Artikel 11: Geen onderscheid van rang en geboorte bij benoeming openbare ambten

10
Artikel 11
12

Ieder is, zonder onderscheid van rang en geboorte, tot alle ambten, en bedieningen benoembaar, behoudens het gene betrekkelijk de zamenstelling der Provinciale Staten, bij de reglementen, ingevolge het vierde hoofdstuk is bepaald.

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Toelichting Staatsblad

Alle de waarborgen, welke bij de eerste grondwet aan de persoonlijke vrijheid, en het rustige bezit der eigendommen gegeven waren, zijn ook in het nieuw ontwerp te vinden, en wij hebben niet noodig gehad veel daarbij te voegen.

Alle willekeurige gevangennemingen is verboden, (art. 168).

Vorderen gewigtige bedenkingen een politieke aanhouding, binnen drie dagen moet dan de aangehouden persoon aan den Regter worden aangegeven, (art. 169).

Niemand wordt tegen zijnen wil aan den dagelijkschen Regter onttrokken (art. 167)

De onregtvaardige straf van verbeurdverklaring blijft afgeschaft. (art. 171).

Alle vonnissen worden in het openbaar uitgesproken (art. 174.): die in burgerlijken zaken te vellen, moeten de gronden inhouden, op welke zij berusten (art. 173.); in criminele Vonnissen moet de misdaad met hare omstandigheden en de wet, die den grond tot veroordeeling oplevert uitgedrukt worden, (art. 172)

Niemand mag van zijn eigendom ontzet worden, dan, wanneer het algemeen belang zulks vordert, en tegen eene billijke schadeloosstelling (art. 164).

De woning van elk onderdaan des Konings, is hem een veilig verblijf (art. 170).

De wet erkent en regelt op eene voegzame wijze het regt van elk ingezeten, om zijne belangen bij 's lands regering in te brengen (art. 161.),

Zij gedoogt geene voorregten in 't stuk der belastingen (art. 198).

Des Konings onderdanen zijn zonder onderscheid van geboorte of godsdienstige begrippen, tot ambten en bedieningen bevoegd (art. 11 en 192).

Tot de hoogere posten zijn alleenlijk verkiesbaar ingezetenen, geboren uit ouders binnen het rijk gevestigd {art. 8); maar tot alle andere kunnen ook zij geroepen worden, die door wetduiding of naturalisatie voor Nederlanders gehouden worden. Het gastvrije Nederland toch, zal bij voortduring bescherming en hulp verlenen aan hen die door deszelfs zachte wetten en vaderlijke regering gelokt, zich in hetzelve nederzetten: maar het regt om over de hoogere belangen van het volk zijne stem uit te brengen, en aan de bestiering der gemeene zaak deel te nemen, kan aan niemand worden toegekend, die niet de liefde voor het vaderland met de eerste melk heeft ingezogen.

De vrijheid der drukpers, is aan geene andere bepalingen onderworpen, dan elke andere daad der burgeren, de verantwoordelijkheid namelijk van den schrijver, drukker en uitgever (art. 227).

Wij hebben onder de eerste pligten van 's lands regering gebragt, de zorg voor het openbaar onderwijs; hetzelve toch verspreidt bij alle klassen der maatschappij nuttige kennis en bij derzelver beschaafde standen die liefde voor de wetenschappen en fraaije letteren welke het leven veraangenamen, een gedeelte van den waren volksroem uitmaken, en met de welvaart zoo wel als met de zekerheid van den Staat in een waarlijk belangrijk verband staan, (art. 226).

In weinige landen is zoo veel voor de onvermogende gedaan, als in het onze; men zoekt te vergeefs elders zoo veel gestichten, waar de grijsaard eene rustplaats, de zwakke hulp en bijstand, en de jeugd kosteloos onderwijs vinden kan. - Het levendig belang, dat Uwe Majesteit in die gedenkteekenen van voorvaderlijke godsdienst, christelijke liefde en weldadigheid stelt, is bij de grondwet aan alle onze Koningen voorschreven (art. 228).

Bij hetzelve is eindelijk het dierbaarste alle regten verzekerd, de vrijheid van geweten (art. 190).

Wij durven ons vleijen, Sire! dat deze onderscheiden bepalingen in uwe edele bedoelingen beantwoorden.

2.

Ontwikkeling artikel

1798

Ambten en bedieningen zijn lastgevingen der Maatschappij voor eenen bepaalden tijd. Zij zijn noch erflijk, noch vervreemdbaar, noch bijzondere voorregten van hun, die ze waarnemen. De keus van den eenen Burger, boven den ander, is alleenlijk gegrond op meerdere deugd en bekwaamheden.

1806

De Ambten en Bedieningen van den Staat, buiten die gene, welke behooren tot den Persoonlijken dienst van het Huis des Konings, zullen aan geene anderen dan aan Nationalen kunnen worden toevertrouwd.

1815

Ieder is, zonder onderscheid van rang en geboorte, tot alle ambten, en bedieningen benoembaar, behoudens het gene betrekkelijk de zamenstelling der Provinciale Staten, bij de reglementen, ingevolge het vierde hoofdstuk is bepaald.

1840: art 10
1848

Ieder Nederlander is tot elke landsbediening benoembaar.

Geen vreemdeling is hiertoe benoembaar, dan volgens de bepalingen der wet.

1887: art 5, 1917: art 5, 1922: art 5, 1938: art 5, 1948: art 5, 1953: art 5, 1956: art 5, 1963: art 5, 1972: art 5
1983

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

1987: art 3, 1995: art 3, 1999: art 3, 2000: art 3, 2002: art 3, 2005: art 3, 2006: art 3, 2008: art 3, 2017: art 3, 2018: art 3