Zevende Afdeling. Van de Raad van State, de Ministers, de Staatssecretarissen en de vaste colleges van advies en bijstand.

Inhoudsopgave van deze pagina:

83.

Raad van State; Voorzitter; Prins van Oranje

Er is een Raad van State, welks samenstelling en bevoegdheid worden geregeld door de wet.

De Koning is Voorzitter van de Raad, en benoemt de leden.

De Prins van Oranje en de dochter des Konings, die de vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon, hebben, nadat hun achttiende jaar is vervuld, van rechtswege zitting in de Raad.

84.

Mandaat Raad van State

De Koning brengt ter overweging bij de Raad van State alle voorstellen, door hem aan de Staten-Generaal te doen of door deze aan hem gedaan, alsmede alle algemene maatregelen van bestuur.

Aan het hoofd der uit te vaardigen besluiten wordt melding gemaakt dat de Raad van State deswege gehoord is.

De Koning hoort wijders de Raad van State over overeenkomsten met andere Mogendheden en volkenrechtelijke organisaties, waarvan de goedkeuring door de Staten-Generaal vereist is, alsmede over alle zaken, waarin hij dat nodig oordeelt.

De Koning alleen besluit en geeft telkens van zijn genomen besluit kennis aan de Raad van State.

85.

Uitspraak over geschillen

De wet kan aan de Raad van State of aan een afdeling van dien Raad de uitspraak over geschillen opdragen.

86.

Ministeriële departementen; Ministers en staatssecretarissen

De Koning stelt ministeriële departementen in.

Hij benoemt Ministers en ontslaat hen naar welgevallen. Hij kan Ministers benoemen, die niet belast zijn met de leiding van een ministerieel departement. Hij kan voor een departement een of meer Staatssecretarissen benoemen, die in alle gevallen waarin de Minister, hoofd van het departement, zulks nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen in diens plaats als Minister optreden. De Staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de Minister, hoofd van het departement. Op hem is van overeenkomstige toepassing hetgeen omtrent Ministers is bepaald in dit artikel en in de artikelen 55, 104, 106, 107, 120 en 178.

De Ministers zorgen voor de uitvoering der Grondwet en der andere wetten, voor zoverre die van de Kroon afhangt.

Hun verantwoordelijkheid wordt geregeld door de wet.

Bij het aanvaarden van hun betrekking leggen zij in handen van de Koning de volgende eed of belofte af:

"Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de Koning en aan de Grondwet; ik zweer (beloof) al de plichten, welke het ministerambt mij oplegt, getrouw te zullen vervullen."

"Zo waarlijk helpe mij God almachtig! (Dat beloof ik!)"

Alvorens tot dien eed of die belofte te worden toegelaten, leggen zij de volgende eed (verklaring en belofte) van zuivering af :

"Ik zweer (verklaar), dat ik, om tot Minister te worden benoemd, directelijk of indirectelijk, aan geen persoon, onder wat naam of voorwendsel ook, enige giften of gaven beloofd of gegeven heb."

"Ik zweer (beloof), dat ik om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd enige beloften of geschenken aannemen zal, directelijk of indirectelijk."

"Zo waarlijk helpe mij God almachtig! (Dat verklaar en beloof ik!)"

Alle koninklijke besluiten en beschikkingen worden door één of meer van de Ministers medeondertekend.

87.

Vaste colleges van advies en bijstand

De instellingen van vaste colleges van advies en bijstand aan de Regering geschiedt krachtens de wet, die tevens regelen inhoudt omtrent hun benoeming, samenstelling, werkwijze en bevoegdheid.