Artikel 131: Eed van Aanvaarding, Eed van Zuivering

130
Artikel 131
132

De leden der Staten leggen bij het aanvaarden hunner betrekking den volgenden eed of belofte af:

"Ik zweer (beloof) trouw aan de Grondwet en aan de wetten des Rijks."

"Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!"("Dat beloof ik!")

Zij worden tot die eed (belofte) toegelaten na alvorens te hebben afgelegd den eed (verklaring en belofte) van zuivering als hierboven in artikel 90 voor de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal is bepaald.

1.

Ontwikkeling artikel

1798

Bij het aanvaarden hunner posten, leggen zij, gelijk mede hunne Secretarissen en verdere Bedienden, de gevorderde Verklaaring af, en onderteekenen dezelve.

1814

De leden der provinciale of landschappelijke vergaderingen leggen bij het aanvaarden hunner functiën, elk op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den volgenden eed af:

"Ik zweer, (belove) dat ik eerst en bovenal de grondwet der Vereenigde Nederlanden zal onderhouden, en dat ik wijders de reglementen, voor deze Provincie of Landschap gemaakt of nog te maken, zal achtervolgen en nakomen, en voorts de welvaart van deze Provincie of Landschap, met alle mijne krachten bevorderen.

Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!"

Zij worden tot dien eed toegelaten na alvorens te hebben afgelegd den volgenden Eed van Zuivering:

"Ik zweer, (verklare) dat ik, om tot lid van de Staten dezer Provincie of Landschap te worden benoemd, directelijk of indirectelijk, aan geene personen, het zij in of buiten het bestuur, onder wat naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven heb beloofd of gegeven, nochte beloven of geven zal."

"Ik zweer, (belove) dat ik mij exactelijk zal gedragen naar den inhoud van bet plakkaat bij de Staten Generaal op den 10 December 1715 tegen het geven en nemen van verboden giften, gaven en geschenken gearresteerd :

Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig! "

Deze eeden worden afgelegd in handen van den Commissaris van den Souvereinen Vorst.

1815

De leden der provinciale Staten leggen bij het aanvaarden hunner functiën, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den volgenden eed af :

"Ik zweer (belove) dat ik de Grondwet van het Rijk zal onderhouden, zonder daarvan op eenigerlei wijze of onder eenig voorwendsel hoe ook genaamd af te wijken; dat ik de reglementen dezer Provincie zal achtervolgen en nakomen, en voorts de welvaart van deze Provincie met al mijne krachten zal bevorderen.

Zoo waarlijk helpe mij God almagtig! "

Zij worden tot dien eed toegelaten, na alvorens te hebben afgelegd den eed van zuivering en tegen verboden giften en gaven, hierboven artikel 84 voor de leden der Staten-Generaal bepaald.

1840: art 136
1848

De leden der Provinciale Staten leggen, bij het aanvaarden hunner betrekking, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den volgenden eed of belofte af:

"Ik zweer (beloof) trouw aan de Grondwet en aan de wetten des Rijks."

"Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!"("Dat beloof ik!")

Zij worden tot dien eed (belofte) toegelaten na alvorens te hebben afgelegd den eed (verklaring en belofte) van zuivering, hierboven in art. 83 voor de leden der Staten-Generaal bepaald.

1887

De leden der Staten leggen bij het aanvaarden hunner betrekking den volgenden eed of belofte af:

"Ik zweer (beloof) trouw aan de Grondwet en aan de wetten des Rijks."

"Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!"("Dat beloof ik!")

Zij worden tot dien eed (belofte) toegelaten na alvorens te hebben afgelegd den eed (verklaring en belofte) van zuivering als hierboven in artikel 87 voor de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal is bepaald.

1917: art 129, 1922: art 129, 1938: art 131, 1948: art 131, 1953: art 138
1956
1963: art 138, 1972: art 138