Afgetrapte verkiezingen

vrijdag 4 februari 2022, column van Prof.Dr. Bert van den Braak

In 1974 noemde minister De Gaay Fortman de wijze waarop de Eerste Kamer wordt gekozen een anachronisme1). Het kabinet-Den Uyl koos daarom voor rechtstreekse verkiezing. Maar ja, zo zei een Kamermeerderheid: rechtstreekse verkiezing creëert een doublure en twee elkaar beconcurrerende Kamers. Er veranderde bij de Grondwetsherziening 1983 uiteindelijk niets. Het recente voorstel om een nieuw kiescollege voor de Eerste Kamer in te stellen, namelijk ter doorgeleiding van de stemmen van in het buitenland wonende Nederlanders, trekt de gekozen lijn van getrapte verkiezing door.

Even leefde de gedachte om bij het nieuwe kiescollege voor Nederlanders in het buitenland uit te gaan van het bepalen van de stemwaarde op basis van uitgebrachte stemmen. Dat zou dan anders zijn dan bij Provinciale Staten en Caribische kiescollege, waar dat vooraf gebeurt op basis van inwonertal. Juni vorig jaar koos minister Kajsa Ollongren er toch maar voor om ook bij het nieuwe kiescollege de stemwaarde te bepalen op basis van het aantal op een peildatum geregistreerde kiezers2). De gedachte om dan ook bij Staten en Caribische kiescolleges de stemwaarde achteraf te bepalen werd eerder afgewezen, omdat die colleges bij de Eerste Kamerverkiezingen dan louter 'doorgeefluik' van stemmen zouden worden. Dat kwam dan wel erg in de buurt van rechtstreekse verkiezing.

In 2009 betoogde toenmalig staatssecretaris Ank Bijleveld echter nog dat het juist de bedoeling is dat de stem van kiezers bij de Statenverkiezingen slechts wordt 'doorgegeven' bij de verkiezing van de Eerste Kamer. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel om lijstverbindingen bij de Eerste Kamerverkiezingen af te schaffen, schreef zij:

De kiezer heeft [daardoor] duidelijkheid over de doorwerking van zijn stem bij de verdeling van de zetels voor de Eerste Kamer op het moment dat hij zijn stem uitbrengt voor de verkiezing van Provinciale Staten.3)

De fictie is dat het om indirecte verkiezingen gaat, maar uit alles blijkt dat de daadwerkelijke bedoeling is om bij verkiezingen uitgebrachte stemmen (of dat nu voor Provinciale Staten of kiescolleges is) rechtstreeks 'door te vertalen' naar de Eerste Kamerverkiezingen. Zoals Amerikaanse kiesmannen op 'hun' presidentskandidaat moeten stemmen4).

In een poging om de Eerste Kamer minder 'politiek' te maken kwam minister Ollongren met een wetsvoorstel om de zittingsduur van de Eerste Kamer te verlengen naar zes jaar, met vernieuwing van de helft om de drie jaar (het stelsel zoals dat tussen 1923 en 1983 bestond). De gedachte dat kiezers zich dan bij de Statenverkiezingen vooral door provinciale overwegingen zullen laten leiden, is evenwel een slag in de lucht. Ook vóór 1983 stonden Statenverkiezingen altijd in het teken van de landelijke politiek en van het vellen van een oordeel over het kabinetsbeleid. De macht van de Eerste Kamer om (als laatste) wetgeving te kunnen blokkeren, bepaalt haar belang en daarmee dat van haar verkiezing. Dat verandert niet met een langere zittingsduur.

Ik zou zeggen: stop met dit gekunstelde, fictieve stelsel. Denk in plaats daarvan eens na over de vraag of het uit democratisch oogpunt logisch is dat de Eerste Kamer het laatste woord (een absoluut vetorecht) over de wetgeving heeft. Het is prima dat er een Eerste Kamer is en die kan ook op bescheiden wijze een nuttige rol spelen. Maar het is onlogisch dat haar stem uiteindelijk zwaarder weegt dan die van de Tweede Kamer; een Kamer waarvan vrijwel alle partijen (de SP is de uitzondering) stellen: die heeft het politieke primaat.

Rechtstreekse verkiezing van de Eerste Kamer kan inderdaad tot (onwenselijke) concurrentie leiden. Het argument dat dit slecht is voor het parlementaire stelsel, doet vreemd aan als wel de bestaande onevenwichtigheid tussen beide Kamers voor lief wordt genomen. En er is een simpele oplossing: verminder de macht van de Eerste Kamer. Laat haar doen waaraan zij haar bestaansrecht ontleent: de wetgevingskwaliteit beoordelen en suggesties doen voor verbetering. Verhoog de drempel voor verwerping naar twee derde (er blijft dus een vetorecht) en stel een terugzendplicht in voor als een gewone meerderheid tegen is. De Tweede Kamer kan het teruggezonden wetsvoorstel dan eventueel verbeteren en als laatste oordelen.

 

Prof. dr. Bert van den Braak is onderzoeker bij PDC en hoogleraar parlementaire geschiedenis aan de Universiteit van Maastricht.

Deze column verscheen oorspronkelijk op Parlement.com.

 

  • 1) 
    Handelingen commissievergadering Tweede Kamer, 9 december 1974.
  • 2) 
    Kamerstuk 35.785, nr. 7, brief Hoofdlijnen kiescollege niet-ingezetenen.
  • 3) 
    Kamerstuk 32.191, nr. 3.
  • 4) 
    Verschil is dat de VS geen stemwaarden toekent, maar louter het aantal kiesmannen heeft vastgesteld