Artikel 104: Belastingen

103
Artikel 104
105

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.


In andere talen:

English "English"
Français "Français"
Deutsch "Deutsch"
Español "Español"

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Toelichting

Belastingheffing en andere heffingen moeten altijd een wettelijke grondslag hebben.

2.

Formele toelichting

Artikel 104 verzekert dat alle heffingen van het Rijk, onder welke benaming ook, op een wettelijke grondslag berusten.

In dit artikel is door het gebruik van de woorden 'uit kracht van een wet' de enige uitzondering te vinden die in de Grondwet wordt gemaakt op de terminologie die gebruikt wordt als het gaat om de geoorloofdheid van delegatie (de bevoegdheid van de wetgever regelgeving over te dragen aan lagere regelgevers).

Deze terminologie brengt met zich, dat ter zake van de heffing van belastingen van het Rijk de delegatiebevoegdheid slechts met bijzondere terughoudendheid door de wetgever mag worden gehanteerd.

3.

In eenvoudig Nederlands

De rijksoverheid mag burgers verplichten belasting te betalen. In de wet kan ook staan wat burgers nog meer moeten betalen.

Uitleg

De rijksoverheid mag burgers verplichten belasting te betalen. Welke belastingen burgers moeten betalen, staat in de wet. Werknemers betalen bijvoorbeeld loonbelasting over het loon dat zij verdienen. Ondernemingen betalen vennootschapsbelasting over de winst die de onderneming maakt. En we betalen allemaal btw over de dingen die we in de winkel kopen. Bij sommige dingen moeten we extra belasting betalen (accijnzen), omdat de regering vindt dat die dingen ongezond zijn (sigaretten en shag, bier, wijn en sterke drank).

Daarnaast kan de overheid burgers laten betalen voor speciale dingen. Als je in een auto rijdt, moet je bijvoorbeeld motorrijtuigenbelasting betalen. En als je naar de universiteit gaat, moet je collegegeld betalen. Dit soort 'belastingen' staat in speciale wetten.

4.

Ontwikkeling artikel

1798

Het Vertegenwoordigend Lichaam beslist, jaarlijks, na ontvang der vereischte openingen van het Uitvoerend Bewind, en van de Commissarissen der Nationaale Reekening bij het vaststellen der algemeene begrooting van Staats-Uitgaven, of de algemeene belastingen op denzelfden voet behooren te blijven, dan wel vermeerderd, of verminderd, te worden. Het voorstel hiertoe word in de eerste Kamer in overweging gebragt, uiterlijk eene Maand, nadat die begrooting zal bekragtigd zijn.

Geene Wet, waarbij eene nieuwe belasting word ingevoerd, heeft langer kragt, dan een Jaar, indien zij niet uitdrukkelijk vernieuwd word.

1801

De tegenwoordige Belastingen zullen blyven op den voet zoo als dezelve thans in ieder der voormalige gewesten plaats hebben; zynde echter alle Wetten en Ordonnantiën dienaangaande aan herziening onderworpen, en kunnen dezelve Belastingen by het opleggen van soortgelyke algemeene worden afgeschaft of veranderd: of voor zoo verre die tot bestrijding der Departementale Uitgaven zyn aangewezen, naar gelang van derzelver vermeerdering of vermindering, door de Departementale Bestuuren, worden verhoogd of verlaagd.

1805

De middelen van Financiën zullen aanvankelijk blijven voortduren op den voet, zooals dezelve in ieder der Departementen tegenwoordig bestaan. Het behoort echter onder de eerste en voornaamste zorgen van den Raadpensionaris, zich onledig te houden met de overweging van alles, wat strekken kan, om de Inkomsten van den Staat te vermeerderen, alle takken van Bestuur en Administratie te vereenvoudigen, en overal de strengste bezuiniging intevoeren, mitsgaders ontwerpen van Wetten voortedragen, het zij om de tegenwoordige Belastingen te verbeteren, het zij om een algemeen Systema van Financiën te doen aannemen, waar door de tegenwoordig bestaande Departementale Belastingen zouden kunnen worden vervangen.

1814

De Souvereine Vorst en de Staten Generaal gezamenlijk zijn alleen en bij uitsluiting bevoegd tot het heffen en regelen van belastingen.

De belastingen, bij het aannemen dezer grondwet bestaande, blijven op denzelfden voet, tot dat er anders over beschikt worde bij de wet.

1815

Geene belastingen kunnen ten behoeve van 's Lands kas worden geheven, dan uit krachte van eene wet.

1840: art 195, 1848: art 171
1887

Geene belastingen kunnen ten behoeve van 's lande kas worden geheven, dan uit krachte van eene wet.

Deze bepaling is ook toepasselijk op heffingen voor het gebruik van Rijks-werken en -inrichtingen, voor zooveel de regeling van die heffingen niet aan den Koning is voorbehouden.

1917: art 174, 1922: art 175, 1938: art 181, 1948: art 181, 1953: art 188, 1956: art 188, 1963: art 188, 1972: art 188
1983

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.

1987: art 104, 1995: art 104, 1999: art 104, 2000: art 104, 2002: art 104, 2005: art 104, 2006: art 104, 2008: art 104, 2017: art 104, 2018: art 104