Artikel 116: Rechterlijke macht; benoeming; toezicht

115
Artikel 116
117
  • 1. 
    De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.
  • 2. 
    De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.
  • 3. 
    De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.
  • 4. 
    De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

In andere talen:

English "English"
Français "Français"
Deutsch "Deutsch"
Español "Español"

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Toelichting

De wet regelt de organisatie van de rechterlijke macht zoals

  • welke rechtbanken en rechters er zijn,
  • hoe de rechtbanken zijn georganiseerd, hoe die zijn samengesteld en wat hun bevoegdheden zijn
  • welke rechters toezicht houden op de rechtbanken

In een wet kan staan dat ook leden die geen rechters zijn aan de rechtspraak kunnen deelnemen. Te denken valt aan militairen bij een militaire rechtbank. Omdat gesproken wordt over 'mede' is juryrechtspraak niet mogelijk.

Een en ander is geregeld in de Wet op de rechterlijke organisatie en de Wet op de rechterlijke indeling.

2.

Formele toelichting

De artikelen 116 en 117 bevatten enkele voorschriften omtrent de organisatie van de rechterlijke macht, de benoeming van de leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast, en het toezicht op de ambtsvervulling door die functionarissen.

Een zeer belangrijke basis voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht vindt men in de bepaling dat de leden van de rechterlijke macht die met rechtspraak zijn belast, en de procureur-generaal bij de Hoge Raad, voor het leven worden benoemd. Zij kunnen alleen worden ontslagen op eigen verzoek, wegens het bereiken van een bepaalde leeftijd of, in de gevallen bij wet bepaald, door een gerecht, dat door de wet is aangewezen en dat tot de rechterlijke macht behoort.

In artikel 116, derde lid, is de mogelijkheid vervat, dat aan de rechtspraak mede wordt deelgenomen door personen die niet tot de rechterlijke macht behoren. De invoering van jury-rechtspraak bij de rechterlijke macht in ons land is echter, omdat de Grondwet spreekt van 'mede deelnemen', uitgesloten.

3.

In eenvoudig Nederlands

  • 1. 
    In de wet staat welke gerechten horen bij de rechterlijke macht.
  • 2. 
    In de wet staat de organisatie en de samenstelling van deze gerechten. Ook staat in de wet wat deze gerechten mogen. In de wet kan ook staan dat iemand anders dit beslist.
  • 3. 
    In de wet kan staan dat ook mensen die geen rechter van de rechterlijke macht zijn samen met echte rechters mogen rechtspreken.
  • 4. 
    In de wet staat welke rechters toezicht houden op het werk van rechters. In de wet kan ook staan dat iemand anders toezicht houdt.

Uitleg

In de Wet op de Rechterlijke Organisatie staat welke gerechten behoren tot de rechterlijke macht. Dit zijn de Hoge Raad, de gerechtshoven, de arrondissementsrechtbanken en de kantongerechten.

In deze wet staat ook hoe deze gerechten zijn georganiseerd, wie er lid zijn van de gerechten en wat de gerechten mogen.

Het is niet per se nodig dat je een rechter van de rechterlijke macht moet zijn om recht te mogen spreken. Soms mogen ook gewone burgers samen met echte rechters rechtspreken. In de wet staat wanneer dit mag.

Ten slotte staat in de wet ook wie toezicht houdt op de kwaliteit van de rechtspraak. De Raad voor de Rechtspraak speelt hierin een belangrijke rol.

4.

In de visie van Kortmann

In 2008 heeft prof. dr. C.A.J.M. Kortmann een voorstel gedaan voor een "goede grondwet die inzichtelijk en bij de tijd is". Voor dit artikel deed hij de volgende suggestie:

Artikel 19

De organieke wet regelt de bevoegdheid van de rechter en de inrichting en samenstelling van de rechterlijke instellingen.

5.

Ontwikkeling artikel

1798

Buiten de wettig aangestelde Magten, kan geen Burger, noch ook eenig gedeelte des Volks, eenig openbaar gezag uitoefenen. Het is alleen in de Grond-Vergaderingen, dat alle Staatkundige Regten door de Burgeren worden geöefend.

1801

De rechterlyke Magt wordt alleen uitgeoefend door Rechters, welke by of ingevolge de Staatsregeling vastgesteld zyn of zullen worden.

1805

De Regterlijke Magt wordt alleen uitgeoefend door Regters, ingevolge de Staatsregeling aangesteld. Geene Politieke Magt oefent eenigen invloed op de Regterlijke Magt uit.

1806

De Regterlijke Magt wordt alleen uitgeoefend door Regters, ingevolge de Wet aangesteld. Geene Politieke Magt vermag de onafhankelijkheid der Regters in de uitoefening van eenig gedeelte van hunne werkzaamheden te belemmeren.

1814

Ten einde aan de Ingezetenen dezer Landen te waarborgen de onschatbare voorregten van burgerlijke vrijheid en persoonlijke veiligheid, zullen de volgende regelen de grondslagen der wettelijke beschikkingen uitmaken.

  • a. 
    Wanneer een Ingezeten in buitengewone omstandigheden door het politiek gezag mogt worden gearresteerd, is hij, op wiens bevel zoodanige arrestatie heeft plaats gehad, gehouden daarvan terstond aan den plaatselijken regter kennis te geven, en voorts den gearresteerden binnen den tijd van drie dagen aan deszelfs competenten regter overteleveren.

    De criminele regtbanken zijn bevoegd en verpligt, elk in haar ressort, te zorgen, dat zulks stiptelijk worde nagekomen.

  • b. 
    De regterlijke magt wordt alleen uitgeoefend door regtbanken, welke bij of ten gevolge dezer grondwet worden ingesteld.
  • c. 
    Niemand kan tegen zijnen wil worden afgetrokken van den regter, dien de wet hem toekent.
  • d. 
    Op geene misdaad mag ten straf gesteld worden de verbeurdverklaring der goederen, den schuldigen toebehoorende.
  • e. 
    Bij criminele vonnissen, ten laste van eenen beschuldigden gewezen, moet de misdaad worden uitgedrukt.
  • f. 
    Alle vonnissen moeten met opene deuren worden uitgesproken.
1815

De regterlijke magt wordt alleen geoefend door regtbanken, welke bij of ten gevolge dezer Grondwet worden ingesteld.

1840: art 164
1848

De regterlijke magt wordt alleen uitgeoefend door regters, welke de wet aanwijst.

1887: art 155, 1917: art 155
1922

De rechterlijke macht wordt alleen uitgeoefend door rechters, welke de wet aanwijst.

De wet kan bepalen, dat aan de berechting van door haar aan te wijzen gedingen als in artikel 154 bedoeld mede wordt deelgenomen door niet tot de rechterlijke macht behoorende personen.

1938: art 162, 1948: art 162, 1953: art 169, 1956: art 169, 1963: art 169, 1972: art 169
1983
  • 1. 
    De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.
  • 2. 
    De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.
  • 3. 
    De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.
  • 4. 
    De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.
1987: art 116, 1995: art 116, 1999: art 116, 2000: art 116, 2002: art 116, 2005: art 116, 2006: art 116, 2008: art 116, 2017: art 116