Artikel 57: Oorlogverklaring; Maken van vrede

56
Artikel 57
58

De Koning verklaart oorlog en maakt vrede. Hij geeft daarvan kennis aan de beide Kamers der Staten-Generaal, met bijvoeging van de openingen, welke Hij met het belang en de zekerheid van het Rijk bestaanbaar oordeelt.

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Toelichting Staatsblad

Al wat in de eerste grondwet betrekkelijk de verdediging van den Staat bepaald was, bebben wij ook hier overgenomen.

Eene vaste en duurzame krijgsmagt zal, als het ware, de voorhoede der natie zijn (art. 204).

Eene militie wijsselijk geregeld, zal steeds gereed zijn om ter verdediging van het vaderland toetesnellen. (art 206 en 212.)

De geheele natie eindelijk in schutterijen vereenigd, zal (is het nood) hare vrijheid en onafhankelijkheid tegen eenen vijand weten te verdedigen (art. 213.)

Het is ons verder nuttig toegeschenen eenige bepalingen der onlangs gemaakte wetten op de militie in de grondwet over te nemen, daar zij aan den Staat de diensten verzekert, welke deze regt heeft te vorderen, en aan de ingezetenen de opvolging van vaste en onwrikbare voorschriften toezegt, en hen alzoo behoedt tegen willekeurige en ondoordachte maatregelen.

Bij het regelen van dezen heiligen pligt, hebben wij ons twee der belangrijkste tijdperken onzer geschiedenis verlevendigd; de bevrediging van Gend, welke de ongelukkige scheiding der zeventien provinciën vooraf ging, en de Unie van Utrecht, dien eersten grondslag van nationale onafhankelijkheid, dien bron van zoo veel roems en voorspoed. Eenmaal zal onze nakomelingschap met eene edele trotschheid terugzien op die gedenkwaardige dagen, toen Hollanders en Belgen, nog niet geheel tot éénen staat vereenigd, maar door onderlinge liefde en achting nauw verbroederd, onder de standaarden uwer dappere zonen, gewedijverd hebben met de geoefendste krijgsbenden op de oevers van de Sambre en de vlakten van Waterloo; - op die schoone dagen, toen zij, waardig om onder het geleide van Nassau's heldenkroost te strijden, de achting uwer bondgenooten, den welverdienden roem en onverwelkbare lauweren verdienden, welke de heilige onderpanden zijn van den moed en ijver waarmede zij ten allen tijde zullen gereed zijn, om hun vaderland, hunnen Koning en eene grondwet, welke onder zulke gunstige voortekenen wordt daargesteld, met hun bloed tegen allen aanval te beschermen. Alzoo zal de onafhankelijkheid eens volks waardig om vrij te zijn, en aan het hoofd hebbende een geslacht, waarin wijsheid en heldenmoed erfgoederen zijn, door zijne naburen steeds geëerbiedigd worden.

De Vorsten van uw huis, Sire! zullen zekerlijk met wijze behoedzaamheid gebruik maken van het recht om oorlog te verklaren [art. 57]; dit regt is in eene welgeregelde monarchie onafscheidelijk van den persoon des Vorsten; wij hebben hetzelve niet in het minste beperkt.

2.

Ontwikkeling artikel

1798

Aan dit Lichaam behoort, uitsluitender wijze:

