Achtergrond: buitengewone bevoegdheden dateren uit Koude Oorlogtijd

vrijdag 6 november 2020

Om tijdelijk een avondklok in te stellen, zoals het kabinet nu overweegt, kan gebruik worden gemaakt van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag. De huidige wet dateert uit 1996, maar de oorsprong ligt in 1948. Toen werd het uitroepen van 'de noodtoestand' grondwettelijk mogelijk.

In mei 1948 diende KVP-fractievoorzitter Romme met zijn collega's van PvdA, ARP, CHU en PvdV, een initiatiefvoorstel in om in de Grondwet bepalingen om te nemen over de bevoegdheden in tijd van bedreiging van de binnenlandse veiligheid. Het communistische gevaar - er was in Tsjecho-Slowakije een staatsgreep geweest - speelde daarbij een centrale rol.

Het wetsvoorstel werd nog dezelfde maand door beide Kamers aanvaard, waarbij alleen de CPN tegen was. In de Tweede Kamer verzetten de communisten zich heftig en zij verstoorden de vergadering, onder meer door het zingen van 'De Internationale'. Andere fracties overstemden dat door enorm kabel te maken. De CPN-leden verlieten daarna de zaal.

Na de verkiezingen van 1948 en aanvaarding in tweede lezing stond in artikel 196 van de Grondwet (sinds de grondwetsherziening van 1983 is dat 103):

Ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid kan in buitengewone omstandigheden door of vanwege de Koning voor elk gedeelte van het grondgebied des Rijks worden bepaald, dat de grondwettelijke bevoegdheden van organen van burgerlijk gezag ten opzichte van de openbare orde en de politie geheel of ten dele overgaan op andere organen van burgerlijk gezag. De wet bepaalt de wijze waarop en de gevallen waarin zulks kan geschieden en regelt de gevolgen.

De wet ter uitvoering van die bepaling kwam in 1952 tot stand. Op grond daarvan konden bijvoorbeeld vergaderingen en betogingen worden verboden en opsporingsbevoegdheden worden verruimd.

In 1996 kwam, nadat er dat jaar een Coördinatiewet uitzonderingstoestanden was gekomen, een nieuwe Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag tot stand. Die nieuwe wet zorgde vooral voor eenvormige procedures in de diverse noodwetten. Inhoudelijk veranderde er niet veel ten opzichte van de wet uit 1952.