen tevens regelen worden gesteld nopens toekenning van een bij aftreden ingaande tijdelijke uitkering.

De pensioenen der weduwen en wezen van leden of afgetreden leden worden bij de wet geregeld.

1963: art 99
1972

De wet regelt de geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden en de gewezen leden en hun nabestaanden. De Kamers der Staten-Generaal kunnen het ontwerp van deze wet alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

1983

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

1987: art 63, 1995: art 63, 1999: art 63, 2000: art 63, 2002: art 63, 2005: art 63, 2006: art 63, 2008: art 63, 2017: art 63