Overslaan en naar de inhoud gaan


Wet op de politieke partijen

De Wet op de politieke partijen (Wpp) is een wetsvoorstel waarbij bestaande en nieuwe regels over politieke partijen gebundeld worden. Het doel van de Wpp is om de wettelijke kaders waarbinnen partijen opereren te vernieuwen en vollediger te maken. Bij het stellen van deze regels beoogt de Wpp fundamentele rechten te waarborgen, zoals de vrijheid van vereniging en de vrije uitoefening van het actieve en het passieve kiesrecht.

Op 26 juni 2019 presenteerde minister Kajsa Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) een pakket voorstellen om het kiesstelsel te moderniseren, waaronder het voorstel voor de Wpp. Zij nam hiermee een aanbeveling over van de Staatscommissie parlementair stelsel. Op 22 december 2022 werd de Wpp door minister Hanke Bruins Slot van BZK in consultatie gebracht. Minister Judith Uitermark diende het wetsvoorstel op 13 mei 2025 in bij de Tweede Kamer, waar het sindsdien in behandeling is. Het kabinet streeft ernaar de wet op 1 januari 2028 in werking te laten treden.

Inhoud

  1. Wetsvoorstel
  2. Historische context
  3. Discussie
  4. Behandeling Tweede Kamer
  5. Meer informatie

Wetsvoorstel

De Wpp bestaat uit verschillende onderdelen en richt zich op politieke partijen en aan hen gelieerde organisaties. De wet heeft twee hoofddoelen. Allereerst om de onafhankelijke positie van politieke partijen te versterken en de wettelijke regels voor politieke partijen zoveel mogelijk in één wet te bundelen. En als tweede het versterken van de parlementaire democratie en weerbaarheid van politieke partijen. Het voorstel stelt ook expliciet regels voor politiek-wetenschappelijke instituten en politieke jongerenorganisaties.

De wet gaat onder meer in op digitale campagnevoering en microtargeting. Digitale beïnvloeding vanuit het buitenland, bijvoorbeeld door verspreiding van desinformatie, levert nieuwe vraagstukken op. Dit geldt ook voor het via financiële middelen verwerven van invloed binnen politieke, maatschappelijke en religieuze organisaties. Het kabinet wil daarom transparantie voorschrijven wat betreft deze zaken maar ook de onafhankelijkheid van politieke partijen niet in het geding brengen.

Daarnaast moet er een aparte, onafhankelijke toezichthouder worden ingesteld. Dit omdat het takenpakket van de toezichthouder relatief uitgebreid zou zijn, met ook politiek gevoelige onderwerpen als de regulering van verkiezingscampagnes en microtargeting. Die toezichthouder krijgt de naam Nederlandse autoriteit politieke partijen (Napp). Minister Pieter Heerma informeerde de Tweede Kamer in mei 2026 over de voorbereidingen voor de oprichting. Ook het coalitieakkoord van het kabinet-Jetten noemt de Napp: het kabinet wil extra waarborgen inbouwen in de benoemingsprocedures voor onder meer de Kiesraad en deze nieuwe autoriteit.

Ten slotte wil het kabinet een afzonderlijke wettelijke basis voor het partijverbod. Nu valt dit onder de algemene regeling voor het verbieden van rechtspersonen (artikel 2:20 BW) maar er is behoefte aan een op politieke partijen gerichte verbodsgrond. In het ingediende wetsvoorstel staat die grond in artikel 139. Een politieke vereniging wordt volgens dat artikel door de Hoge Raad verboden verklaard en ontbonden, op verzoek van de procureur-generaal bij de Hoge Raad, wanneer zij door haar doelstelling of werkzaamheden een daadwerkelijke en ernstige bedreiging vormt voor de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat. De memorie van toelichting noemt als voorbeelden een georganiseerde poging om de onafhankelijkheid van de rechtspraak wezenlijk aan te tasten of om de democratische besluitvorming onmogelijk te maken.

Historische context

Traditiegetrouw kennen politieke partijen binnen de Nederlandse democratie een grote mate van onafhankelijkheid. De overheid heeft zich in vergelijking met andere landen altijd relatief terughoudend opgesteld over dit onderwerp.

Toen de traditionele, geconsolideerde democratieën zoals Nederland hun grondwetten opstelden in de negentiende eeuw, hadden politieke partijen nog niet zo'n dominante rol in het politieke proces. Van parlementariërs werd in die tijd verwacht dat zij geheel onafhankelijk tegenover de kiezer stonden en volkomen zelfstandig hun positie in het debat bepaalden. Het begrip 'politieke partij' kwam (en komt nog steeds) niet voor in de Nederlandse Grondwet. Een specifieke regeling voor politieke partijen lag dan ook niet voor de hand.

