Artikel 181: Belastingheffing

180
Artikel 181
182

Geene belastingen kunnen ten behoeve van 's lande kas worden geheven, dan uit krachte van eene wet.

Deze bepaling is ook toepasselijk op heffingen voor het gebruik van Rijks-werken en -inrichtingen, voor zooveel de regeling van die heffingen niet aan den Koning is voorbehouden.

1.

Ontwikkeling artikel

1798

Het Vertegenwoordigend Lichaam beslist, jaarlijks, na ontvang der vereischte openingen van het Uitvoerend Bewind, en van de Commissarissen der Nationaale Reekening bij het vaststellen der algemeene begrooting van Staats-Uitgaven, of de algemeene belastingen op denzelfden voet behooren te blijven, dan wel vermeerderd, of verminderd, te worden. Het voorstel hiertoe word in de eerste Kamer in overweging gebragt, uiterlijk eene Maand, nadat die begrooting zal bekragtigd zijn.

Geene Wet, waarbij eene nieuwe belasting word ingevoerd, heeft langer kragt, dan een Jaar, indien zij niet uitdrukkelijk vernieuwd word.

1801

De tegenwoordige Belastingen zullen blyven op den voet zoo als dezelve thans in ieder der voormalige gewesten plaats hebben; zynde echter alle Wetten en Ordonnantiën dienaangaande aan herziening onderworpen i, en kunnen dezelve Belastingen by het opleggen van soortgelyke algemeene worden afgeschaft of veranderd: of voor zoo verre die tot bestrijding der Departementale Uitgaven zyn aangewezen, naar gelang van derzelver vermeerdering of vermindering, door de Departementale Bestuuren, worden verhoogd of verlaagd.

1805

De middelen van Financiën zullen aanvankelijk blijven voortduren op den voet, zooals dezelve in ieder der Departementen tegenwoordig bestaan. Het behoort echter onder de eerste en voornaamste zorgen van den Raadpensionaris, zich onledig te houden met de overweging van alles, wat strekken kan, om de Inkomsten van den Staat te vermeerderen, alle takken van Bestuur en Administratie te vereenvoudigen, en overal de strengste bezuiniging intevoeren, mitsgaders ontwerpen van Wetten voortedragen, het zij om de tegenwoordige Belastingen te verbeteren, het zij om een algemeen Systema van Financiën te doen aannemen, waar door de tegenwoordig bestaande Departementale Belastingen zouden kunnen worden vervangen.

1814

De Souvereine Vorst en de Staten Generaal gezamenlijk zijn alleen en bij uitsluiting bevoegd tot het heffen en regelen van belastingen.

De belastingen, bij het aannemen dezer grondwet bestaande, blijven op denzelfden voet, tot dat er anders over beschikt worde bij de wet.

1815

Geene belastingen kunnen ten behoeve van 's Lands kas worden geheven, dan uit krachte van eene wet.

1840: art 195, 1848: art 171
1887

Geene belastingen kunnen ten behoeve van 's lande kas worden geheven, dan uit krachte van eene wet.

Deze bepaling is ook toepasselijk op heffingen voor het gebruik van Rijks-werken en -inrichtingen, voor zooveel de regeling van die heffingen niet aan den Koning is voorbehouden.

1917: art 174, 1922: art 175, 1938: art 181, 1948: art 181, 1953: art 188, 1956: art 188, 1963: art 188, 1972: art 188
1983

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

1987: art 104, 1995: art 104, 1999: art 104, 2000: art 104, 2002: art 104, 2005: art 104, 2006: art 104, 2008: art 104, 2017: art 104, 2018: art 104, 2022: art 104