Artikel 6: Nederlanderschap; vreemdeling

5
Artikel 6
7

De wet verklaart wie Nederlanders en wie ingezetenen zijn.

Naturalisatie geschiedt door of krachtens de wet.

De wet regelt de gevolgen der naturalisatie ten aanzien van de echtgenote en minderjarige kinderen van den genaturaliseerde.

1.

Ontwikkeling artikel

1798

Zij, die zig mogen doen inschrijven in zoodanig Stemregister, moeten hebben de navolgende vereischten:

  • a. 
    Dat zij den vollen ouderdom van twintig jaaren hebben bereikt, in de lasten der Maatschappij hun aandeel dragen, en, Inboorlingen zijnde, ten minsten geduurende de laatste twee Jaaren, doch, Vreemdelingen zijnde, ten minsten geduurende de laatste tien Jaaren, in deze Republiek hunne vaste woonplaats gehouden hebben, en in staat zijn de Nederduitsche Taal te lezen en te schrijven.

    Dit laatste vereischte zal, onmiddellijk na de aanneming der Staatsregeling, gelden, ten aanzien van allen, die door het Volk tot eenige openbaare daad, post, of ambt, geroepen worden; doch voor het overige, een jaar na de invoering dezer Staatsregeling, ten aanzien van alle Stembevoegden, die alsdan in het Stemregister worden ingeschreven.

    Ook kunnen Vreemdelingen, die de Republiek te Water of te Lande gediend hebben, volstaan met eene inwooning van zeven jaaren.

  • b. 
    Dat zij in handen van den Vóórzitter van het Plaatslijk Bestuur, hebben afgelegd, en geteekend de navolgende Verklaaring :

    "Ik houde het Bataafsche Volk voor een vrij en onafhanglijk Volk, en beloof aan hetzelve trouw. Ik verklaar mijnen onveranderlijken afkeer van het Stadhouderlijk Bestuur, het Foederalismus, de Aristocratie en Regeeringloosheid. Ik beloof, dat ik, in alle mijne verrigtingen, hetzij als stemoefenend Burger, hetzij als Kiezer, alle de voorschriften der Staatsregeling getrouwlijk zal opvolgen, en nimmer mijne Stem geven aan iemand, wien ik houde te zijn een voorstander van het Stadhouderlijk, Foederatief Bestuur, de Aristocratie en Regeeringloosheid."

    "Dit verklaar ik op mijne Burgertrouw!"

1815

Gedurende een jaar na de invoering dezer Grondwet, staat het den Koning vrij, aan personen buiten 's lands geboren, doch binnen het Rijk gevestigd, het volle regt van inboorlingschap en de verkiesbaarheid tot alle ambten, zonder onderscheid, te vergunnen.

1840: art 9
1848

De wet verklaart wie Nederlanders zijn.

Een vreemdeling wordt niet dan door eene wet genaturaliseerd.

1887

De wet verklaart wie Nederlanders en wie ingezetenen zijn.

Een vreemdeling wordt niet dan door eene wet genaturaliseerd.

De wet regelt de gevolgen der naturalisatie ten aanzien van de echtgenoot en minderjarige kinderen van den genaturaliseerde.

1917: art 6
1922

De wet verklaart wie Nederlanders en wie ingezetenen zijn.

Naturalisatie geschiedt door of krachtens de wet.

De wet regelt de gevolgen der naturalisatie ten aanzien van de echtgenoote en minderjarige kinderen van den genaturaliseerde.

1938: art 6, 1948: art 6, 1953: art 6, 1956: art 6, 1963: art 6, 1972: art 6
1983
  • 1. 
    De wet regelt wie Nederlander is.
  • 2. 
    De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
  • 3. 
    Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
  • 4. 
    Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.
1987: art 2, 1995: art 2, 1999: art 2, 2000: art 2, 2002: art 2, 2005: art 2, 2006: art 2, 2008: art 2, 2017: art 2