Artikel 126: Verantwoording ontvangsten en uitgaven

125
Artikel 126
127

De Koning doet jaarlijks aan de Staten-Generaal een uitvoerig verslag geven van het gebruik der geldmiddelen.

De ontvangsten en uitgaven van ieder afgeloopen dienstjaar door de Algemeene Rekenkamer afgesloten zijnde, wordt de alzoo afgeslotene rekening, welke zoowel de ontvangsten als de uitgaven moet bevatten, jaarlijks aan de Staten-Generaal medegedeeld.

1.

Ontwikkeling artikel

1798

Het Uitvoerend Bewind verändwoord jaarlijks, vóór het einde van Julij, aan het Vertegenwoordigend Lichaam, de Sommen, door hetzelve, geduurende het voorige jaar, uit de Nationaale Kas ontvangen en uitgegeven.

Alle de Leden van voorn. Bewind verklaaren, bij deze gelegenheid, plegtig, op hunne gedane belofte bij het aanvaarden van hunnen Post, dat zij van de Penningen, tot geheime Uitgaven hun toegestaan, geen ander gebruik hebben gemaakt, dan ten dienste der Republiek.

Deze schriftlijke, door alle de Leden geteekende, Verklaaring word aan de beide Kamers van het Vertegenwoordigend Lichaam gezonden.

Deze Reekening word jaarlijks gedrukt en publiek gemaakt i.

In tijd van Oorlog, met eenige Europeesche Mogendheid, word deze openbaarmaking uitgesteld tot zes Maanden na den Vrede.

1815

De Koning doet jaarlijks aan de Staten-Generaal een uitvoerig verslag geven van het gebruik der geldmiddelen.

1840

De Koning doet jaarlijks aan de Staten-Generaal een uitvoerig verslag geven van het gebruik der geldmiddelen.

De ontvangsten en uitgaven van ieder afgeloopen dienstjaar door de Algemeene Rekenkamer afgesloten zijnde, wordt de alzoo afgeslotene rekening, welke zoowel de ontvangsten als de uitgaven moet bevatten, jaarlijks aan de Staten-Generaal medegedeeld.

1848

De verantwoording van de staats-uitgaven en ontvangsten over elk dienstjaar wordt, onder overlegging van de door de Rekenkamer goedgekeurde rekening, aan de wetgevende magt gedaan.

Het slot der rekening wordt door de wet vastgesteld.

1887

De verantwoording van de Rijksuitgaven en ontvangsten over elk dienstjaar wordt, onder overlegging van de door de Rekenkamer goedgekeurde rekening, aan de wetgevende magt gedaan naar de voorschriften van de wet.

1917: art 126, 1922: art 127, 1938: art 129, 1948: art 129, 1953: art 136, 1956: art 136, 1963: art 136, 1972: art 136