Artikel 79: Kiezers-Kollegiën in Steden ter vervulling opgengevallen Raadplaatsen

78
Artikel 79
80

In alle Steden worden ingevoerd Kiezers-kollegiën, gelijk van ouds in vele Steden bestonden. Zij worden eenmaal in het jaar door de Regering bijeen geroepen, alleenlijk tot het bedoelde einde, om de Raadplaatsen in dien tusschentijd open gevallen, door bevoegde personen te vervullen.

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Toelichting Staatscourant

De grondslag is in ons Land de Constitutie der provintiën, der ridderschappen en steden. Daarom wordt deze constitutie bij de Grondwet bevestigd en alles zoo gelaten als het was, behalve hetgeen uitdrukkelijk verbeterd wordt. De voornaamste verbeteringen zijn dan nog herstellingen van de aloude Constitutie, zoo als zij was vóór de tijden van de Republiek, die eene groote nieuwigheid geweest is.

De oude vrijheid, die aan onze Voorouderen zoo dierbaar was, is geheel in deze Grondwet overgebragt. Die vrijheid heeft in sommige stukken geleden door de republikeinse regering. Dit is tastbaar in de afschaffing van de kiezers voor de stedelijke regeringen. Naderhand hebben, of de regeringen hare nieuwe leden aangesteld, of de Stadhouders hebben het gedaan, of beide gezamenlijk. Thans kan men dit regt aan het volk wedergeven, om dat de stedelijke regeringen niet meer een deel van de Souvereiniteit uitmaken, en dezelfde onlusten niet meer te vreezen zijn.

Tevens is, bij de Grondwet, zorg gedragen voor het behoud van eene redelijke vrijheid, voor die regten, welke den Nederlander altijd dierbaar zijn geweest, en de Staten van de Provintiën vinden, alzoo de algemeene voorspoed op dezelve gegrond is, en zijn aanzien rijst door den welstand van het volk. Toen Leopold de Tweede op den troon geroepen werd, dien Joseph had doen wankelen, door de zucht naar nieuwigheden, verklaarde hij aan de afgevaardigden, hem op de grenzen te gemoet gekomen, dat hij de Staten der Provintiën, als de grondzuil der monarchie, beschouwde. Deze Grondwet vereenigt, in zoo ver eene onvolmaakte menschelijke instelling vermag, alle de middelen tot behoud der nationale onafhankelijkheid en der burgerlijke vrijheid.

In zoo ver als de Staten-Generaal deelnemen aan de Souvereiniteit, doen zij dit zonder rugspraak ofschoon niet zonder verantwoordelijkheid. De afgevaardigden in de vergadering worden gekozen door de Staten der Provintiën; de Staten der Provintiën bestaan grootendeels uit afgevaardigden van de steden, en de stedelijke regeringen worden aangevuld door de burgerij. Zoo dat de verantwoordelijkheid nederdaalt tot het volk toe, hetwelk de eerste keuze doet. Een geest van republikeinsche aristocratie mogt dit beletten; onder eene bepaalde Souvereiniteit kan het vrij geschieden.

Een Stadhouder mogt begeeren, om zijne wankelende magt, door aanstellingen van stedelijke regenten, te schragen; een Souverein Vorst heeft dat niet noodig. En zoo vervalt in eens eene bron van menigvuldige twisten in de republiek, en de stedelijke welvaart wordt bevorderd door de goede burgerij in orde te houden, haar een zeker aanzien te geven, de leden der stedelijke regeringen meer aan haar te verbinden, en de regeringen nog meer belang te doen stellen in de stedelijke welvaart. De welvaart der steden maakt een groot gedeelte uit van de algemeene, en de stedelijke regeringen zullen dezelve des te meer behartigen, naar mate zij niet afgetrokken zullen worden door de zaken van het gemeene Land.

2.

Ontwikkeling artikel

1798

Tot het geregeld uitbrengen van de Stem der Burgeren, is de geheele Republiek verdeeld in Grond-Vergaderingen, uit de naast bij elkander gelegene Huizen, Buurten of Wijken, zamengesteld, waarin de Stemmende Burgers uit iedere vijf honderd Zielen, en in Districts-Vergaderingen, waarin de Kiezers uit veertig Grond-Vergaderingen bijeenkomen.

