Artikel 100 Grondwet: informatieplicht of instemmingsrecht bij uitzending militaire missies

maandag 31 januari 2011

DEN HAAG (PDC) - Bij de totstandkoming van artikel 100, in werking getreden op 1 september 2000, en ook in de jaren daarna is in het debat tussen regering en Tweede Kamer regelmatig aan de orde geweest in hoeverre er in plaats van een in het artikel opgenomen informatieplicht een instemmingsrecht zou moeten zijn voor militaire uitzendingen. De onderscheiden kabinetten, en daarmee ook coalitiepartijen, vonden dat niet nodig. Het was ondenkbaar dat een kabinet een besluit tot uitzending zou nemen zonder dat daarvoor een breed draagvlak zou zijn.

De vraag rijst hoe een kabinet dat kan meten. Opiniepeilingen en het publiek debat geven wellicht een indicatie, maar is dat ook voldoende? Grondwettelijk gezien kan een kabinet alleen kijken naar artikel 50: De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk. Dat betekent dus constitutioneel dat de Staten-Generaal het besluit moeten steunen. Bij een meerderheidskabinet is nog wel te verdedigen dat het kabinet er van uit mag gaan dat de coalitiepartijen dat zullen doen, waarbij het niet zichtbare informele overleg tussen kabinet en coalitiepartners een belangrijke rol speelt.

Bij een minderheidskabinet ligt dat anders. Dat bleek vorige week in de Tweede Kamer tijdens het debat met het minderheidskabinet-Rutte over de politietrainingsmissie naar Afghanistan. Gedoogpartner PVV had al in het informele circuit te kennen gegeven een besluit niet te steunen, zodat het kabinet een besluit nam zonder te weten of daar wel een breed draagvlak voor zou zijn. Het kabinet kon niet anders dan zonder brede steun een besluit nemen, en tijdens het debat met de Tweede Kamer steun zoeken. Had premier Rutte geen steun gevonden in de Tweede Kamer, dan had hij het kabinetsbesluit met gezichtsverlies weer moeten terugdraaien.

Artikel 100 in zijn huidige redactie met slechts een informatieplicht is kennelijk geschreven voor meerderheidskabinetten die reeds in een eerdere fase een breed draagvlak hebben gevonden. Waarbij zij opgemerkt dat de eerdere fase bestaande uit het informele overleg tussen kabinet en coalitiepartners voor burger en niet-coalitiepartijen niet zichtbaar en niet controleerbaar is en daarom al van een twijfelachtige democratische kwaliteit. 

Voor minderheidskabinetten schiet het artikel in ieder geval te kort. De Grondwetgever zou daarom het instemmingsrecht in artikel 100 moeten verankeren waarbij ook een rol voor de Eerste Kamer wordt weggelegd. Immers de Staten-Generaal vertegenwoordigen het Nederlandse volk, dus zowel de Tweede als de Eerste Kamer.