Artikel 80: Koning benoemt Leden van de Eerste Kamer; Eisen Leden

79
Artikel 80
81

De andere kamer, welke den naam van eerste draagt, is zamengesteld uit niet minder dan veertig en niet meerder dan zestig leden, den vollen ouderdom van veertig jaren bereikt hebbende, welke door den Koning voor hun leven benoemd worden, en gekozen uit hen die door diensten aan den Staat bewezen, door hunne geboorte of gegoedheid onder de aanzienlijksten van den lande behooren.

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Toelichting Staatsblad

De verkiezing der leden van de Staten-Generaal is ook bij het nieuwe ontwerp aan de provinciale Staten verbleven: daar deze toch middellijk of onmiddellijk door de natie zelve verkozen worden, zoo zoude het geheel overtollig zijn een ander kieskollegie, ten gemelden einde, opterigten. Het is boven dien geheel overeenkomstig met den geest der grondwet, die zonder aanleiding te geven tot alle de ongelegenheden van eigenlijk gezegde volksvergaderingen, alle de gestelde magten als schakels van eene gemeene keten beschouwd, door van de een tot de andere af te dalen, zelfs eindelijk tot de lagere standen der maatschappij, welke, hoezeer een gering gedeelte in de vervulling der behoeften van den staat bijdragende, echter belang hebben in de nationale vertegenwoordiging (art. 133, 134).

Ten aanzien van het getal der leden, door elke tot de vergadering der Staten-Generaal te benoemen, heeft eenig verschil van gevoelen plaats gehad. Sommige leden der commissie waren van meening, dat daartoe de bevolking als de eenvoudigste, billijkste en zekerste grond in aanmerking komen moest, en bragten vele redenen en voorbeelden bij tot staving van dit gevoelen; anderen dachten, dat de juistheid van dezen grond, en vooral ook deszelfs toepassing op de vereeniging onzer provinciën met klem kon worden tegengesproken, en er wierd wijders aangemerkt dat de buitenlandsche bezittingen, welke de noordelijke provinciën tot moederland hebben, de uitgebreidheid van den handel daaruit geboren, en de millioenen inwoners onder hare regering hebbende, niet gedoogden den grondslag voor de vertegenwoordiging, enkel in de Europeesche bevolking te zoeken; eindelijk dat het eenige middel tot vestiging van eene opregte, en altoosdurende vereeniging tusschen de twee gedeelten van het Rijk was een geheel gelijke vertegenwoordiging van beiden. Met dit gevoelen heeft zich de meerderheid vereenigd.

Het getal van leden uit elk der noordelijke provinciën is hetzelfde gebleven; dat der zuidelijke is op een billijke wijze, en in evenredigheid zoo van het getal der ingezetenen, als van dat der gedeputeerden, door welke zij reeds waren vertegenwoordigd, geregeld (art. 79.)

Dan er is een ander deel der Staten-Generaal, Sire! hetwelk wij meenen dat niet behoort te worden afgewisseld. De vergrooting van den Staat, de rang dien dezelve onder de Volken van Europa bekleedt, de verschillende bestanddeelen waaruitdezelve is zamengesteld, deszelfs meer ingewikkelde belangen maakten ons ten pligt met de ondervinding te rade te gaan.

Ten einde dan alle overijling in de raadpleging te voorkomen, in moeijelijke tijden aan de driften heilzame palen te stellen, den Troon te omringen door een bolwerk, waar tegen alle partijen afstuiten, aan de natie eene volkomen zekerheid te waarborgen tegen alle willekeurige uitbreiding van gezag, oordeelden wij het nuttig, Sire! op het voorbeeld van magtige Rijken en bloeijende Gemeenebesten de Vertegenwoordiging des Volks in twee kamers aftedeelen; wij hebben te dezen aanzien echter geene vreemde instellingen nagevolgd, welke met onze zeden niet waren overeen te brengen; wij hebben de gronden en Wijziging dezer instelling gezocht in het wezenlijk doel van dezelve.

Aan de afdeeling der Staten-Generaal daargesteld met oogmerk om driften en dwalingen van het oogenblik tegen te gaan, is niet toegekend het regt om eenige voorstellen te doen, - zij behoort enkel lijdelijk te wezen, en bepaalt zich alzoo tot de aanneming of verwerping der voorsteHen aan hun gezonden, - voorzichtigheid en wijsheid zijn de groote vereischten in hare leden, - de ontworpen grondwet vordert een ouderdom van 40 jaren.

De grootste waarborg, welken zij aan den Staat kunnen geven, is het groot belang, dat zij zelven bij het algemeen welzijn hebben; - zij worden daarom gekozen uit hen, die door diensten aan den Staat bewezen, door hunne geboorte, of door hun vermogen tot de aanzienlijkste van den lande behooren. - Niets is er bijna, wat elk mensch krachtdadiger zoekt te handhaven, dan persoonlijke achting en aanzien, en de herinnering en de belooning der diensten door hem beweezen: hartelijk dus moet de verkleefdheid zijn aan het Vaderland, van hen, die het aanzijn, dat hij geniet, verschuldigd is aan eenen naam dien zijne voorouders door werkelijke diensten aan het Vaderland verëdeld hebben. - De Bezitters van een groot vermogen, in vaste goederen gevestigd, aan den Staat verstrekt, of nuttiglijk in den handel aangelegd, zullen buiten twijfel zorgvuldig waken, dat geen bron van algemeene welvaart worde gestopt of uitgedroogd.