1814

In alle Steden worden ingevoerd Kiezers-kollegiën, gelijk van ouds in vele Steden bestonden. Zij worden eenmaal in het jaar door de Regering bijeen geroepen, alleenlijk tot het bedoelde einde, om de Raadplaatsen in dien tusschentijd open gevallen, door bevoegde personen te vervullen.

1815: art 133, 1840: art 131
1848

Aan het hoofd der gemeente staat een raad, welks leden onmiddellijk door de ingezetenen, op de wijze door de wet te regelen, voor een bepaald aantal jaren worden verkozen.

De voorzitter wordt door den Koning ook buiten de leden van den raad benoemd, en ook door hem ontslagen.

Om kiezer in eene gemeente te zijn, moet men de vereischten bezitten, in art. 76 gevorderd; de belastingsom, daar bepaald, wordt echter op de helft gebragt.

1887

Aan het hoofd der gemeente staat een raad, welks leden regtstreeks voor een bepaald aantal jaren worden gekozen door de mannelijke ingezetenen der gemeente, tevens Nederlanders, die de door de wet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt.

Het tweede en het derde lid van artikel 80 zijn hierbij van toepassing.

Om lid van den raad te kunnen zijn wordt vereischt dat men mannelijk Nederlander en ingezeten der gemeente zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van drie en twintig jaren vervuld hebbe.

De verkiezing van den raad heeft plaats op de wijze door de wet te regelen. De Voorzitter wordt door den Koning, ook buiten de leden van den raad, benoemd en door hem ontslagen.

1917

Aan het hoofd der gemeente staat een raad, welks leden rechtstreeks voor een bepaald aantal jaren worden gekozen door de mannelijke ingezetenen der gemeente, tevens Nederlanders of door de wet als Nederlandsche onderdanen erkend, die den door de wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt en door de vrouwelijke ingezetenen der gemeente, die aan gelijke voorwaarden voldoen, indien en voor zoover de wet haar, niet uit hoofde van aan het bezit van maatschappelijken welstand ontleende redenen, kiesbevoegd verklaart. De verkiezing geschiedt op den grondslag van evenredige vertegenwoordiging.

De laatste zinsnede van het eerste lid, het tweede, derde en vierde lid van artikel 80 zijn van toepassing.

Om lid van den raad te kunnen zijn wordt vereischt, dat men Nederlander of door de wet als Nederlandsch onderdaan erkend en ingezeten der gemeente zij, niet krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak wegens krankzinnigheid of zwakheid van vermogens, de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van drie en twintig jaren vervuld hebbe.

De verkiezing van den raad heeft plaats op de wijze door de wet te regelen.

De Voorzitter wordt door den Koning, ook buiten de leden van den raad, benoemd en door hem ontslagen.

1922

Aan het hoofd der gemeente staat een raad, welks leden rechtstreeks voor een bepaald aantal jaren worden gekozen door de ingezetenen der gemeente, tevens Nederlanders of door de wet als Nederlandsche onderdanen erkend, die den door de wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. De verkiezing geschiedt op den grondslag van evenredige vertegenwoordiging.

De laatste zinsnede van het eerste lid, het tweede en derde lid van artikel 81 zijn van toepassing.

Om lid van den raad te kunnen zijn, wordt vereischt dat men Nederlander of door de wet als Nederlandsch onderdaan erkend en ingezeten der gemeente zij, den ouderdom van drie en twintig jaren vervuld hebbe, niet van de verkiesbaarheid ontzet zij, noch van de uitoefening van het kiesrecht zij uitgesloten krachtens de daaromtrent ingevolge artikel 81, derde lid, getroffen regeling, met uitzondering van gerechtelijke vrijheidsberooving en veroordeeling tot eene vrijheidsstraf anders dan wegens bedelarij of landlooperij of wegens een feit, waaruit openbare dronkenschap blijkt.

De verkiezing van den raad heeft plaats op de wijze door de wet te regelen.

De Voorzitter wordt door den Koning, ook buiten de leden van den raad, benoemd en door hem ontslagen.