  • a. 
    De Magt van Wetgeving, benevens het verklaren, verbeteren, opschorten en afschaffen der Wetten, alles naar en behoudens het voorschrift der Staatsregeling.
  • e. 
    Het toestaan van verblijf of doortogt aan vreemde Troepen op of over het grondgebied der Republiek, benevens de toelating van vreemde Zeemagt of gewaapende Scheepen in derzelver Havens, beiden op voordragt van het Uitvoerend Bewind.
  • h. 
    Het beëordeelen en vaststellen der jaarlijksche begrootingen van Staatsuitgaven, zoo gewoone als buitengewoone, en het aan zig doen verändwoorden van zoodanige sommen, als het Uitvoerend Bewind, geduurende het afgelopen jaar uit 's Lands Kas ontvangen en uitgegeven heeft.
  • k. 
    Het bepaalen der Tractementen, Defroijementen, en andere toelagen van alle Ambtenaren, zoo Burgerlijke als Militaire, op voordragt van het Uitvoerend Bewind, voor zoo veel dezelven bij de Staatsregeling niet bepaald zijn.
  • m. 
    Het, des nodig, maaken van nieuwe Ambten, zoo Burgerlijke als Militaire, met bepaaling van derzelver Tractementen en Voordeelen, op voordragt van het Uitvoerend Bewind.
  • p. 
    Het vaststellen van eenen algemeenen voet op het werk der Posterijen, door de geheele Republiek, en het bepaalen van algemeene voorzieningen dien aangaande.
  • q. 
    Het verleenen van gratie, na ingenomen consideratiën, en op gunstig bericht van den Regter, aan wien de zaak behoort.
  • r. 
    Het toestaan van remissie van gratie aan Schuldenaaren van den Staat.
  • s. 
    Het toeleggen van belooningen, en verleenen van van Pensioenen, op voordragt van het Uitvoerend Bewind, mids volgende het voorschrift art. 57 en 58 der Burgerlijke en Staatkundige Grondregelen.
  • t. 
    Eindelijk, het bepaalen en regelen van alles, waarin door de Staatsregeling, en de voorhanden zijnde Wetten, niet mogt voorzien zijn.
1801

Het Staats-Bewind sluit alle Tractaten, het zy van Vrede, Alliantie, Neutraliteit, Koophandel of andere, doch niet dan onder opvolgende bekrachtiging van het Wetgevend Lichaam, met uitzondering echter van zodanige geheime Articulen, als by dezelve Tractaten gevoegd zouden mogen worden, mits dezelve niet strydig zyn, met de openbare Articulen of plaatshebbende Tractaten, en niet strekken tot afstand van eenig Grondgebied der Republiek. Ten aanzien van het verklaren van Oorlog mag hetzelve geen Besluit nemen, zonder Decreet van het Wetgevend Lichaam.

1805

Er kan geene Oorlogs-verklaring plaats hebben, dan na een voorafgaand Besluit van Hun Hoog Mogenden, op voordragt van den Raadpensionaris genomen.

1806

Er kan geene oorlogsverklaring plaats hebben, dan na een voorafgaand Besluit van Hun Hoog Mogenden, op Voordragt van den Koning genomen.

1814

De Souvereine Vorst verklaart Oorlog en maakt Vrede. Hij geeft daarvan kennis aan de Staten Generaal.

1815

De Koning verklaart oorlog en maakt vrede. Hij geeft daarvan kennis aan de beide Kamers der Staten-Generaal, met bijvoeging van de openingen, welke Hij met het belang en de zekerheid van het Rijk bestaanbaar oordeelt.

1840: art 56
1848

De Koning verklaart oorlog. Hij geeft daarvan onmiddellijk kennis aan de beide Kamers der Staten-Generaal, met bijvoeging van zoodanige mededeelingen, als hij met het belang en de zekerheid van het Rijk bestaanbaar acht.

1887: art 58, 1917: art 58
1922

De Koning tracht geschillen met vreemde Mogendheden op te lossen door rechtspraak en andere vreedzame middelen. Hij verklaart geen oorlog dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

1938: art 59, 1948: art 59
1953

De Koning verklaart het Koninkrijk niet in oorlog met een andere Mogendheid dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal, tengevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand, niet mogelijk is gebleken.

De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten terzake in verenigde vergadering.

De Koning verklaart een oorlog tussen het Koninkrijk en een andere Mogendheid niet beëindigd dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.

1956: art 59, 1963: art 59, 1972: art 59
1983
  • 1. 
    Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.
  • 2. 
    De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.
  • 3. 
    De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.
  • 4. 
    Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.
1987: art 96, 1995: art 96, 1999: art 96, 2000: art 96, 2002: art 96, 2005: art 96, 2006: art 96, 2008: art 96, 2017: art 96, 2018: art 96