Om hen eene nuttige onafhankelijkheid te bezorgen, hebben wij voorgedragen dat zij voor hun leven zullen worden aangesteld. - Hunne benoeming staat geheel aan den Koning. De geest der monarchie en het belang der natie vorderen dit om strijd; daardoor bekomt de Vorst op de eerste standen der maatschappij eenen invloed, welks nut zich allerwege verspreid. - Wij hebben ons steeds ten vasten regel uitgekozen, de grondwet overeen te brengen met den waren aard eener gematigde monarchie (art. 80.)

2.

Ontwikkeling artikel

1798

Ter daarstellinge dezer verdeeling in twee Kamers, houden alle de Leden van dit Lichaam, jaarlijks, op den laatsten Dingsdag der maand Julij, eene algemeene Vergadering, kiezen alsdan, uit het volle getal van alle de verkozenen tot het Vertegenwoordigend Lichaam, dertig Leden, welke de Tweede Kamer uitmaken, vormende de overige Leden te zamen de Eerste Kamer.

1814

Aan de Staten der Provinciën of Landschappen wordt opgedragen het verkiezen der leden van de vergadering der Staten-Generaal, in of buiten hun midden, en zoo veel doenlijk, uit alle de oorden van hunne Provincie of Landschap.

1815

De andere kamer, welke den naam van eerste draagt, is zamengesteld uit niet minder dan veertig en niet meerder dan zestig leden, den vollen ouderdom van veertig jaren bereikt hebbende, welke door den Koning voor hun leven benoemd worden, en gekozen uit hen die door diensten aan den Staat bewezen, door hunne geboorte of gegoedheid onder de aanzienlijksten van den lande behooren.

1840

De andere kamer, welke den naam van Eerste draagt, is zamengesteld uit niet minder dan twintig en niet meerder dan dertig leden, den vollen ouderdom van veertig jaren bereikt hebbende, welke door den Koning voor hun leven benoemd worden, en gekozen uit hen, die door diensten aan den Staat bewezen, door hunne geboorte of gegoedheid onder de aanzienlijksten van den Lande behooren.

1848

De Eerste Kamer bestaat uit 39 leden.

Zij moeten behooren tot de hoogst aangeslagenen in de rijks-directe belastingen. Het getal dezer hoogst aangeslagenen, waaruit zij worden gekozen, wordt in elke provincie zoo bepaald, dat op iedere drie duizend zielen één, die tevens de overige vereischten bezit om lid dezer Kamer te zijn, verkiesbaar is.

Deze overige vereischten zijn dezelfde, welke voor de leden der Tweede Kamer worden gevorderd.

Zij worden verkozen door de Provinciale Staten, in de volgende verhouding:

Noordbrabant 5

Gelderland 5

Zuidholland 7

Noordholland 6

Zeeland 2

Utrecht 2

Friesland 3

Overijssel 3

Groningen 2

Drenthe 1

Limburg 3

39 leden.

Ingeval van vereeniging of splitsing van provinciën voorziet dezelfde wet, die dit beveelt, in de wijziging, welke daardoor in deze verhouding noodig zal worden bevonden.

1887

De Eerste Kamer bestaat uit vijftig leden.

Zij worden verkozen door de Provinciale Staten, in de volgende verhouding:

Noordbrabant 6

Gelderland 6

Zuidholland 10

Noordholland 9

Zeeland 2

Utrecht 2

Friesland 4

Overijssel 3

Groningen 3

Drenthe 2

Limburg 3

50 leden.

In geval van vereeniging, splitsing of grensverandering van provinciën of vorming van nieuwe voorziet de wet in de wijziging, welke daardoor in deze verhouding noodig zal worden bevonden.

1917

De Eerste Kamer bestaat uit vijftig leden.

Zij worden verkozen door de Staten der provinciën op de wijze bij de wet te bepalen.

1922

De Eerste Kamer bestaat uit vijftig leden.

Zij worden verkozen door de leden van de Staten der provinciën op den grondslag van evenredige vertegenwoordiging.

1938

De Eerste Kamer bestaat uit vijftig leden.

Zij worden verkozen door de leden van de Staten der provinciën op den grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.

1948: art 85, 1953: art 92
1956

De Eerste Kamer bestaat uit vijf en zeventig leden.

Zij worden verkozen door de leden van de Staten der provinciën op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.

1963: art 92, 1972: art 92
1983

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

1987: art 55, 1995: art 55, 1999: art 55, 2000: art 55, 2002: art 55, 2005: art 55, 2006: art 55, 2008: art 55
2017

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten en de leden van een kiescollege als bedoeld in artikel 132a, derde lid. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.

2018: art 55