1938

Aan het hoofd der gemeente staat een raad, welks leden rechtstreeks voor een bepaald aantal jaren worden gekozen door de ingezetenen der gemeente, tevens Nederlanders of door de wet als Nederlandsche onderdanen erkend, die den door de wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. De verkiezing geschiedt op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.

De laatste zinsnede van het eerste lid, het tweede en derde lid van artikel 83 zijn van toepassing.

Om lid van den raad te kunnen zijn, wordt vereischt dat men Nederlander of door de wet als Nederlandsch onderdaan erkend en ingezeten der gemeente zij, den ouderdom van drie en twintig jaren vervuld hebbe, niet van de verkiesbaarheid ontzet zij, noch van de uitoefening van het kiesrecht zij uitgesloten krachtens de daaromtrent ingevolge artikel 83, derde lid, getroffen regeling, met uitzondering van gerechtelijke vrijheidsberooving en veroordeeling tot eene vrijheidsstraf anders dan wegens bedelarij of landlooperij of wegens een feit, waaruit openbare dronkenschap blijkt.

De verkiezing van den raad heeft plaats op de wijze door de wet te regelen.

De Voorzitter wordt door den Koning, ook buiten de leden van den raad, benoemd en door hem ontslagen.

1948: art 145, 1953: art 152, 1956: art 152
1963

Aan het hoofd der gemeente staat een raad, welks leden rechtstreeks voor een bepaald aantal jaren worden gekozen door de ingezetenen der gemeente, tevens Nederlanders of door de wet als Nederlandse onderdanen erkend, die de door de wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden een en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. De verkiezing geschiedt op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.

De laatste zinsnede van het eerste lid, het tweede en derde lid van artikel 90 zijn van toepassing.

Om lid van de raad te kunnen zijn, wordt vereist dat men Nederlander of door de wet als Nederlands onderdaan erkend en ingezeten der gemeente zij, de ouderdom van drie en twintig jaren vervuld hebbe, niet van de verkiesbaarheid ontzet zij, noch van de uitoefening van het kiesrecht zij uitgesloten krachtens de daaromtrent ingevolge artikel 90, derde lid, getroffen regeling, met uitzondering van gerechtelijke vrijheidsberoving en veroordeling tot een vrijheidsstraf anders dan wegens bedelarij of landloperij of wegens een feit, waaruit openbare dronkenschap blijkt.

De verkiezing van de raad heeft plaats op de wijze door de wet te regelen.

De Voorzitter wordt door de Koning, ook buiten de leden van de raad, benoemd en door hem ontslagen.

1972

Aan het hoofd der gemeente staat een raad, welks leden rechtstreeks voor een bepaald aantal jaren worden gekozen door de ingezetenen der gemeente, tevens Nederlanders of door de wet als Nederlandse onderdanen erkend, die de door de wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden achttien jaren mag zijn, hebben bereikt. De verkiezing geschiedt op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.

De laatste zinsnede van het eerste lid, het tweede en derde lid van artikel 90 zijn van toepassing.

Om lid van de raad te kunnen zijn wordt vereist, dat men Nederlander of door de wet als Nederlands onderdaan erkend en ingezeten der gemeente zij, de ouderdom van drie en twintig jaren vervuld hebbe, niet van de verkiesbaarheid ontzet zij, noch van de uitoefening van het kiesrecht zij uitgesloten krachtens de daaromtrent ingevolge artikel 90, derde lid, getroffen regeling, met uitzondering van gerechtelijke vrijheidsberoving en veroordeling tot een vrijheidsstraf anders dan wegens bedelarij of landloperij of wegens een feit, waaruit openbare dronkenschap blijkt.

De verkiezing van de raad heeft plaats op de wijze door de wet te regelen.

De Voorzitter wordt door de Koning, ook buiten de leden van de raad, benoemd en door hem ontslagen.

1983

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.

1987: art 131, 1995: art 131, 1999: art 131, 2000: art 131, 2002: art 131, 2005: art 131, 2006: art 131, 2008: art 131, 2017: art 131
2018

De commissaris van de Koning en de burgemeester worden aangesteld, geschorst en ontslagen op een bij de wet te bepalen wijze. Krachtens de wet kunnen nadere regels worden gesteld over de daarbij te volgen procedures.