Voorstel tot wijziging artikel 23 Grondwet ten behoeve van gelijke kansen in het onderwijs

Op 26 mei 2021 ging er een internetconsultatie van start over een beoogde wijziging van artikel 23 van de Grondwet. Artikel 23 regelt dat zorg voor en toezicht op het onderwijs een taak is van de overheid het geven van onderwijs en vrij is. De wetgever is bij het toezicht verplicht om rekening te houden met ieders levensbeschouwing. De wijziging is ingediend door het Tweede Kamerlid Habtamu de Hoop.

Het doel van de wijziging is het verbeteren van gelijke kansen in het onderwijs. Ten eerste moet elke school de plicht hebben ieder kind op gelijke voet te accepteren. Het recht van scholen om leerlingen op basis van levensbeschouwing te weigeren wordt dus ingeperkt. Ten tweede krijgen scholen minder vrijheid om niet-democratische levensbeschouwingen te onderwijzen. Volgens de indiener hebben beide toevoegingen het doel om scholieren beter te beschermen ten opzichte van de scholen.

De internetconsultatie over het voorontwerp van dit initiatiefvoorstel liep van 26 mei 2021 tot 10 juli 2021. Na de internetconsultatie zal met behulp van de ingezonden reacties opnieuw gekeken worden naar het voorontwerp.Tussentijds werden al enkele reacties openbaar gemaakt.

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Het voorstel

Uit de memorie van toelichting bij het voorstel blijkt dat de indiener van mening is dat zaken als woonplaats, religie, of wie je ouders zijn te vaak doorslaggevend is voor de toekomst van kinderen. Volgens de indiener moet het succes van kinderen afhankelijk zijn van de capaciteit en inzet van een ieder, en niet van het inkomen of opleidingsniveau van ouders.

De wijziging heeft betrekking op artikel 23 van de Grondwet. Na wijziging komt het artikel als volgt te luiden, met toevoegingen dikgedrukt en verwijderingen doorstreept:

 
  • 1. 
    Ieder kind heeft recht op onderwijs. De wet stelt regels ter bevordering van de kansengelijkheid in het onderwijs.
  • 2. 
    Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  • 3. 
    Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  • 4. 
    Ten aanzien van het algemeen vormend onderwijs, beroepsonderwijs en hoger onderwijs geeft de wet regels ter bevordering van de gelijke kansen van

    kinderen, de ontplooiing van hun persoonlijkheid en kennis van en respect voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.

  • 5. 
    Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  • 6. 
    In elke gemeente en in elk van de openbare lichamen, bedoeld in artikel 132a, wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  • 7. 
    De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  • 8. 
    Deze eisen worden voor het algemeen vormend onderwijs, beroepsonderwijs en hoger onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  • 9. 
    Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, beroepsonderwijs en hoger onderwijs, dat aan de bij of krachtens de wet te stellen voorwaarden voldoet en dat

    op gelijke voet toegankelijk is voor alle kinderen die de grondslag van de onderwijsinstelling respecteren, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar

    onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.

  • 10. 
    De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.

2.

Historische ontwikkeling

Artikel 23 van de Grondwet bestaat al sinds 1917 en beëindigde de zogenaamde 'schoolstrijd' in de Nederlandse samenleving door een financiële gelijkstelling voor bijzonder en openbaar onderwijs. Dit betekent dat beide vormen van onderwijs evenveel aanspraak maken op overheidssubsidie.

Daarna volgde in 1972 een aanpassing die de mogelijkheden tot een bekwaamheids- en zedelijkheidsonderzoek naar de onderwijzers ook voor andere vormen van onderwijs zoals autorijscholen mogelijk maakte. In 1976 en 1985 volgden twee onsuccesvolle pogingen het artikel te herzien. Die artikelen probeerden de waarborgen voor de kwaliteit van het onderwijs uit te breiden naar het kleuter- en voortgezet onderwijs. Tevens was artikel 23 bij de Grondwetsherziening van 1983 het enige artikel dat niet gewijzigd werd.

Sinds het begin van de 21ste eeuw speelt de discussie of artikel 23 te veel vrijheid verleent aan met name islamitische scholen om afwijkende normenstelsels te onderwijzen. Ook speelt de vraag of scholen te veel rechten hebben om leerlingen op basis van levensbeschouwelijke overtuigingen af te wijzen. Door de toevoeging van een acceptatieplicht en een burgerschapsopdracht kan het huidige voorstel als reactie op deze discussies gezien worden.

3.

Meer informatie