In jongere democratieën zijn politieke partijen vaak wel direct of indirect opgenomen in de grondwet. In Oostenrijk gebeurde dat in 1945, in Italië in 1947 en in 1949 trad de Grundgesetz in de Bondsrepubliek Duitsland in werking. Sindsdien zijn politieke partijen in Europa steeds meer gereguleerd geworden: de wens tot een wettelijke basis groeide in de jaren 60, door onder meer de in toenemende mate geïntroduceerde overheidssubsidie voor partijen.

Discussie

Over verschillende facetten van het wetsvoorstel bestaat aanhoudende discussie. Over de financiering van partijen bestaat een redelijk brede consensus dat enige vorm van transparantie wenselijk is. Over de vraag vanaf welk bedrag (en of er een maximum op een geschonken bedrag zou moeten zitten) bestaat nog enige onenigheid.

Er wordt een steviger debat gevoerd over de noodzaak van interne partijdemocratie. Deze bepaling in de wet is momenteel gericht op één partij in Nederland: de PVV. Dit is momenteel de enige partij zonder leden en dus ook zonder enige vorm van interne democratie. Vooral D66 wil deze bepaling graag in de Wpp zien opgenomen. Tijdens de campagne en formatie van 2025 lieten partijen als het CDA en de VVD doorschemeren hier wellicht ook wel wat voor te voelen. Tegenstanders hiervan vinden dat partijen de vrijheid zouden moeten hebben dit zelf te bepalen. Er zitten ook al nadelen aan het niet toelaten van leden; zo krijgen partijen pas staatssteun bij een minimum van 1000 leden.

De verplichting tot interne democratie wordt belangrijker vanwege de wens een partijverbod op te nemen in de wet (artikel 139 Wpp). De procureur-generaal van de Hoge Raad zou een partij dan verboden kunnen verklaren. De Raad voor de rechtspraak reageerde hier kritisch op, ook omdat de verbodsgronden "tamelijk vaag en algemeen zijn geformuleerd." Een partijverbod kan daarbij een grote maatschappelijke impact hebben, zowel voor de partij(leden), als de aanhangers en mensen die al weinig vertrouwen in de politiek hadden. Voorstanders vinden het verbod echter nodig om zo partijen te verbieden die een gevaar (kunnen) zijn voor de democratische rechtsstaat.

Behandeling Tweede Kamer

Ondanks de val van het kabinet-Schoof besloot de commissie voor Binnenlandse Zaken op 17 juni 2025 de Wpp niet controversieel te verklaren, waardoor de behandeling kon doorgaan. Op 2 juli 2025 leverde de commissie haar eerste inbreng, specifiek over de thema's partijverbod en interne partijdemocratie. Een tweede inbreng volgde op 25 september 2025 en het nader verslag op 1 oktober 2025.

Vervolgens werden twee amendementen ingediend. André Flach (SGP) stelde op 20 november 2025 voor om artikel 139 dichter te laten aansluiten bij de bestaande regeling voor het verbieden van rechtspersonen in het Burgerlijk Wetboek. Op 10 december 2025 dienden Joost Sneller (D66) en Mikal Tseggai (PRO) een amendement in dat interne partijdemocratie alsnog in de wet schrijft. Partijen zouden verplicht worden leden toe te laten die aan de eisen van de vereniging voldoen, en de leden zouden moeten kunnen beslissen over het verkiezingsprogramma en de kandidatenlijst. Het toezicht daarop zou bij de Napp komen te liggen, met als uiterste sanctie dat een partij niet aan verkiezingen mag meedoen.

Op 16 december 2025 besloot de Tweede Kamer de Afdeling advisering van de Raad van State om voorlichting te vragen over dat amendement. De voorlichting werd op 18 mei 2026 gepubliceerd. Volgens de Afdeling is er in algemene zin constitutionele ruimte om de interne organisatie van politieke partijen wettelijk te regelen: een grote mate van vrijheid voor partijen is essentieel voor een goed werkende democratie, maar het beperken daarvan kan soms juist noodzakelijk zijn om die democratie weerbaar te maken. De kritiek richt zich vooral op de motivering en op de sanctie. De Afdeling geeft in overweging van sanctionering af te zien, en schetst daarbij een dilemma. Zonder sanctie kunnen partijen de normen makkelijker ontwijken, maar de verslaglegging van de Napp aan beide Kamers kan wel een maatschappelijk en politiek gesprek op gang brengen over hoe interne partijdemocratie in de praktijk vorm moet krijgen.

Minister Heerma stuurde zijn nota naar aanleiding van het nader verslag op 29 juni 2026 naar de Kamer. Een plenaire behandeling is nog niet gepland.

De inwerkingtreding is inmiddels twee keer opgeschoven. Aanvankelijk mikte het kabinet op 1 januari 2026, daarna op 1 januari 2027. In april 2026 liet Heerma weten dat ook die datum niet haalbaar is; het streven is nu 1 januari 2028.

Meer informatie