Derde Afdeeling. Van de voogdij des Konings.

Inhoudsopgave van deze pagina:

37.

Meerderjarigheid

De Koning is meerderjarig als zijn achttiende jaar vervuld is.

38.

Voogdij bij minderjarigheid

In gevalle van minderjarigheid staat de Koning onder de voogdij van eenige leden van het Koninklijk Huis, en eenige aanzienlijke inboorlingen van het Rijk.

39.

Beraming voogdij

Deze voogdij wordt vooraf beraamd door den regerenden Koning en de Staten-Generaal, in eene vereenigde zitting der beide Kamers.

40.

Regeling voogdij zonder schikking vooraf

Indien de schikking, betreffende de voogdij, niet mogt gemaakt zijn voor het overlijden van den regerenden Koning, wordt daarin door de Staten-Generaal in eene vereenigde zitting der beide Kamers voorzien, met overleg, zoo veel mogelijk, van eenige der naaste bloedverwanten van den minderjarigen Koning.

41.

Eed voogd

Alvorens de voogdij te aanvaarden, legt elk der voogden in eene vereenigde zitting der beide Kamers van de Staten-Generaal, in handen van den President af den volgenden eed:

"Ik zweer trouw aan den Koning, en dat ik wijders alde pligten, welke de voogdij mij oplegt, heiliglijk zal vervullen, en mij bijzonderlijk zal toeleggen, om den Koning gehechtheid aan de Grondwet en liefde voor zijn Volk in te boezemen.

Zoo waarlijk helpe mij God almagtig !"