Bij wet opleggen van seculiere waarden aan minderheden is niet in overeenstemming met de Grondwet

donderdag 12 november 2020, analyse van Prof. dr. Tom Zwart

Minister Slob belandde afgelopen maandag in zwaar weer door zogenaamde identiteitsverklaringen. Reformatorische scholen vragen van de ouders dat ze deze verklaringen, waarin de homoseksuele levenswijze impliciet of expliciet wordt afgewezen, ondertekenen. Tijdens een overleg over zijn wetsvoorstel over het burgerschapsonderwijs stelde de minister dat zulke verklaringen op grond van artikel 23 Grondwet zijn toegestaan. De betrokken school moet dan wel de fysieke en psychische veiligheid van LHBTIQ+ leerlingen waarborgen, zoals de Wet veiligheid op school voorschrijft.

De uitleg van de minister is geheel in lijn met de Grondwet en de geldende jurisprudentie. Bovendien mocht de minister op enig begrip rekenen, omdat de Tweede Kamer zelf heeft aangedrongen op invoering van een vergelijkbare identiteitsverklaring. Sinds 2017 zijn inburgeraars namelijk verplicht om een zogenaamde 'participatieverklaring' te ondertekenen, waarmee zij zich aan de Nederlandse kernwaarden committeren. Maar het standpunt van de minister viel niet in goede aarde. Het SP Kamerlid Kwint diende een motie in waarin de minister werd gevraagd om een einde te maken aan deze praktijk. Het is duidelijk dat deze motie een meerderheid gaat halen.

Na afloop van een ingelaste ministerraadsvergadering op dinsdag bleek minister Slob dit soort verklaringen toch niet acceptabel te vinden. Hij kondigde een onderzoek van de Onderwijsinspectie en een wetswijziging aan. Het is duidelijk dat Slob het in de ministerraad behoorlijk voor zijn kiezen heeft gekregen. De NRC suggereerde dat politici van andere partijen deze kwestie hebben opgespeeld omdat de ChristenUnie het naar hun mening te goed doet in de peilingen.1

Het is natuurlijk positief dat de meerderheid van de Tweede Kamer en de ministerraad nog eens ondubbelzinnig hun steun hebben uitgesproken voor de LHBTIQ+-gemeenschap. Leden van deze gemeenschap ondervinden in onze samenleving nog steeds vooroordelen en discriminatie en kunnen zo'n steun in de rug goed gebruiken. Het kabinet en de Kamer zouden deze steun nu in klinkende munt moeten omzetten door de bescherming tegen haatdelicten uit te breiden tot biseksuelen, panseksuelen en aseksuelen, zoals de Tweede Kamerleden Van Nispen en Jasper van Dijk hebben gevraagd.2 En door zich te gaan inspannen om te voorkomen dat budgetplafonds van zorgverzekeraars een belemmering vormen voor het bieden van transgenderzorg, zoals het lid Van Gerven heeft verzocht.3 Beide moties werden destijds met tegenstemmen van de fracties van VVD, CDA en D66 verworpen.

Maar deze gang van zaken roept ook vragen op. In de eerste plaats blijken de meerderheid van de Kamer en de Inspectie voor het Onderwijs de burgerschapsopdracht seculier te willen invullen. Zo rekent de Inspectie tot de democratische kernwaarden, die centraal staan in het burgerschapsonderwijs, wel gelijkwaardigheid, verdraagzaamheid en democratische gezindheid, maar niet de grondwettelijke onderwijsvrijheid en de vrijheid van godsdienst.4 Maar in Nederland kennen we een scheiding van kerk en staat. Die houdt in dat de seculiere levensovertuiging van de meerderheid van de Tweede Kamer en de toezichthouder niet mag verworden tot een 'staatskerk' die ten koste van andere geloofsrichtingen wordt bevoordeeld.

In de tweede plaats mag het wetsvoorstel over burgerschapsonderwijs geen verkapt amendement van artikel 23 Grondwet inhouden. Niet iedereen is er gerust op dat de minister en de Kamer de grondwettelijke kaders in acht nemen. Daarom heeft een aantal bijzondere scholen de minister gevraagd nog eens duidelijk te maken dat de Grondwet het uitgangspunt vormt voor de in het wetsvoorstel genoemde basiswaarden van de democratische rechtsstaat.

Tenslotte moet onze Grondwet worden toegepast in de context van ons poldermodel, waarin minderheden en meerderheden er met respect voor elkaars opvattingen met argumenten uit moeten zien te komen. De Grondwet is dan ook geen uitnodiging voor een offerfeest voor overtuigingen, zoals Thorbecke terecht stelde.5 Het bij wet opleggen van waarden aan minderheden past dan ook niet in ons grondwettelijk model.

Ondertussen kunnen de reformatorische scholen zelf veel doen om de LHBTIQ+-jongeren bescherming en geborgenheid te bieden. Daartoe zijn zij ingevolge het Christendom, dat oproept om mensen te accepteren zoals ze zijn en op te komen voor hen die in de verdrukking komen, ook gehouden. Uit de monitor 'Sociale Veiligheid in en om Scholen' uit 2016 blijkt dat het beeld ten aanzien van de sociale veiligheid van LHBTIQ+ leerlingen en leerkrachten op reformatorische scholen niet afwijkt van dat op andere scholen.6 Het is natuurlijk wel belangrijk om op dit punt de vinger aan de pols te houden. Tenslotte kunnen leerlingen op grond van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind zelf besluiten de school te verlaten als deze onvoldoende respect toont voor hun seksuele gerichtheid. Het is wel belangrijk dat leerlingen vanaf de eerste lesdag actief door de school van deze mogelijkheid op de hoogte worden gesteld.

Tom Zwart, hoogleraar Crosscultureel Recht, Universiteit Utrecht

Directeur van het Cross-cultural Human Rights Centre van de VU

 

  • (1) 
    Mirjam Remie, Homo-uitspraken ontploffen in het gezicht van minister Slob, NRC 11 november 2020.
  • (2) 
    Kamerstukken II, 2018/19, 35 080, nr. 16.
  • (3) 
    Kamerstukken II, 2018/19, 31 016, nr. 231.
  • (4) 
    Burgerschap en het Omgaan met Verschil in Morele Opvattingen, https://www.onderwijsinspectie.nl/documenten/themarapporten/2020/03/13/burgerschapsonderwijs-en-het-omgaan-met-verschil-in-morele-opvattingen
  • (5) 
    Johan Rudolf Thorbecke, Bijdrage tot de Herziening der Grondwet, Leiden, 1848, p. I en 1-2.
  • (6) 
    Nijmegen, 2016.